GR5 : Wallonie

15. Visé - Nessonvaux ( 31,8 km ) : 13 Februari 1999

Het startpunt plaatsen we in Visé, een historisch stadje aan de Maas. Dat maakt voor vandaag een afstand van een dikke 30 km, en zo gaan we in één keer van de vallei van de Maas naar de vallei van de Vesder achter om Luik heen. Tot mijn verbazing komen we al onmiddellijk uit bij het beginpunt van onze dagwandeling : de brug over de Maas. We stappen via enkele trappen de brug af, om langs de spoorlijn en de Maas onze dagtocht aan te vatten. Na nog een 100-tal meter verlaten we de Maas voorgoed, en beginnen we aan onze eerste klim van de dag Visé uit. Ik geloof toch dat het nog goed vriest, want mijn oren beginnen al direct te tintelen. Het heeft de laatste weken bij tussenpozen gesneeuwd en de temperaturen zijn ondertussen laag genoeg gebleven om de sneeuw op de velden en aardewegen te laten liggen. Dit gaat dus onze eerste sneeuwwandeling op de GR 5 worden.

We volgen een door de witte sneeuwmantel moeilijk te onderscheiden kleine waterloop en bereiken zo aan de rand van de bomen een kruispunt van veldwegen. De topogids laat er geen twijfel over bestaan, we moesten linksaf en even verder de verkeersweg Visé - Dalhem over. We passeren daar een restaurant en slaan wat verder achter de parking rechtsaf richting Dalhem. We komen na nog een kleine stijging ter hoogte van enkele hoogspanningslijnen op het plateau terecht tussen de Berwinne en de Maas. Als de veldweg wat verder holler en holler wordt beseffen we dat het weer bergaf zal gaan. En inderdaad , in een wijde bocht zakken we af naar de pitoreske vallei van de Berwinne.

Links van ons bevindt zich de ‘Ferme de Cromwez’. Nadat we de oude hoeve achter ons gelaten hebben, trekken we door de velden heen recht naar het stadje Dalhem, dat we tegen de zon in voor ons toch op een heuvel kunnen onderscheiden. Aan onze rechterkant kronkelt de Berwinne zich door de vallei en aan de overzijde kunnen we een indrukwekkend gebouw onderscheiden : het kasteel Cromwé (een rusthuis). Rechts voor ons zien we in de vallei van de Bolland de huizen van de rest van Dalhem. Als de veldweg wat verder de vallei induikt, laat de GR ons op hoogte blijven en komen we uit bij een hoeve. Tussen de huizen door bereiken we het centrum en de kerk van het gehucht Feneur.

Nadat we een monument van een oude eik gepasseerd zijn, vervolgen we onze weg langs de valleiwand van de Bolland. We stappen nu zuidwaarts en kunnen geruime tijd het dal in al zijn zonnige, witte pracht bewonderen. Via een holle weg verlaten we het dorp Saint-Remy en klimmen nu naar de heuvelrug, die de Bolland hier scheidt van het dal van de Julienne. Achteruit kijkend hebben we nog een mooi zicht op het dorp voor we tussen enkele huizen door de beboste dalwand van de Julienne-vallei induiken. Men heeft hier wel echt geprobeerd ons langs de meeste groene plekjes van het landschap te loodsen. Het gevolg is wel dat de GR als een dronkeman over de kaart waggelt, maar dat nemen we er graag bij. We zijn nu terecht gekomen in een vrij diep ingesneden vallei en dat merken we aan het dalingspercentage.

We merken dat we in een heus natuurreservaat terecht gekomen zijn : ‘La Résèrve naturelle de la vallée de la Julienne’. Wat nog interessanter is, is dat er zich enkele zitbanken bij bevinden, en die doen ons beslissen hier toch maar een halte te nemen, om te picknicken.Tussen enkele huizen door komen we tenslotte op een asfaltweg uit, die we nu gaan volgen richting Saive, waarvan we de kerk tegen de zon in, in de verte recht voor ons zien liggen. We willen de hoop al opgeven als we net om de hoek, vlak bij de kerk een cafeetje aantreffen. En tot ons geluk ontbreekt het hier natuurlijk niet aan één of ander stevig belgisch abdij- of ander bier. Na een avontuurlijke beklimming bereiken we een boerderij, de Ferme des Hospices. Over een asfaltweg lopen we nu verder richting Tignée. Ons reukorgaan leert ons dat er hier blijkbaar al volop met vloeibare mest rondgereden wordt.

Rechts van ons is als een besneeuwde vulkaantop, de terril van de vroegere mijn van Rétinne/Micheroux opgedoken. Ze steekt iets meer dan 100 meter boven de omringende vlakte uit en zal ons als markant herkenningspunt in dit anders slechts zacht golvende landschap nog lang gezelschap houden. We bereiken het plaatsje La Chapelle, een gehucht van Micheroux. Tussen enkele huizen door leidt de GR 5 ons tenslotte naar het dal van de Ruisseau des Marais. Al vlug bereiken we weer een asfaltweg, die ons al meanderend door het landschap rond 15u30 tot bij het Provinciaal Domein van Wégimont brengt . Na enkele draaien slaan we weer een klein paadje in, en voor we het weten zitten we weer in dezelfde situatie als bij het verlaten van Saive. Een tot waterloop geworden holle weggetje, heeft een flinke laag ijs gekregen, en deze keer moeten we niet klimmen, maar afdalen en dat is geen klein probleem; al schuivend en op handen en voeten geraken we uiteindelijk toch beneden.

We blijven zo de loop van het riviertje de Magne volgen. Na een goed half uur komen we weer bij een verzameling woningen uit : het gehuchtje heet St. Hadelin. We hadden al even hiervoor afgesproken, dat als we een bank zouden zien , er onze 2e picknick zouden houden, maar er is hier geen enkele rustplaats te bemerken, dus als we op het plateau komen, en weerom die prachtige witte uitgestrektheid voor ons zien (zonder banken), besluiten we maar om bij de laatste boerderij buiten de koude wind, die op deze open vlakte heerst, een plaatsje te zoeken op de grond.

Stilaan zijn we over het hoogtepunt van de vlakte heen, en als we een naaldbos gepasseerd zijn, krijgen we tenslotte de kerkspits van Olne in het oog, onze laatste geplande stopplaats. Aan een inboorling vragen we de weg naar de dichtstbijzijnde staminée, café St. Arnoldus, waar we om 16u40 onze rugzakken neerzetten en ons neerplanten rond een tafeltje. We bestellen een St. Arnoldus, een zwaarder bier, dat in België eigenlijk alleen gebrouwen wordt voor de uitvoer naar Frankrijk, en dat enkel in dit café (omwille van de naam zeker) hier in ons land verkrijgbaar is. Dat moeten we dus proeven, en het blijkt best goed, natuurlijk !

Wij dalen dus van het hooggelegen Olne terug af naar de volgende vallei, die van deRuisseau de Hazienne, een beekje dat uiteindelijk ter hoogte van Nessonvaux in de Vesder zal uitmonden.Beneden komen we om 17u30 uit bij het gehucht Tonvoie (hoewel het zowel op de kaart, als in de topogids als Touvoie staat aangeduid). Tussen ons en de Vesder torent nog een flinke heuvelrug op, en ik denk dat de GR van zinnens is om er ons nog recht over te laten trekken. Inderdaad, na een bocht in de weg, sturen de roodwitte streepjes ons de helling op. En het is niet zomaar een hellinkje, neen we moeten een goede 50 meter omhoog door een besneeuwd bos. In de diepte kunnen we onderweg al Nessonvaux aan de Vesder zien liggen. We hebben vandaag wel geluk gehad : het was een prachtig weertje voor een wandeling, en de winterse aankleding heeft dit op het eerste zicht minder aantrekkelijke deel van de GR 5 een aparte sfeer gegeven, die heel speciaal was.

 

16. Nessonvaux - Spa (25,4 km) : 3 Januari 1998

 

De weerkundige voortuitzichten zijn echter niet zo best. De laatste week razen voorjaarstormen over ons landje, en de rest van West Europa. In deze tijd van het jaar is het spijtig genoeg maar goed 8 uren licht (van 8u45 tot 16u49), zodat we daardoor beperkt worden in de afstand die we zouden kunnen afleggen. Meer dan een goede 25 km zit er niet in voor deze winterwandeling. Om 8u50 vertrekken we in Nessonvaux. Onmiddellijk moeten we al uit onze doppen kijken. Het wemelt in dit deel van de Ardennen van GR-paden en een vergissing is snel gemaakt. Hier lopen we op ditzelfde moment op een dubbel GR-pad : zowel de GR 5 als de GR 573 lopen hier samen door de vallei van de Vesder. Wij slaan na een honderdtal meters naar links af om onder een spoorwegbrug door een zandweg in te slaan en op de linkeroever van dezelfde rivier tegen de helling aan onze eerste klim van de dag te beginnen.

We volgen zo voorlopig de Vesder enkele honderden meters ver, en na een inzinking in de weg verwijderen we ons stilaan van de rivier. We passeren wat huizen, die tekens vertonen van verwoede pogingen tot verbouwing, en aan onze rechterkant bevindt zich een parkje met kasteel, dat we echter niet echt goed te zien krijgen. We bereiken Basse Fraipont, in tegenstelling tot de enkele huisjes die we even daarvoor tegengekomen zijn en die natuurlijk Haute Fraipont genoemd worden. We beginnen stilaan te stijgen. Al snel komen we boven uit bij een lichtblauw geschilderd kruis met het opschrift 16 août 1931 : het is het Croix Saint-Jean, vanwaar ons een mooi uitzicht geboden wordt op het dorpje Basse Fraipont en zijn ligging in de vallei van de meanderende Vesder.

Door de bossen volgen we nu de kam van de heuvelrug. Het gaat nog een stuk omhoog, maar dat is niet zo erg. Erger is dat het stilaan begint te druppelen. En daar blijft het niet bij. Even later, als we boven zijn en even door een open plek langs een alleenstaande boerderij wandelen, begint ook de wind ons parten te spelen. Het begint harder te regenen en de combinatie van regen en wind noopt ons regenkledij aan te trekken. De weg is nog ver en het weer kan (hopelijk) nog veranderen. Met Banneux in zicht besluiten we om toch maar even door te bijten en bij de bedevaartplaats een droge, warme drankgelegenheid te zoeken om even te rusten. We gaan wat verder weer de velden in om rond 10u30 plots voor de ingang van het bedevaartsoord Banneux-Notre-Dame te staan. Ons bezoek aan het bedevaartsoord lijkt ook zijn vruchten af te werpen. De wind blijft verder waaien, maar het gedruppel schijnt vanachter het glas toch te minderen, zodat we na een 20-tal minuten toch maar opstappen. Even verder slaan we rechtsaf de bossen van de ‘Fagne de Banneux’ in.

Het blijft moeilijk wandelen op de glibberige bospaden, met hun vervelende modderpoelen en gladde boomwortels, die het voortgaan naast de paden ook bemoeilijken. Aan onze linkerhand strekt zich een prachtig panorama uit over de vallei van de Hoegne in de richting van het stadje Theux . We lopen verder en passeren even later de Ferme St. Remacle die we even onder ons zien liggen. De weg wordt wat veder iets gemakkelijker te bewandelen, ze is hier wat verhard. Ik had niet gedacht dat ik op de GR 5 een stuk verharde weg zo zou verwelkomen. We komen vlak bij het dorpje Becco uit bij een aardig kapelletje dat hier is opgericht ter herdenking van een vroegere parochiepriester, pastoor Kollmeyer. We wandelen door het dorpje Becco, dat zoals de meeste Ardense gehuchtjes een onaardse rust uitstraalt. Als we wat later van de verharde weg afwijken, krijgen we plots een mooi panorama voorgeschoteld : in een weids landschap, doorsneden met hagen en wegen, spreidt zich voor ons een lappendeken van weiden uit in alle tinten van groen; en midden daarin liggen de verspreide woningen van het plaatsje La Reid rond hun kerk samengetroept. Dit moeten we even rustig in ons opnemen.

We dalen via een glibberige en steile holle weg af naar het dorp, waar de GR ons eerst nog een rondje rond de kerk laat draaien voor we bij onze tweede poging een ons interessant lijkend caféetje - ‘Le Cerf Blanc’ genaamd - binnenstappen. De waardin van het établissement blijkt tot onze grote voldoening een verse pot soep op het vuur te hebben staan. Al snel staat er voor ons een dampende kom witloofsoep met enkele sneden brood. Samen met een flinke pint zal dat de honger wel even stillen. Na een dik halfuur begeven we ons terug in de frisse buitenlucht. De wind begint weer feller op te steken, en voert nu en dan ook weer een druppel regenwater mee. Na enkele kruispunten krijgen we iets later ons volgend doel in zicht : het dorpje Winamplanche, genesteld in de Vallée de Tolifâ. Ik doe een flinke buiteling, als ik op een natte, glibberige boomwortel uitglijd en onzacht op mijn rug neersmak.

Na een korte zijstap in de verkeerde richting, vinden we toch de juiste weg terug en begeven ons via een asfaltweg richting Creppe. Als we wat later de bescherming van de bomen verlaten, voelen we plots weer hoe fel de wind huishoudt op de open vlakte rond Creppe. Het ligt zoals Becco op een hoogte, zodat de windvlagen er vrij spel mee hebben. We slaan een honderdtal meters voor de dorpsrand een weggetje in, en moeten ons al snel flink schrap zetten. Ik besef dat het de laatste keer is dat ik mijn trouwe paraplu als metgezel zal kunnen meenemen. Enkele baleinen zijn al gebroken, en de resterende zullen het ook niet lang volhouden, als we nog veel langer hier moeten rondlopen. En dat zal nog wel even. De wegen worden holler en holler, en daardoor ook slijkeriger en slijkeriger. We moeten weer allerhande toeren uithalen om ons recht en onze voeten ietwat droog te houden. Uiteindelijk dalen we slippend en glijdend het laatste pad af naar het grote Bois de Mambaye. Niet alleen is de wind ondertussen toegenomen, maar daarenboven begint het nu ook weer te regenen ! En niet zomaar een buitje. Neen, ditmaal valt het hemelwater met bakken uit de lucht. We bereiken dan juist de bosrand, dus een gedeelte wordt wel opgevangen door de begroeiing. Ik heb de schamele resten van mijn overleden regenscherm toch maar bij elkaar gevouwen en geef hem iets verder een laatste rustplaats in een vuilbak. Springend over plassen en soms wegzinkend in de moerassige ondergrond, vervolgen we onze weg richting noord. We komen uiteindelijk op een klein boswegeltje vlak naast de beek uit. Wat in de zomer een klein watertje moet zijn, dat hier rustig naar beneden klatert, is nu een enthousiast stromende beek geworden. Het mag hier dan wel flink nat zijn, toch zien we door het scherm van regen, dat het hier een prachtige omgeving is. Wonder boven wonder weten we ons alle drie recht te houden. Het gaat er soms vrij steil naar beneden, en de natte paadjes en boomstronken doen hun best om ons een tuimeling te laten maken.

Een stijgende weg betekent voor ons de laatste klim van de dag. We passeren de vergane glorie van een groot kuuroord : vele grote, oude kasten van huizen liggen hier tegen de flanken van de heuvels rond Spa. De rolluiken zijn meestal neergelaten, en hier en daar bladdert de verf af van de muren. De natte, koude atmosfeer verleent een nog triestiger uitzicht aan de gebouwen. We begeven ons verder richting centrum en bereiken de “Place du Monument”. Wij slaan rechtsaf en bereiken na het prestigieuze Casino om 16u50 de ‘Pouhon Pierre le Grand’. De deur van het gebouw staat open en binnen brandt er licht. We nemen even een kijkje binnenin. Het zijn namelijk de pouhons of natuurlijke bronnen van mineraalwater, afkomstig van het plateau van de Hoge Venen, die Spa beroemd gemaakt hebben. Als we enkele trappen afdalen, zien we beneden ons de befaamde bron van Peter de Grote; één van de vele beroemdheden die hier vroeger eens geweest is. We hebben weer een flink stuk afgelegd van onze GR 5. Hopelijk is het de volgende keer toch wat droger ! Tot dan !

 

 

 

17. Spa - Vielsalm (33,5 km) : 11 April 1998

Vandaag gaan we het grootste deel van onze Ardennen in één ruk doorkruisen.Op de Place Pierre le Grand in Spa vinden we onze witrode leidraad terug. We volgen de streepjes en komen zo uit op het Place Chanoine Achille Salée, waar we de St. Remacluskerk passeren. Na enkele honderden meters verlaten we de verharde weg en komen via een nog steilere zijweg op een zandweg terecht bij een klein kapelletje. Het wemelt hier van de plaatselijke wandelroutes, en dat is begrijpelijk, want het is hier best wel mooi. We zijn al flink wat meters gestegen en achter ons hebben we doorheen de bomen af en toe een mooi zicht over Spa.

Wat later moeten we nog even een paar meters asfalt verwerken, maar dan laten we ook deze laatste strook beschaving achter ons en duiken we langs het beekje de ‘Picherotte’ het woud in. We volgen nu de ‘Promenade des Artistes’, een plaatselijke wandelroute. Het bescheiden beekje heeft zich hier toch een flinke vallei uitgegraven in het beukenbos. En het gaat weer flink de hoogte in. Via een massa loopbruggetjes worden we gedwongen het watertje nog verschillende malen over te steken, voordat we tenslotte om 9u00 bij het hutje van de Pouhon Delcor aankomen. Onder het afdakje bevindt zich een grote vierkante betonnen plaat, waaruit aan de rand een bronnetje ontspringt. Dit is dus één van de ijzer- en koolzuurhoudende bronnen, waardoor het kleine stadje zo beroemd is geworden. En ijzerhoudend is het zeker, want een donkerbruin spoor laat ons zien waar het water loopt.

Na korte tijd verlaten we het smalle boswegeltje en komen we terecht op een bredere, verharde weg. Na een kruispunt kunnen we de kaarsrechte weg volgen doorheen het Bois des Minières. Uiteindelijk komen we uit aan de rand van de Fagne de Malchamps. Voor ons bevindt zich het veen : een uitgestrekte vlakte met hier en daar een denneboom en wat lage begroeiing. We draaien 90° en volgen de rand van het veengebied naar het zuidwesten. We moeten echt opletten, dat we niet hier of daar tot onze knieën in de modderplassen wegzinken. Tot we tenslotte aan de linkerkant van het pad bij het begin van het wandelpad door de Fagne terechtkomenen ons begeven in het ven. Na enkele honderden meters wordt het pad wat smaller en nog even verder verandert het in een knuppelpad, daar de ondergrond waarschijnlijk toch wat té drassig aan het worden is. Rond twintig voor tien komen we dan aan op het hoogste punt van de (nieuwe) GR 5 in België (573 m). En niet alleen dat, maar het is zelfs het hoogste punt van de GR 5 tot de beklimming van de Donon (1008 m) in de Vogezen. Op dit kunstmatige platform hier midden in de venen, is een monument opgericht voor de bemanning van een Britse bommenwerper, die hier in april 1944 terecht gekomen is.

Over slingerende knuppelpaadjes begeven we ons door het ven naar het noordwesten richting uitkijktoren. Naar het noorden toe kunnen we nu en dan over het vlakke landschap heen de lagere plateaus over Spa heen in de richting van Theux en Verviers bemerken. Als we even later bij het indrukwekkende bouwsel toekomen, zien we dat het een vrij recente toren is. Men verwacht hier wel erg veel bezoek, want in de toren bevinden zich twee trappen : één om naar boven en één om naar beneden te komen. De flinke klim wordt tenslotte beloond met een indrukwekkend uitzicht : over de randen van het plateau van de Fagne de Malchamps heen, kunnen we in alle richtingen heen, maar vooral toch naar het noordelijk gedeelte, onbeperkt uitzien over de omgeving. Vanop de toren zien we nu ook de gebouwen van de ferme de la Bérinzenne, die gelegen zijn aan de andere kant van een enorm grasveld.

De Ferme de la Bérinzenne is een verzameling oude, gerestaureerde hoevegebouwen, waaarin onder andere een bosmuseum gevestigd is, en dat nu het centrum vormt van een recreatiepark. Het befaamde Musée de la Foret blijkt ook dicht te zijn, zodat we zijn verzameling opgezette vogels en zoogdieren, mineralen en planten, paddestoelen en werkinstrumenten voor houtbewerking een andere keer zullen moeten bezoeken. We gaan nu verder aan de rand van de Fagne en passeren even later enkele wandelpaden, namelijk de ‘Petite Vèquée’ en de ‘La Vèquée’. We laten de Fagne de Malchamps achter ons en gaan weer het bos in. Na nog een kaalgekapt stuk bos, weten we ons nog even omringd door hoge naaldbomen tot we wat verder uit het bos tevoorschijn komen, en nu en dan wat meer kunnen genieten van de uitzichten op de omgeving. Het neerdalen in de vallei verloopt, mits enkele slippartijen vrij voorspoedig en al snel komt het gehucht Andrimont in zicht. het dorpje bestaat uit enkele verspreid liggende hoeven, doorspekt met een recent bouwwerk. Onze afdaling is echter nog niet ten einde. Andrimont ligt slechts halfweg de valleiwand van de Roannai, en even later duiken we daarop weer een mooie holle weg in. Regelmatig wordt met de armen wild in het rond gezwaaid als er weer iemand van ons wanhopig zijn evenwicht aan het herzoeken is.

Na een goede 250 m dalen komen we in het gehuchtje Ruy toe. We steken via een brug de Ruisseau du Bourgeois over en verlaten weer onmiddellijk het asfalt als we tussen enkele huizen door verder naar het zuiden lopen. We steken de Roannai zelf over via een smal betonnen brugje. Ietsje terug zien we dat zich een klein watervalletje in hetzelfde riviertje stort. Door de overvloedige regen van de laatste weken-maanden kunnen we niet meer van een beekje spreken. We duiken weer de modderige holle wegeltjes in, en winnen snel hoogte. We komen weer door grote stukken kaalgekapt woud, met als gevolg dat de bospaden weerom onherkenbaar omgeploegd zijn door het zware materiaal. Enkele honderden meters verder heeft men zelfs geprobeerd om de GR 5 helemaal om te ploegen. Als we uit het bos komen, bevinden we ons bijna op het hoogste punt van deze heuvelrug : de Fagne de Bellaire. Hoewel we hier wat minder begroeiing vinden, is het er toch niet zo drassig als in een echt veengebied, maar voor ons moet het niet echt drassig meer zijn; we willen onze voeten liefst nog een tijdje droog houden. Door het ontbreken van zichtbeperkende begroeiing, krijgen we nu plots een mooi panorama naar het zuiden recht over de vallei van de Amblève. Nadat we zonder ongelukken beneden aanbeland zijn, komen we terug op een boswegeltje terecht, dat ons even verder langs de ‘Pierre du Diable’ laat komen. Iets verder zien we nog een pracht van een kapel in de diepte van de vallei naast ons liggen.

Na nog enkele kruispunten komen we uiteindelijk terecht op de Place Saint-Remacle in het centrum van Stavelot. We lopen voorbij de oude 16e en 17e eeuwse huizen, en passeren het ‘perron’, symbool van de onafhankelijkheid van de stad. Aan de andere kant aan de Rue de Châtelet, vinden we een café met zicht op de voormalige abdij. De voorgenomen halte van een half uurtje is deels door de stortbui wat uitgelopen. We gaan eerst nog even langs de oude abdij . Er zijn nu verschillende musea in ondergebracht, alsook het tegenwoordige stadhuis. Als we er voorbij gaan, laat de waalse haan op de vlag boven de ingang zich even zien. We steken de brug over te steken en linksaf de GR 5-sporen te vervolgen richting Logbiermé. Deze brug heeft in het laatste Duitse offensief in de Ardennen in 1944 nog een belangrijke rol gespeeld. Langs hier kon de Duitse tankcommandant Peiper (1e SS Panzer Div.) op 18 december een doorgang forceren, die hem tenslotte tot in La Gleize en Stoumont bracht. Diezelfde dag ‘s avonds nog werd dezelfde brug heroverd door de Amerikanen en werd Peiper zo afgesneden van zijn achterhoede en omsingeld tot hij tenslotte in de nacht van 24 op 25 december met enkele van zijn manschappen en geen enkele tank meer terug naar zijn eigen linies kon ontsnappen.

Iets voorbij de brug staat een monumentje ter ere van enkele Amerikanen, die hier het leven gelaten hebben. Na een paar honderd meter modderige, holle weg door een bos komen we uit bij een alleenstaande hoeve (‘la Bergerie’). Wat later komen we uit de bossen tevoorschijn en via een verharde weg dalen we langzaam af naar Logbiermé. Weerom blijkt het gehuchtje uit niet meer dan enkele huizen te bestaan rond een driehoekig pleintje. We duiken terug de naaldbossen in en wandelen rustigaan verder. De bospaden blinken nog van de nattigheid en er hangt hier en daar nog een waas van vochtigheid tussen de bomen, maar voorlopig vallen er geen druppels meer uit de lucht. Het wordt op het einde van deze dag nog een kalme wandeling door de geurige Ardense bossen naar ons einddoel. Een dikke kilometer nadat we Logbiermé achter ons gelaten hebben, overschrijden we de onzichtbare lijn, die ons van de provincie Luik in de provincie Luxemburg brengt. Het eerste teken van bewoning dat we er tegenkomen is de gerestaureerde hoeve van Mont-le-Soie. Het ligt op een open plek in het onmetelijke Bois de l’ Hospice, dicht bij de oorsprong van een beekje met dezelfde naam. Om 17u komen we tenslotte uit bij een kruispunt van 6 boswegen, waarnaast een enorme oude eik staat. Het is een vrij knoestig heerschap, dat hier waarschijnlijk al enkele honderden jaren staat. De plaats heet dan ook zeer toepasselijk ‘Rond Chêne’.We duiken een wat steilere holle weg in, die ons voorbij een kapelletje brengt, toegewijd aan O.L.Vrouw van Zeven Smarten (voor de geïnteresseerden : alle zeven smarten staan erop genoteerd, in het frans weliswaar). En dan zien we het ultieme bewijs van het nakende einde van onze meer dan 30 km lange voettocht : de torenspits van de kerk van Vielsalm.

 

 

18. Vielsalm - Ouren (36,7 km) : 21 Juni 1998

 

We hebben vooreerst een flinke klim voor de boeg : 170 m moeten we deze eerste keer stijgen. Maar we zijn nog maar net begonnen, zodat het vlotjes omhoog gaat. Aan de overkant van de vallei van de ruisseau Hermamont, kunnen we aan de noordelijke einder al de bossen van Lemaire onderscheiden. We laten het dorpje Neuville links van ons liggen, en bereiken even later de steengroeven, waar vroeger leisteen en de befaamde ‘coticule’ of slijpsteen gedolven werd, waarvoor deze streek (vroeger) zo bekend was. In het nabijgelegen Salmchateau is er zelfs een ‘Musée du Coticule’. De weg is ondertussen al wat minder verhard geworden, en even verder bevinden we ons op onze geliefde zandwegen. Tussen de struiken en eiken door zien we nog voor een laatste maal om naar Vielsalm, en dan gaat het resoluut verder, richting Commanster. We hebben wat later ook het (voorlopig) hoogste punt bereikt, en de zwaarste klim van dag ligt achter ons. We dalen af in de vallei van de ruisseau de Bêche en steken iets verder via een wad de hier vrij ondiepe beek over.

In plaats van zuid- gaat onze tocht echter voorlopig nog pal oostwaarts en na een tweede wad (deze maal over de ruisseau des Fagnes) duiken we weer de bossen in. Naaldwoud wisselt af met loofwoud en nadat het bospad zich even vernauwd heeft tot een smal paadje,bemerken we de eerste tekenen van bewoning van Commanster. Commanster ligt midden tussen weilanden, zodat we wel even moeten wandelen voor we ons weer in de schaduwrijke omgeving van het dichtstbijzijnde bos bevinden. Als we even buiten het dorpje onderaan in een valleitje bij een brug een manege passeren, sluit een zevende individu zich aan bij onze groep. Een nog jonge boxer blijkt sympathie opgevat te hebben voor deze groep wandelaars, en heeft besloten ons te volgen. Zelfs als we even later aan de rand van het bos de provinciegrens overschrijden, blijft het rustige dier ons volgen, ondanks verscheidene (verbale) pogingen om hem terug te laten keren.

Als we wat later bij een hut komen (‘Jagdhaus’ staat op de stafkaart), blijkt onze nieuwe gezel zich toch bedacht te hebben, en teruggekeerd te zijn naar zijn baasje. Aan de zijkant van de hut plakt een kaart met alle wandelwegen hier in de omgeving. We blijven een slingerende asfaltweg volgen en die brengt ons wat later bij een onnatuurlijke heuvelrug die het landschap in een practisch rechte lijn doorkruist. Het blijkt een oude spoorwegberm te zijn, die hier het landchap in tweeën snijdt, terwijl de sporen zelf, die vroeger St. Vith met Vielsalm verbonden, al lang verdwenen zijn. Achter de berm passeren we een hoeve en dan zien we in de volgende vallei de eerste huizen van het eerste duitstalige dorpje liggen, dat we op onze Ardennentocht tegenkomen : Braunlauf. Bij het binnenkomen van het dorpje dwarsen we via een brugje het gelijknamige riviertje. Het is ons natuurlijk niet opgevallen, maar we zijn ondertussen ook nog de waterscheidingslijn overgestoken : we zijn hier niet meer in het stroomgebied van de Maas, maar in die van de Rijn. Terwijl het kleine beekje dat door Commanster stroomt zich via de Salm en de Amblève naar de Maas begeeft, stroomt de Braunlauf daarentegen via de Our naar de Sûre en zo verder naar de Moezel, die zich op zijn beurt in Koblenz bij de Rijn voegt.We steken de verkeersweg St. Vith-Clervaux over richting Burg-Reuland en volgen de roodwitte bewegwijzering verder door de schaarser wordende bebouwing. We maken een grote bocht naar het zuiden en over de vallei van de Ulf heen wordt het landschap naar het zuiden heen steeds weidser. Tot we uiteindelijk via een holle weg in een scherpe bocht bij het hotel-restaurant Hof Burg-Reuland uitkomen. We volgen onze bewegwijzering verder naar het dorp , als bij het volgende kruispunt van rechts een andere GR de onze vervoegt. Het is de GR 56, die tussen Malmédy en Reuland een grote cirkel maakt doorheen de Oostkantons. De GR is plots verdwenen, maar in zijn plaats zien we een pracht van een caféetje met een terras onder enkele lommerrijke bomen. Daar is gewoon niet aan te weerstaan : allen daarheen ! Maar door op het einde de roodwitte streepjes te missen, zijn we niet langs de trots van dit duitssprekende dorpje gekomen : de burchtruïne van Burg-Reuland zelf !

We verlaten Burg-Reuland en stappen onder een poortgebouw door (als de streepjes er niet gestaan hadden, zou ik nooit gedacht hebben dat de GR 5 hierdoor ging). We zijn al flink aan het klimmen. Door de takken hebben we een mooi zicht op de burcht van Reuland. We draaien een weg in, die even verder een smal paadje wordt, dat ons doorheen een weelde van bloemen doet afdalen naar de Federbach. We blijven nu de vallei van de Federbach zelf volgen. Het is ondertussen immers al na 18u00 en we hebben toch nog een 6 kilometers te gaan, dus nog een flink uur ! Over hobbelige bospaden gaat het door het woud , en even verder ook langs weilanden de hoogte in. De weg volgt hier over een 200 m de grens tussen de beide Beneluxlanden. We dalen nu van de heuvelrug af in de vallei van de Schiebach. Langs enkele indrukwekkende rotsformaties bereiken we dan de hoofdweg van Reuland naar Ouren bij een plaats, de “Rittersprung” genaamd en komen enkele minuten later, nadat we een Mariagrot gepasseerd zijn, bij het kapelletje van Peterskirche uit. Een klimmende paadje voert ons langs de verschillende staties tot op de rots boven de “Rittersprung” zelf. Tussen de bladeren door strekt de slingerende vallei van de Our zich voor onze voeten uit naar het noorden. We dalen nu voor de laatste maal af naar ons einddoel. Op de brug over de hier vrij brede Our, stoppen we nog even om in het voorbijstromende water te staren en de vermoeide voeten kunnen even genieten van het frisse water van het beekje dat hier naar de Our stroomt.