GR 5 : De Vogezen

 

40. (Schirmeck -) Struthof - Le Hohwald (20 km): 24 Juli 1997

 

 

Inderdaad, hier klopt iets niet : Struthof is Schirmeck niet. We hebben vandaag enkele kilometers gepikt. We willen vandaag voor we de GR 5 aanvatten eerst nog een uitgebreid bezoek brengen aan het ex-concentratiekamp Struthof, of Natzwiller, naar het dorp dat onder in de vallei ligt. Op deze manier komen we vandaag niet té laat aan op ons eindpunt. We arriveren rond 10u op de parking van Struthof voor het bezoek aan het kamp. Struthof is de naam van de plaats waar het kamp werd geïnstalleerd. Het werd en wordt ook genoemd naar het dorpje Natzwiller - of ‘Natzweiler’ in het Duits - dat in de vallei van de Rothaine ligt onder aan de berg. Het werd in september 1940 in het door de Duitsers geannexeerde deel van de Elzas opgericht , niet ver van een steengroeve. Ik bespaar jullie verder de minder leuke details over dit kamp (voor meer informatie over het kamp klik hier) en pik de draad weer als we na een uurtje het kamp verlaten en onze tocht langs de GR5 verder zetten.

Van de parking komen we via een trap op de verkeersweg die we even langs een zandgroeve volgen naar waar zich nog een gedenkteken bevindt voor enkele gefusilleerde gevangenen. Dan dalen we even een paar meter af om langs de weg een bospad te volgen. We trekken het bos terug in en nu wordt het een lange, gestage stijging naar het Champ du Messin. In het bos is de middaghitte echter goed te verdragen.De GR 5 doet ons nog even naast de weg verder gaan, alwaar wij vooreerst een mooi bakstenen gebouwtje passeren, dat een niet zo mooie fontein herbergt, en waar wij ook de 1.000 m - hoogtegrens overschrijden. Enkele honderden meters verder verlaten we even de weg om verder langs de flank van de Rossberg te gaan. We passeren de Col du Katzmatt en gaan verder door kniehoge begroeiing . Het zicht is hier prachtig : naar het westen kunnen we overheen de vallei van de Rothaine recht naar de heuvels kijken aan de andere kant van de Bruche-vallei. Wat verder belanden we tussen wat hoger struikgewas, en voor het eerst, maar zeker niet voor het laatst deze week, zien we dat we in de periode van de rijpe bosbessen hier beland zijn. Al plukkend zoeken we onze weg doorheen de steeds dichter op elkaar staande bomen.

We veronderstelden dat de Rocher de Rathsamhausen een knoert van een rotspunt zou zijn, die ons een comfortabele zitplaats en tegelijk een prachtig zicht zou bieden op de omliggende omgeving. We worden wel even teleurgesteld : de rots zelf ligt verborgen tussen het geboomte, en als we een eetplaats zoeken, blijkt de steenmassa erg steil en de bomen die het omringen erg hoog te zijn. Dus, geen uitzichtpunt en een eerder ongemakkelijke eetplaats.Na de picknick doet onze wandelweg ons tot onze spijt nog even dalen naar een open plek, la Vieille Métairie genaamd, waar de GR 531 ons vervoegt. Het is één van de vele GR-paden die de Vogezen doorkruisen, en die we nog regelmatig op onze weg zullen tegenkomen. We maken even een omweggetje naar de uitkijktoren van de Club Vosgien op de top van de Champ de Feu. De toren werd gebouwd in 1898 om de 25e verjaardag van de stichting van de Club Vosgien te herdenken. Ze staat hier op een hoogte van 1.099 m en op de top staan we dus meer dan 1.100 m boven de zeespiegel, een kleine 100 meter hoger dan de Donon, ons hoogste punt tot dan toe. Dat record zal deze week echter niet lang blijven bestaan ! Het panorama bovenop is natuurlijk prachtig : een oriëntatietafel, die op de balustrade de gehele toren mee omringt, laat onze ogen de herkenbare punten zoeken : de Donon, de vlakte van de Elzas, het Zwarte Woud, le Haut-Koenigsbourg, de Ungersberg en ik denk in het verre zuiden zelfs de Grand Ballon gezien te hebben.

We draaien terug dezelfde richting het Forêt Domaniale du Hohwald Zundelkopf in (wie gelooft dat we hier in Frankrijk zijn) en nemen een pad enkele tientallen meters zuidelijker. Deze keer gaat het echter iets vlugger : het gaat namelijk bergaf. Na een kwartiertje passeren we de bron van de Andlau, een natte plek langs ons wandelpad. Om 16u30 begint de Andlau, die ondertussen al samengevloeid is met enkele zijbeekjes, toch al zo groot te worden dat ze van zich laat horen tussen het geboomte. Plots is ze daar : la cascade. We hadden niet echt iets indrukwekkends verwacht, maar deze mag er toch zijn. In een tweetal sprongen stort ze zich een tiental meter naar beneden, en het lawaai dat ze produceert is niettemin indrukwekkend. Dan gaat het verder bergaf naar ons einddoel : le Hohwald. We hebben hier een mooi uitzicht over het dalletje, waar le Hohwald in is gelegen. Het is echt een kleine open oase, omringd door een immens grote, groene bomenzee. De echte hoogtijdagen van het plaatsje zijn echter wel achter de rug, maar gelukkig heeft het zijn landelijk kararkter niet helemaal verloren. We dalen wat later verder af naar het dorp en vinden onze auto terug op de parking bij de kerk.

 

 

 

41. Le Hohwald - Andlau (25km) : 25 Juli 1997

 

 

Het wordt vandaag een flinke wandeldag : ongeveer 25 km is een flinke trip, zeker in golvend terrein zoals de Vogezen. Als we van de parking de bossen intrekken, betrekt de lucht en even later is het zover : de regen begint eerst voorzichtig, daarna uitbundiger uit de lucht te vallen. Het eerste deel van onze wandeling vandaag gaat ons een 200-tal meter hoger brengen, en dat voelen we ook. Als we wat hoger op de berg echter de Luttenbaechel oversteken, wordt het plots wat moeilijker. Er is hier door de boswerkers weer heel wat hout verwijderd, en men heeft het blijkbaar met vrij zwaar materiaal gewerkt, want niet alleen zijn de roodwitte strepen verdwenen, maar de bospaden zelf zijn tot modderpaden omgevormd. Stilaan wordt onze regenkledij toch doordrenkt met de regen.

Bij de plaats ‘la Breitmatt’ genoemd, gekomen, steken we de D 426 over en gaan langs de zuidelijke flank van de Kienberg verder. We steken een kruispunt over en volgen langs de D 526 een voetpad richting Mont Ste Odile. Al gauw stuiten we op resten van de zogenaamde ‘Mur Païen’. Het is één van de grootste archeologische raadsels van Europa. De muur is een 12-tal kilometers lang en loopt ongeveer rond de Mont Ste Odile. De meeste experten menen dat ze van keltische oorsprong is, dus van de 2e eeuw v.C., en dat het deel uitmaakt van de omwalling van een versterkt kamp. Ze is gemiddeld 1,70 m dik en soms wel 3 m hoog. We komen tenslotte bij de Chapelle des Roches komen : zoals het woord zegt : een kapel in de rotsen. Vanaf deze kapel volgen we een indrukwekkende kruisweg in de rotsen tot aan een grote trap die ons tot bij de ingang van het eigenlijke klooster brengt. Hier zijn we dan bij het klooster van le Mont Sainte Odile, één van de meest bezochte plaatsen van de Elzas. Gelegen op een hoogte van 764 m op een vooruitspringende rots, domineert het op deze plaats de Elzasser vlakte.

We bezoeken het immense gebouwencomplex met kapellen en gebouwen, gescheiden door mooie binnenplaatsen, en komen tenslotte uit op het grote terras, waar we uiteindelijk wilden geraken. Tot ons geluk is het al een tijdje geleden opgehouden met regenen en voor onze ogen ontrold daar een prachtig panorama van de vlakte van de Elzas. In het restaurant van het klooster vinden we net wat we nodig hebben voor onze picknick: een droge plaats, drank en enkele tafels om ons eens makkelijk aan te zetten. We verlaten om 14u het klooster. We hebben even moeite om ter hoogte van de Chapelle des Roches de goede weg terug te vinden. Het is hier echt een wirwar van wandelwegen, en we moeten toch onze enige, eigen GR 5 terugvinden zeker ? We moeten hier recht over een hoogte, la Bloss genaamd naar het zuidwesten gaan, en er zijn verschillende wegen om daar te geraken. Na wat zoeken echter vinden we de juiste weg. Het gaat nog wat bergop, maar na een kwartiertje overschrijden we toch het hoogste punt van dit massief (826 m) en bereiken na nog een kwartiertje de Rocher du Maennelstein. Tussen het groen zien we ons volgend doel : de ruïnes van het Château de Landsberg.

We passeren terwijl we stilaan dalen nog verscheidene malen delen van de ‘Mur Païen’, en ook enkele rotsformaties. Zo komen we voorbij de Rocher de Schaftstein en de Rocher de Wachstein (760 m). Na nog enkele tientallen meters verder afgedaald te zijn, komen we bij de enorme ‘Kiosque Jadelot’ uit. De ronde hut bevindt zich in het midden van het wandelpad. Men kan er langs de ene kant binnen en langs de andere kant buiten. De voorkant steekt echt een stuk uit boven de helling, en biedt weer een prachtig zicht op de weidse omgeving : het dal van de beek la Kirneck, en de bossen en wijngaarden van de hellingen rond Barr.Tenslotte komen we bij een open plek naast een woning - de oude herberg van Landsberg - bij de splitsing naar de ruïne uit. We brengen een blitzbezoek aan het kasteel.

We hervatten wat later onze afdaling verder en komen na een kwartiertje bij ons volgende uitkijkpunt uit; en natuurlijk bevindt zich daar weer een abri, deze keer ‘Petit Kiosque’ of ook ‘Kiosque Hartmann’ genaamd. Nadat we onze eerste wijnvelden gepasseerd hebben, draaien we echter al snel weer het bos in. Na nog geen kwartier lopen we voorbij onze volgende kiosk, de ‘Kiosque Gutleutrain’ en iets verder het Monument Eduard Hering. Hier blijken op een open plek enkele stenen obelisken te staan, met in het midden een groter exemplaar, met een beeltenis van een achtenswaardige ‘burger-met-bakkebaarden’ erop en eronder een tekst ‘Eduard Hering 1814 - 1893’. We kunnen wij het niet laten om een fles wijn soldaat te maken. We brengen enkele toosten uit op onze goede vriend Eduard en slaan iets later de weg in naar Barr.

Via een heel pittoresk paadje dalen we nu tussen de wijngaarden langzaam af naar Barr. Het kan echt niet mooier : het stadje ligt in een diepte voor ons en de hellingen rondom zijn bijna voor 100 % bedekt met wijnvelden. We stappen het stadje door en aan de zuidkant verlaten we weer het plaatsje en moeten al snel weer bergop om de laatste 4 kilometers naar Andlau af te leggen. Voor het plaatsje Mittelbergheim - waar we opmerken dat er morgen de plaatselijke ‘Fêtes’ plaatsvinden, moeten we rechtsaf langs een kleine asfaltbaan, die ons tenslotte om 18u10 bij Andlau brengt, een eveneens erg pittoresk gelegen stadje. Omdat we er toch een goede tijd over gedaan hebben, voelen we ons toch verplicht om op het terras van het plaatselijk restaurant nog een glaasje wijn te nuttigen.

 

 

42. Andlau - Châtenois (30km) : 26 Juli 1997

 

Vandaag zou het een zware dag worden, dat wisten we op voorhand : een 30-tal kilometer ongeveer, en een steile bergop gedurende de voormiddag al. Het weer zit ons vandaag weer mee : de zon schijnt ons al hevig toe vanuit een blauwe hemel.De beklimming van de Ungersberg : van 224 tot 901 m; dat is 677 m naar omhoog, bijna zo hoog als van zeehoogte naar het hoogste punt van België, en dat op enkele uren tijd ! Buiten een tweetal jonge paddestoelplukkers komen we niemand tegen op onze lange rechte weg naar de top. De laatste kilometer echter voor onze stop, namelijk bij het Gruckert boswachtershuis, is vrij steil. Het gaat slechts langzaam en een halte onderweg is nodig voor we tenslotte arriveren bij het voornoemde huis. We zitten al op 580 m hoogte, dat is al meer dan de helft van de klim vandaag. Het Maison Foréstière de Gruckert is een refuge, dat gerund wordt door ‘Les Amis de la Nature’. We zetten ons neer in de schaduw van een bijhuis. Vijf minuutjes later vertrekken we weer richting Ungersberg.

De weg stijgt nog steeds, maar iets minder dan het laatste stuk voor Gruckert. Ondanks alles staan we toch allemaal om 13u30 op de top van de Ungersberg (901 m). Tijd om te genieten van weerom een overdonderend panorama. We bestijgen de simpele uitkijktoren, die boven op de top staat, en bewonderen het grandioze landschap rondom ons. Vooral naar het noorden en het westen lijkt het landschap zich schier oneindig ver uit te strekken. Grote vlaktes, heuvelrij na heuvelrij, bedekt met groene, golvende bossen, waar hier en daar een kasteelruïne zijn afgebrokkelde roze muren en torens bovenuit steekt.De namiddag is al flink gevorderd en we zien dat onze picknickplaats bij het Teufelsloch nog een heel eind weg is. Op één van de richtingswijzers op de top stond ook nog vermeld , dat we van hier af nog 4u45 nodig hebben om Châtenois te bereiken. Dit betekent dat we ten vroegste om 18u30 in Châtenois kunnen aankomen, en dan hebben we onze middagpicknick nog niet meegerekend ! De afdaling lijkt echter wel eindeloos : kilometer na kilometer rijgen zich aaneen, en we steken bospad na bospad over, dan gaat het weer zigzag, dan zijn er weer lange, rechte stukken. Het is al 15u30 als we het Teufelsloch bereiken en we hebben ondertussen al flink wat honger gekregen.

Na een drie kwartiertjes pakken we onze zaken in en zetten er flink de pas in! En het gaat verbazend goed vooruit. Voor we het goed en wel beseffen zijn we al op de Schulwaldplatz gearriveerd. Na enkele minuten klimmen, bereiken we het Carrefour Kaesmarkt. Dit kruispunt werd ‘kaasmarkt’ genoemd, omdat in de 14e eeuw, omwille van een pestepidemie, de inwoners van de vallei hier overdag hun kaas kwamen deponeren. De inwoners van Dambach kwamen ze dan tijdens de nacht ophalen om besmetting te voorkomen.Van hieruit is het nog slechts een 10-tal minuten wandelen voor we tenslotte om 17u00 bij de eerste van onze drie kasteelruïnes van de dag uitkomen : het Château ruïné de Bernstein. Het is een in de 12e - 13e eeuw gebouwde versterking, die - zoals zovele kastelen hier in de buurt - tijdens de Dertigjarige Oorlog belegerd en verwoest werd. We dalen weer af langs de metalen ladder in het donkere toren, en slaan weer de weg zuidwaarts in. De dag is al flink gevorderd, maar het is nog steeds een heerlijk wandelweer. De GR 5 slingert zich verder door het Forêt de Scherwiller langs le Rittersberg tot we iets voor 18u00 bij het Château Ruïné de l’Ortenbourg uitkomen. Tussen ons en het kasteel bevindt zich een flinke afgrond, en aan de andere kant verheft zich het 13e eeuwse kasteel, met zijn 17 meter hoge witgranieten muren en zijn 34 meter hoge toren. En alsof dat nog niet genoeg is, kunnen we ernaast nog profiteren van een prachtig panorama over Châtenois, de wijnvelden er rondom, de heuvels ernaast en de weidse vlakte van de Elzas erachter.

We beginnen de laatste afdaling naar de vallei van le Giessen, waarin ons einddoel Châtenois gelegen is. Na enkele minuten passeren we de ruïne van Ramstein, nietig in vergelijking met zijn grote broer Ortenbourg. Langs een breed bospad zigzaggen we verder naar beneden, tot bij de plaats Huehnelmuehle. Via een rond punt bereiken we om 18u45 Châtenois, waar we ons nog tegoed doen aan een flinke, frisse pint in het café ‘A la Vignette’. In het nabije Mittelbergheim zijn op dit moment de Fêtes du Vin aan de gang (laatste weekend van juli), en die moeten we toch even met onze aanwezigheid vereren, zeker ! Mittelbergheim wordt beschouwd als één van de 100 mooiste dorpjes van Frankrijk. Het is gesitueerd op een heuvel tussen zijn wijnvelden. En het is daar in ieder geval een drukke bedoening. De tartes flambées en de wijn(en) worden er royaal geserveerd, maar niet voor niets.

 

 

43. Châtenois - Ribeauvillé (20km) : 27 Juli 1997

 

We vertrekken langs de drukke verkeersweg (de N 59) richting Lièpvre. Aan de andere kant van de vallei van le Giessen, zien we de beide ruïnes, die we gisteren nog van zo dichtbij bewonderd hebben, in de eerste zonnestralen hun verbrokkelde muren boven de groene bomenmassa ‘s uitsteken. We beginnen met een stevige klim de flank van de Hahnenberg op, een mooie heuvel, die als prachtige achtergrond dient voor het nog slaperige stadje. Bij een mooi uitkijkpunt met de onvermijdelijke kiosk op de achtergrond, gunt de GR ons nog een laatste blik op de kasteelruïnes van Ortenbourg en Ramstein, om dan voorgoed naar het zuiden te draaien. Stilletjesaan stijgend blijven we zo rond de berg stappen, en krijgen zo nu en dan in de verte vluchtig le Haut-Koenigsbourg te zien. Zelfs op die grote afstand ligt het er indrukwekkend bij op zijn machtige heuvel.

We passeren een vrij nieuwe abri en even later sluit een metershoge omheining aan de linkerkant van het pad, dit deel van het bos op een effectieve manier van ons af. Dit is dus de afsluiting van ‘le Montagne des Singes’. Binnenin deze barrière leven een honderdtal apen, die sinds 1969 ingevoerd worden uit het Atlasgebergte in Noord-Afrika. We nemen bij een prachtige wandelwegwijzer nog een foto en trekken verder richting le Haut-Koenigsbourg. Voor we het goed en wel beseffen zijn we al op het kruispunt ‘Kreuzweg’, waar onze finale klim tenslotte begint. Recht boven ons doemt nu het indrukwekkende kasteel op op zijn heuveltop. Het wordt ook direct heel wat steiler. Het is nog een vrij steile klim van meer dan 200 m, zodus we gaan er niet direct té fel tegenaan.

Tenslotte komen we om 12u30 boven uit op een terrasje en moet ik het nog zeggen : het uitzicht is weer ‘incredibile’. Het is niet moeilijk te verstaan , waarom de middeleeuwse kasteelheren deze plaats uitkozen voor een versterking. Het lijkt hier wel of we op de top van de wereld staan. Heel de Elzas lijkt wel aan onze voeten te liggen. Vooral naar het oosten is het zicht impressionant : op de vlakte van de Elzas, de Kaiserstuhl en iets daarachter het Zwarte Woud. Ook naar het noorden en het zuiden zijn de zichten mooi. Als we langs het eerste deel van le Haut-Koenigsbourg komen, merken we een pijltje dat ons binnenin de voorplaats van het kasteel brengt, en waar zich een pracht van een patio bevindt waar we op ons gemak onze casse-croute kunnen verorberen. Rond 13u30 kunnen we aan het eigenlijke bezoek van dit enige gerestaureerde kasteel van de Elzas beginnen. Le Haut-Koenigsbourg is doorheen heel zijn geschiedenis verbonden geweest met beroemde namen.

Om 14u45 laten we het prachtige kasteel achter ons liggen en richten onze stappen bergafwaarts naar het zuidwesten. Van uit de raampjes van de zuidelijke toren van het grote bastion hebben we ons volgende doel in de verte al kunnen zien liggen. Bij een nette picknickplaats met een ‘eau potable’ bron en een pracht van een boomkapelletje, komen we tenslotte uit aan de rand van Thannenkirch. Als we wat verder gaan krijgen we een prachtig zicht op het hele dorp. We bereiken de hoofdstraat en gegeven ons richting kerk, tot de auberge ‘la Meunière’ met zijn ‘terras panoramique’. Het terras heeft nog altijd dat prachtige uitzicht richting westen, en we zien nog steeds de daken van het kasteel , dat we net een uurtje geleden hebben verlaten.

Het is vandaag namelijk onze kastelendag : 4 exemplaren zouden we vandaag voorgeschoteld krijgen, waarvan we er nog maar één gedaan hebben. We komen na een half uur bij de Carrefour des Quatre Chênes uit. Hier verwijst de GR 5-signalisatie ons naar Ribeauvillé, maar wij verkiezen hier toch om de variante te nemen, daar wij het uitzicht vanop de ruïne van Haut-Ribeaupierre (ook Altenkastel genaamd) niet willen missen. Het betreden blijkt volgens een plakkaat op eigen risico te moeten gebeuren, wat we dan ook prompt doen. De ruïne wordt gedomineerd door een pracht van een toren (donjon) met kantelen. Via een ijzeren trap begeven we ons naar binnen en naar omhoog. Als we op het topplatform uitkomen is ons inderdaad niets te veel beloofd : rondom ons rijzen omhoog de toppen van het Taennchel-massief, le Haut-Koenigsbourg in het noorden, Ribeauvillé en de vlakte van de Elzas in het zuidwesten en aan de einder nogmaals het Zwarte Woud.

De afdaling gaat verder naar de volgende ruïne : le château de St Ulrich of Grand-Ribeaupierre. Het is van de drie het best bewaarde exemplaar. De oudste delen dateren van de 11e, de rest uit de 14e eeuw. Maar we beginnen stilaan onze buik vol te krijgen van ruïne-kastelen, en stellen ons tevreden met een blik vanaf de eerste binnenkoer op de stad en de wijnvelden aan onze voeten en de vlakte daarachter. Ook de ruïne van het derde kasteel, dat van Girsberg of Petit-Ribapierre (beginn 13e eeuw), is vanaf hier te zien, maar we komen toch niet meer in de verleiding om er helemaal naar toe te gaan : het is welletjes geweest. In plaats daarvan richten we onze schreden heuvelafwaarts, waar we na een steile afdaling tenslotte tussen de wijnvelden belanden. Ribeauvillé ligt aan onze voeten in de vallei van de Strengbach en daar bevindt zich ook ons hotel: "Le Cheval Blanc".

 

 

 

44. Ribeauvillé - Le Bonhomme (30km) : 28 Juli 1998

 

Een hele trip vandaag, zo'n 30km, en daarom verwacht ik ook niet dat we voor 18u op onze eindbestemming zullen zijn. Het weer belooft ook mee te werken : de zon schijnt op ons neer uit een blauwe hemel, doorspekt met enkele ongevaarlijke schapewolkjes, die nu en dan voor wat schaduw kunnen zorgen. Na een honderd meters draaien we rechtsaf en al gauw bevinden we ons weer in de vertrouwde bossen van deze heerlijke streek. We ronden de noordflank van de Muehlkopf terwijl we stilaan aan hoogte winnen. Reeds na 1u doemt het kruispunt van de Col de Seelacker (676 m) voor ons op; dat zijn al een 420 m die we geklommen hebben. Tussen de bomen door hadden we daarnet al enkele glimpen opgevangen van de ruïne van het kasteel Bilstein, of eigenlijk alleen van de toren die er van overgebleven is. De toren van Bilstein ligt even buiten de GR 5-route, maar we kunnen er niet aan weerstaan om er even een kijkje te gaan nemen. Het is immers voor lange tijd onze laatste kasteelruïne. Via een ijzeren trap klimmen we langs de buitenkant van de 12e eeuwse toren naar boven en als we daar rondom ons kijken worden we weer niet teleurgesteld in onze verwachtingen. Vlak voor ons doemt al het sinistere, donkere silhouette van de Koenigsstuhl op. Een flinke heuvel, die ons volgende doel van de dagwordt.

Na wat zigzagwerk komen we even later uit bij een zoveelste kruis. Het blijkt de plaats te markeren waar ‘der Johan Floderer den 1. Juni 1887 wird vom Blitz ertroffen’. Het zal je maar overkomen. Gelukkig staan wij hier nu een 110 jaren later, en van bliksem in de lucht is gelukkig niet te spreken. Integendeel, het is zoals verwacht een heerlijk wandelweertje geworden. Na een laatste groet aan Johan, draaien we ons om om aan de klim van de Koenigsstuhl (938 m) te beginnen. Binnen een mum van tijd zijn de dikke 160 m die ons nog van de top scheiden overbrugd. Maar waar is nu die koningsstoel. Want inderdaad, op deze top staat ergens een indrukwekkende zitplaats, een koning waardig. En ja hoor, na nog wat op hoogte verder gewandeld te zijn, doemt er voor ons in het bos een chaos van door elkaar gestrooide rotsblokken op. Op één ervan is nog in oudduits gothisch schrift genoteerd : “Koenigsstuhl 938 m über Meeresspiegel”. Eén van de bovenste rotsen ligt op zijn lange kant en is aan de bovenkant uitgehold. Daar we ons hier de koning te rijk voelen, nemen we all drie plaats op de ‘stoel’ als de Driekoningen.

We vervolgen onze weg via een heuvelkam naar het westen. Hier en daar is de begroeiing, waarschijnlijk door een storm of iets dergelijks, weggevaagd, zodat we een onbelemmerd uitzicht hebben op de weidse omgeving : we zien in de vallei Orbey in de verte liggen, en daarachter het onduidelijke silhouette van de Col du Bonhomme. Dan is het tijd om stilaan onze heuvel af te dalen richting Aubure. Doorheen het Forêt du Kalblin zakken we gestaag naar beneden. We krijgen er bijna spijt van dat we zoveel hoogtemeters moeten, prijsgeven.Juist voor het dorp is er even een verschil tussen de route op de stafkaart en de route ter plekke, maar rond 12u45 trekken we dan toch Aubure binnen. De atmosfeer is hier zo gezond dat er verscheidene sanatoria bestonden (nog uit de TBC-tijd), en in de buurt bevinden zich nu nog steeds enkele Centres Médicaux.We vinden een kleine, gezellige eetgelegenheid : l' auberge ‘les Sorbiers’ (= de lijsterbessen of lijsterbessenbomen). Het is voorzien van een klein terrasje, en dat is al wat we nodig hebben.Naast een biertje, blijkt het nog eveneens mogelijk om een warm soepje (vraag : wat voor soep ? antwoord : de la soupe verte !) te bestellen.

Na een 40-tal minuten begeven ons terug naar onze route naar de Col de Fréland. Die Col ligt op de waterscheiding van de valleien van de Strengbach en de Weiss rivier. Op de Col zelf staan nog enkele gedenkstenen ter nagedachtenis van deze of gene Franse held of heldhaftig bataljon uit de Eerste Wereldoorlog. Na nog maar een honderd meters in de nieuwe richting gestapt te hebben, komen we weer een uitzichtpunt tegen geplaatst in de Eerste Wereldoorlog als observatiepunt van de Duitsers, die zo het doen en laten van hun Franse tegenstrevers ter hoogte van le Bonhomme en de Tête des Faux in het oog konden houden. Al snel passeren we de 1.000 meter hoogtelijn en stevenen af op het kruispunt van de ‘Pierre des Trois Bans’(1.128 m). De steen zelf bevindt zich op het kruispunt van drie grenzen, namelijk die van de gemeenten Aubure, Fréland en Ste-Marie-aux-Mines. Vandaar de naam. De Petit en Grand Brézouard liggen hier zo vlak voor onze neus bijna voor het grijpen.Na een klimmetje van een 100 m staan we op de top van de Petit Brézouard (1.203 m). Om 15u50 komen we tenslotte op de top van le Grand Brézouard (1.229 m) uit. Tot onze opluchting is het een grote open plek met een eenzame grenssteen (tussen St. Marie-aux-Mines en Fréland) in het midden.

We hebben hier een kleine ceremonie voorzien. Op deze top namelijk zou zich ongeveer het halfwegpunt bevinden van onze GR 5 tocht van Hoek van Holland naar Nice. We hebben natuurlijk bijlange na de helft van de GR 5 nog niet gelopen, maar als goede Vlamingen nemen we elke gelegenheid te baat om eender wat te vieren, zeker als er wat drank bij komt kijken. Onze fles witte Elzasser wijn van vandaag moet er hier aan geloven. Na enkele toasts komt er plots iemand onze gezellig samenzijn verstoren. Een jonge kerel komt met zijn mountain-bike aan de hand de bergtop opgezwoegd. Het blijkt een Duitse jongeman uit Berlijn te zijn met wat nederlands bloed in de aderen. We bieden hem een glas wijn aan en babbelen wat over de vakantie. Na een 40 minuten wordt het tenslotte toch tijd om ons boeltje bijeen te pakken.

De GR 5 doet ons hier een scherpe bocht nemen en beginnen aan een vrij steile afdaling. Na nog even komen we uit de bossen op een open plek en weten we dat we hier even een détour moeten doen. Ja , we verlaten hier even de GR 5 om onze eerste auberge van de Vogezen aan te doen, le Haïcot. Het zicht vanaf onze zitplaats naar de vallei van de Lièpvrette onder ons en Ste. Marie-aux-Mines iets verder in het dal gelegen, met als omlijsting de golvende heuvelruggen van de Vogezen, is onbetaalbaar. De herberg is als het ware op en balkon gelegen. Na een kwartiertje stappen we, opgefrist door de koele drank en het mooie uitzicht, weer verder, vervoegen ons wandelpad en stappen verder richting Col des Bagenelles,die we na een voorspoedige afdaling bereiken om 18u00. Nu echter moeten we de laatste afdaling (van ongeveer 215 m) aanvatten naar het dorpje le Bonhomme. Na een dikke 8 uren wandelen en in totaal 1.355 m stijgen is het nu toch wel tijd om onze schoenen uit te trekken.

 

 

45. Le Bonhomme - Col de la Schlucht (20km) : 29 Juli1998

 

Om 10u15 vertrekken we naar ons eerste doel : de Tête des Faux. Vandaag zullen we voor het eerst sinds we in de Vogezen aanbeland zijn echte resten tegenkomen van de zware strijd die hier is gevoerd tijdens de Eerste Wereldoorlog. Ook het dorpje le Bonhomme zelf is niet alleen tijdens de Eerste (toen het practisch in de frontlinie lag), maar ook tijdens de Tweede Wereldoorlog (in 1940 én 44) het slachtoffer geweest van veel oorlogsgeweld. Als we het nu achterlaten is er gelukkig niets meer van te merken. Het kleine gehucht met zijn ranke torenspits straalt nu rust en vrede uit : dat het nog eeuwig moge duren. Wij zijn ondertussen al een flink stuk de berghelling op geklommen. Even later komen we uit bij de gîte de l’ Etang Devin. We komen een 100 meters verder voorbij de resten van een oud Duits kerkhof (WO I), dat rechts van ons in de bossen verborgen ligt. Een trapje, een inkompoortje, een muur en enkele grafzerken tonen ons nog waar de graven zich bevonden, maar het blijkt dat de stoffelijke resten reeds lang een andere, meer definitieve rustplaats gevonden hebben (het kerkhof van Lapoutroie, geloof ik).

Op 926 m hoogte komen we wat verder uit bij een kruispunt van boswegen bij het Etang du Devin. Naast het meer,of eigenlijk moet ik zeggen ex-meer, dat hier gevormd werd gedurende de ijstijd, bevinden zich nog resten van Duitse versterkingswerken uit 1914-18, zoals er hier in de bossen nog vele terug te vinden zijn. De plaatselijke bevolking heeft het streng-militaire aspect van het soortement bunker wat willen afzwakken door er enkele emailwerken op te hangen en is daar nog aardig in geslaagd ook ! Het meertje zelf is meer een moeras tegenwoordig, en het is tot ‘zone protégée’ verheven. We trekken nu naast het ven rechtstreeks de wand van de Tête des Faux in. Even later staan we op de Roche des Corbeaux (1.130 m). Dit was tijdens de oorlog een duitse observatiepost. Over een kam trekken we nu verder naar de top van de Tête des Faux. Onderweg komen we nogmaals resten van versterkingen tegen : kleine, donkere holen gemaakt van plaatselijke stenen en cement, maar wel zo stevig dat ze na 83 jaar er nog steeds staan. Om 11u30 zetten we onze eerste stappen op de top bij de eerste oriëntatietafel : het gezichtsveld strekt zich hier uit naar het oosten, de richting van waaruit we gisteren kwamen.Op de top zelf (1.220 m) staat een groot kruis , ter nagedachtenis aan de vele slachtoffers, die tijdens die oorlog voor hun vaderland gevallen zijn.

Het wordt weer tijd om onze rode rechthoekjes te volgen. Het is ondertussen al 12u geworden en over een half uur worden we verwacht aan de Col de Calvaire. Hier passeren we ergens de oude frontlijn van 14-18. Na 10 minuutjes dalen komen we bij een volgend kruispunt uit. Het is genoemd naar het cimetière Duchesne, dat zich hier bevind. We blijven nu op dezelfde hoogte langs de basis van de toppen van de beide Têtes des Immerlins lopen. We passeren nog het Tinfronce refuge en komen even later om 12u30 uit op de Col du Calvaire (1.144 m). De Col is niet alleen een belangrijk verkeerskruispunt, maar ook een GR-wandelpadkruispunt : zowel de GR 531 als 532 vervoegen en kruisen hier de GR 5, om even verser weer hun eigen weg te gaan. We dalen eerst de D 48 even af richting Orbey, maar na een honderd meters verlaten gelukkig het asfalt om al redelijk snel te gaan stijgen. We bereiken de kam van de Route des Crêtes na een kwartiertje klimmen boven het Lac Blanc, dat we nu en dan even hebben zien glinsteren tussen de bomen. Een 120 meter onder dit meer ligt een tweede, kleiner exemplaar : het Lac Noir. Hier bevinden we ons ook op de oude grenslijn van Frankrijk en Duitsland (1871 - 1918). We zullen vandaag nog menige grenssteen zien langs de crête, die die oude grens nog aangeven met een F aan de ene zijde en een D aan de andere. Spijtig genoeg zien we hier niet veel van het mooie Lac Blanc onder ons, want de GR 5 leidt ons recht naar de crête en even later komen we uit het bos en zien we voor ons ‘les hautes chaumes’ of de hoge akkers/velden.

We volgen het brede wandelpad, dat soms zelfs via enkele moerassige stukjes erg drassig wordt, verder naar het zuiden en komen om 13u45 op het Gazon du Faing uit, op 1.302 m het hoogste punt van de dag, én van de week . Op het Soultzeren Eck (andere naam voor de top van de Gazon du Faing) aangekomen zoeken we even in het rond naar een goede picknickplaats, want hier willen we ons wel even in het zonnetje zetten. Als we onze spullen terug bij elkaar geraapt hebben, is het weer tijd om de Crête des Vosges verder te ontdekken. We volgen de GR boven langs de rotswand en komen even verder uit bij de oriëntatietafel dicht bij de Taubenklangfelsen. We gaan nu verder zuidwestwaarts langs de oude grensstenen over de weiden van de Gazon de Faîte naar het Dreieck (1.228 m). De bossen waarin we ons nu bevinden belemmeren ons even het zicht op het volgende meertje langs onze route : het Lac Vert of Lac de Soultzeren, nog zo ‘n overblijfsel van de ijstijd. Al moeten we deze keer nog geen 100 m stijgen, toch is deze klim niet voor de poes ! De laatste tientallen meters gaat het zelfs even zigzaggen voor we op de rotsige top van de Tanet zelf kunnen plaatsnemen. De panorama ‘s op de top van de Tanet doen ons zoals steeds de vermoeienissen van de klim snel vergeten.

Na een kwartiertje vervolgen we onze weg over de kam langs de grensstenen naar ons einddoel. We passeren nog enkele imponerende rotsformaties, zoals le Wurzelstein (1.288 m) en later ook de Hirschsteine. Als we tenslotte de Spitzenfels voorbij gaan, begint de laatste afdaling naar ons einddoel. Via een brede zandweg, bezaaid met stenen komen we via enkele grote treden op een grote, drukke parkingplaats terecht. Auto ‘s, wandelaars en fietsers bewegen zich in alle richtingen over het drukke verkeersknooppunt. De Col de la Schlucht (1.139 m) is de hoogste en meest gebruikte pas van de zuidelijke Vogezen, bovendien nog steeds op de oude Frans-Duitse grens en nu op de grens van de departementen Haut-Rhin en Vosges. We zijn er tenslotte geraakt, en de geplande weg is afgelegd : ongeveer 145 km in 6 dagen. We hebben weer een flinke stap vooruit gezet in de richting van Nice ! Ik heb zo het gevoel dat we één van de mooiste stukken van de GR 5 deze week afgelegd hebben. Het was een perfecte combinatie van natuurschoon (voor mij komt dat op de eerste plaats) en interessante culturele haltes. En niet te vergeten waren de andere haltes onderweg ook niet te versmaden : de inwendige mens wil toch ook wat, zeker bij deze hitte ?!

 

 

 

46. Col de la Schlucht - Mittlach (12km) : 20 Mei 2001

 

Nadat de auto geparkeerd op de parking van de Col de la Schlucht, gaan we nog even terug naar de plaats waar we op dinsdag 29 juli 1997 onze eerste Vogezenzesdaagse beëindigden : de departementsgrenspaal langs de D 417 (zie foto hierboven). Om 12u15 zijn we vertrokken. We hadden gepland onze picknick hier te verorberen voor ons eigenlijke vertrek, maar het is hier zo druk, dat we het mensengewoel liever eerst ontvluchten. En het gaat natuurlijk direct de hoogte in. De GR 5 leidt ons eerst door een heerlijk schaduwrijk beukenbos. Ver moeten we vooreerst nog niet gaan, want als we een kwartier verder een plaatje tegenkomen met ‘belvèdére’ erop, is de beslissing snel genomen om er onze boterhammen op te eten. En even later zitten we in de schaduw, uit de wind met een prachtig uitzicht over de vallei van de Petite Fecht.

Voor deze eerste korte dag, zijn we al direct op weg naar één van de hoogste punten in de Vogezen, de Hohneck. Gelukkig zijn we gestart van één van de hoogste passen door dit gebergte; de Col de la Schlucht ligt op 1139 m hoogte , zodat we om op de top van de Hohneck te geraken maar een 224 m moeten klimmen. De rest van de dag wordt het dan dalen, tot op 529 m in het plaatsje Mittlach. Vooreerst blijft het echter nog klimmen, en op onze weg komen we weerom de oude grensstenen (1871 – 1918) tegen die de vroegere grens tussen Duitsland en Frankrijk aangaven. Redelijk snel laten we het geboomte achter ons en komen uit op een open vlakte. Links van ons zien we midden in de velden enkele huizen liggen, de boerderij en de refuge ‘les Trois Fours’, maar wat meer onze aandacht trekt is het zicht opons eerstvolgende doel : de top van de Hohneck. Links van ons krijgen we weerom prachtige panorama’s over de oostelijke heuvels van de Vogezen en de zijvalleien van de Petite Fecht, die verderop in Münster samenkomt met de Grande Fecht. Langzaam, maar zeker komt de laatste klim naar de top dan toch in zicht. Op de Col de Falimont passeren we nog een wegwijzer en dan gaan we naar de top. Op de top staat een oriëntatietafel, en daar gaan we natuurlijk eerst naar toe. Het is weer zo een oerdegelijk metalen ding, waar je naar alle windstreken toe kunt nalezen wat er ligt. Indrukwekkend blijft zo een uitzicht natuurlijk wel. Nergens wordt het belemmerd door nog een hogere top, behalve naar het verre zuiden, waar we achter enkele dichterbij gelegen heuvelruggen, het zachte silhouet van de Grand Ballon opmerken.

Tijd natuurlijk om even het café te bezoeken. Het is nog maar de eerste keer deze week, maar we zijn fervente aanhangers van de zogenaamde ‘Megawalker’s Absolute Law of Travel’, en die is : een onbetreden café is de grond niet waard waar hij op staat (Susanna Margolis en Ginger Harmon : ‘Walking Europe from Top to Bottom), dus binnen gaan we. Het is 13u30 en we bestellen enkele pinten om de eerste dorst te onderdrukken. Het glas is snel geledigd en buiten is het even zoeken naar de juiste weg, maar die wordt dan toch snel gevonden en dan begint de grote afdaling. Eerst in de richting van een lagergelegen kale top, le Petit Hohneck (1289 m). Wat later slaan we op de Col du Schaeferthal de weg in richting Schiessroth. We waren eerst van plan die kleine Hohneck ook nog te beklimmen, maar dan zouden we via hetzelfde pad terug moeten komen, en dat zint ons niet. Dus dalen we nu af via een moeilijk pad vol puntige rotsblokken. Het is echt spitsuur hier; soms is het moeilijk om wandelaars voorbij te steken. Het is wel uitkijken voor verraderlijke boomwortels en andere hindernissen, maar we komen alle vier heelhuids beneden uit bij het Lac de Schiessrothried op 920 m hoogte. Het is al 15u15 en we vervolgen onze weg over de dijk van het mooie stuw-meertje met zijn steile, beboste bergwanden errond. Aan het eind van de dijk gaat het weer in zigzag bergaf over rotsblokken, boomwortels en kleine beekjes. Na een kleine 20 minuten bereiken we het Lac Fischboedle. Dit watertje is zo mogelijk nog pitoresker gelegen, nog veel nauwer omgeven door het kleurrijke groen van de dichte bossen. We komen voorbij de dam, die het water tegenhoudt en als overloop dienst doet. Het teveel aan vocht vloeit hier over de rand weg als een brede, fijne waterval, bijna een sluier.

We laten dat sprookjesachtige zicht achter ons en dalen nu een vrij brede bosweg af, die we al snel verlaten voor een kleiner bospad. Het pad slingert zich doorheen de vallei van de Wormsabachrunz en we steken via bruggetjes meerdere malen de steeds breder wordende beek over. Regelmatig verschijnen er weer open plekken in het bos en maken de bomen plaats voor weiden en akkers. We zijn zo druk aan het babbelen dat we onderaan de vallei het kleine zijpaadje missen dat ons richting Mittlach moet voeren, maar we ontdekken gelukkig onze vergissing voor we té ver op weg geraken naar Metzeral. We keren op onze stappen terug en slaan de goede weg in, waarlangs we al snel de eerste huizen van ons einddoel bereiken, Mittlach. Het is 16u45 en de zon staat nog vrij hoog in de hemel. In tegenstelling tot Metzeral, werd het dorpje gespaard van het meeste oorlogsgeweld in de wereldbrand van 14-18, hoewel de frontlinie slechts op enkele kilometers ten oosten hiervan liep. Uit dank plaatsten de inwoners na de strijd een beeld van de Maagd Maria in de bossen boven het dorp. Misschien komen we er morgen wel langs.

Uiteindelijk bereiken we met de auto het stadje Thann, waar om we 19u na wat zoeken ons hotel ‘Aux Sapins” in de Rue de Jeanne d’Arc snel vinden. Het hotel is vrij modern en bevindt zich iets buiten het centrum van het oude stadje, maar het is er nog binnen loopafstand van. Alles blijkt in orde met de reservatie en na het uitpakken gaan we ons uitgebreid douchen. Om 20u30 gaan we naar het stadje en kiezen een restaurantje uit om onze ondertussen aanzienlijk geworden honger te stillen. Na de uitgebreide maaltijd slenteren we nog even door het plaatsje, tot we rond 22u30 ons terugtrekken op onze kamers.

 

 

47. Mittlach - Hôtel du Grand Ballon (26km) : 21 Mei 2001

 

De eerste paar uren moeten we terug naar de hoofdkam van de Vogezen en dat betekent klimmen van 530 tot 1190 m; dat is dus 660 m in één trek. We verlaten het dorpje via de asfaltweg langs het kerkje en steken een brugje over. Via een sentier botanique en een soort van fit-o-meter leiden de rode rechthoekjes ons kriskras door het bos. We blijven de tekens maar volgen, want ik zou echt niet meer weten waar we op de kaart zitten. We vertrouwen dan maar op de bewegwijzering ter plaatse, maar moeten regelmatig onze groep splitsen om terug het goede pad te vinden. Iets verder vinden we de rode rechthoekjes weer terug. We zetten onze weg verder door het Herrrenbergbos en komen zo na een uur juist na een kale plek in het bos uit bij een uitzichtpunt met bank. Hier moeten we natuurlijk wel even gaan zitten, want het is hier werkelijk indrukwekkend : we kunnen hier heel de vallei van de Grande Fecht doorzien met achtereenvolgens de dorpen Mittlach-le-Haut, Mittlach, Metzeral, Muhlbach. Werkelijk adembenemend mooi. We zitten dan ook al op een 900 m hoogte.

Over de brede bosweg kunnen met 4 naast elkaar stappen, dat is weer wat anders; af en toe doet geritsel in het gras langs de weg ons beseffen dat ook de salamanders van het zonnetje aan het profiteren zijn om zich op te warmen. Voor ons strekken zich uitgestrekte velden uit en in de verte ontwaren we de kale toppen op de crête. Wij lopen nu via de hellingen boven de vallei van de Wiedenbachrunz onderlangs de top van le Schweisel naar de kam. Iets voor ons ligt reeds de top van le Schweisel, één van de vele toppen van de hoofdkam van de Vogezen, waarvan we er al zovele van overschreden hebben. Le Schweisel is 1271 meter hoog en als we op de top aankomen, is er weinig meer dan een grenssteen te zien. Het is hier weerom één van die stenen die de oude grens tussen Duitsland en Frankrijk aangaven. Het is al 12u30, maar hierboven gaan we niet picknicken, de kille wind waait hier wat té hard ! We zullen wat lager op de helling uit de wind wel een aangenamer plaats vinden. Na enkele honderden meters vinden we inderdaad een zonnige plek op de flank van de heuvel achter enkele kleine beukjes. Tijd om ons eten boven te halen en de baguettes te verdelen. We vinden daarenboven dat het ook niet veel zin heeft om de fles witte wijn nog verder mee te sleuren. En dan snijdt mijn broer zich bij het verdelen van de worst in de vinger. En niet zomaar een ondiep sneetje, maar een flinke jaap, die een gapende wond veroorzaakt aan de binnenkant van zijn linkermiddelvinger. Zoiets bloedt natuurlijk als de beesten, maar behalve goed erop drukken, is er niet veel aan te doen. Het bederft gelukkig zijn eetlust niet en na nog wat chocolade als dessert kunnen we weer inpakken en opstappen.

Na het eten gaat het rustig op en af over de golvende kam. We blijven echter nooit veraf van de Route des Crêtes. Het is nu heerlijk wandelen, nu eens in de schaduw van enkele bomen, dan weer in het zonlicht als we de open golvende grasvelden oversteken. Rond 14u komen we even terug op de Route uit bij de Col de Hahnenbrunnen. Dan komen we wat verder op de grote open vlakten uit die ons naar ons volgende doel leiden : le Markstein. Wat we ook tegenkomen zijn nog enkele resten van voorbije oorlogen; onder andere de erbarmelijke overblijfselen van een oude bunker (stijl Wereldoorlog I, denk ik) en wat verder als we terug de Route oversteken, een stenen monument langs de weg. In enkele woorden wordt hier uitgelegd dat op deze plek ergens in juni 1940 een frans regiment zijn vlag verbrand heeft alvorens zich over te geven aan de Duitsers. We gaan nu de grasvlakten op van de flank van de Trehkopf, maken een grote bocht en komen tenslotte om 15u naast een artificiële bobsleebaan uit bij het toeristencentrum ‘le Markstein’ (1200 m). Op het terras van een groot café-restaurant langs de Route zetten we ons neer en bestellen 4 halve liters heerlijk fris bier. Het echte hoogseizoen is nog niet begonnen, dus we zien er maar enkele toeristen, voornamelijk motorrijders.

De bewegwijzering is uitstekend en naast de ferme-auberge verlaten we weerom de Route des Crêtes en trekken via de flank van de Marksteinkopf verder zuidwaarts. Het gaat nu goed vooruit langs weiden en door kleine beboste stukken met beukeboompjes en lijsterbes. We zijn al vrij dicht bij de Grand Ballon, maar we zien er nog niets van. De Storkenkopf bevindt zich nog tussen ons en de hoogste top van de Vogezen. Er is hier een mogelijkheid om langs een alternatieve route over de top ervan te gaan; de top is met zijn 1366 m de tweede hoogste van de Vogezen, maar we blijven de GR 5 volgen en gaan nu dus op hoogte rond de Storkenkopf verder. We lopen hier over een bosweg, die op de kaart de naam meekrijgt van Kapitaenstressla; ik denk niet dat het op één of ander voorgerecht doelt, maar de ware betekenis ervan blijft me vreemd. En eindelijk is hij daar, de Grand Ballon. Om een bocht in de bosweg, rijst hij tenslotte als het ware bijna pal voor ons op in al zijn grootsheid. Een zilveren bol ontsiert de top; het is als een puist op het kale hoofd van een koning ! De laatste tientallen meters onder de top zijn immers niet bebost. We leggen de laatste honderd meter af naar de Col du Haag en gaan even langs de kant van de weg zitten, voor we de laatste klim aanvatten. Het is al 17u10, dus als we ons tijdschema zouden moeten geloven, zouden we al op de top moeten staan. Even gaat het nu recht op de top aan, maar dan slaan we rechts af en gaan op weg om een ommetje te maken langs de zuidflank van de Ballon.

En dan zijn we er, om 17u30 arriveren we bij het Monument des Diables Bleus, weerom een kunstwerk opgericht ter meerdere eer en glorie van een onderdeel van het roemrijke Franse leger dat hier de republiek verdedigde tegen het Duitse Keizerrijk. Van hieruit hebben we al een prachtig zicht op een deel van de weg van morgen : de laatste top voor de vallei in de verte is de Vieil Armand met rechts daarvan de Col du Silberloch. Nu kijken we verder rond ons en worden onmiddellijk aangetrokken door dat moderne onding dat hier op het hoogste punt prijkt : het nieuwe radarstation. Erg enthousiast over wat ze hier neergepoot hebben, ben ik toch niet. Bij gebrek aan een table d’orientation, waar men in de topogids over spreekt, gaan we maar naar de bol, in de verwachting dat we voor een barrière gaan komen te staan met een ‘Passage Interdit’ op. Maar nee, ongehinderd kunnen we de installatie benaderen (achteraf merken we dat het een burgerlijk gebouw is en geen militair). Zonder blikken of blozen trekken we de trappen op. En dan komen we op een platform uit dat zich rondom heel het gebouw bevindt; hier vinden we dan op de borstwering de zeer gedetailleerde splinternieuwe orientatietafel van de Grand Ballon. De atmosfeer is helder en het uitzicht fenomenaal. Een kleine afdaling van enkele minuten wacht ons nog. Om 18u komen we uit bij de auto en het Hotel du Grand-Ballon. We hebben er vandaag 894 m (zeg maar 900) klimmen opzitten en dat verdient toch een (flinke) pint. Gelukkig kennen ze hier ook de inhoudsmaat 50 cl, en die staat dan even later ook vier keer voor ons op de tafel op het terras van het hotel. Om kwart voor zeven doen we onze schoenen eindelijk uit, en vetrekken we met de auto terug naar Mittlach. Tot morgen !

 

 

 

48.Hôtel du Grand Ballon - Col du Hundsrucken (28km): 22 Mei 2001

 

Om 9u50 kunnen we gepakt en gezakt aan onze derde etappe beginnen. En het zal niet de minste worden : volgens een ruwe schatting, zal het ongeveer een 28 km worden, maar met enkele zijsprongetjes zullen we misschien wel aan de 30 komen. Na een korte afdaling krijgen we de Ferme du Ballon in zicht. Op een hoogte een honderd meter van de GR 5 af, staat een gebouwtje, dat we als we met de auto hier voorbijkwamen al enkele malen opgemerkt hadden. Het is een kapelletje, la chapelle du Sudel. Het ligt dus wel niet helemaal op onze weg, maar we kunnen niet aan de verleiding weerstaan om er toch even langs te gaan. Het ligt boven op een steile helling en het duurt even voor we de 60 m hoogteverschil overwonnen hebben. Voor de ingang staat een ijzeren gril, maar we kunnen toch opmaken dat het gebouwtje er opgericht is, ter herdenking van het feit dat hier een uitkijkpost was van de Fransen tijdens de Eerste Wereldoorlog

We gaan verder zuidwaarts langs de flanken van de Sudelkopf. Hier en daar zien we naast het pad enkele afgeknapte boomstronken overeind staan, maar het pad zelf is nog vrij van obstakels. Als we om 11u bij de Col Amic terug op de asfalt van de Route des Crêtes komen zijn we sinds ons vertrek al 400 m afgedaald. En dan loopt het mis;nmiddellijk lopen we vast in een onontwarbaar web van ontwortelde en omgevallen bomen. We proberen eerst nog op het gevoel de GR te volgen zoals hij op de kaart ingetekend is. Maar al snel geraken we geen kant meer uit. De omgevallen woudreuzen doen ons telkens verder en verder van het pad afwijken tot we geen idee meer hebben waar het pad zich bevindt. We moeten soms halsbrekende toeren uithalen om over of langs sommige obstakels te geraken. Als we zien dat er geen eind komt aan dit houten labyrinth, besluiten we na ampel overleg om rechtdoor omhoog de helling op te klauteren op zoek naar de Route, en deze dan maar voorlopig verder te volgen. Ondanks het feit dat dit steil bergop gaat, gaat dit toch gemakkelijker daar de omgevallen bomen meestal richting bergaf liggen en we zo er niet meer over moeten klimmen. Uiteindelijk komen we zo toch op een bospad uit en volgen dit maar zuidwaarts bij gebrek aan beter. Na enkele minuten komen we dan toch op de juiste plaats op de Route uit.

Het volgende deel van de GR zouden we namelijk niet willen missen. De GR 5 komt hier voorbij het Château de Freundstein, het hoogst gelegen (927 m) kasteel in de Vogezen. Eindelijk nog eens een echte middeleeuwse ruïne; dat is al geleden van de ruïne van het kasteel van Bilstein (tussen Ribeauvillé en Aubure) dat we nog zoiets tegengekomen zijn. Aanvankelijk lijkt de weg vrij, maar na een honderd meters komen we weer voor een onontwarbare muur van door elkaar gelegen en op elkaar opgestapelde boomstammen. We doen nog een halfslachtige poging om een andere weg naar de ruïnes te vinden, maar er is geen doorkomen aan. Na nog wat schrammen opgelopen te hebben, besluiten we toch maar rechtsaf te slaan en linea recta af te dalen terug naar de Route. Spijtig van Freundstein. Het asfalt maar op dus ! Na een steile helling afgeklauterd te zijn, volgen we maar de asfaltweg richting zuid. Deze maakt wat verder een flinke bocht, waar we een mooi uitzicht hebben over de golvende, groene heuvels van dit gebergte. Eén of andere autobestuurder heeft hier blijkbaar ook (even) van genoten, maar is dan wat verder de rand over gereden. De sporen zijn er nog altijd van te zien op de plaats waar het lage muurtje naast de weg verdwenen is.

Wat verder op de Col de Freundstein kunnen we om 11u30 weer aansluiten bij de GR 5, die hier even de Route aanraakt. Af en toe steken we een beekje over, terwijl we regelmatig links van ons doorheen het gebladerte een glimp kunnen opvangen van de Rijnvlakte in de verte. Na een drie kwartier zo door het bos gewandeld te hebben, komen we tenslotte terug op de Route uit bij een verkeersbord waarop staat ‘Col du Silberloch’ 906 m. Er is hier nu een ‘Cimetière nationale’ waar vele Franse slachtoffers hun eigen graf gekregen hebben. We lopen even door het kerkhof en bekijken de kruisen. Ondanks al de triomfantelijkheid, doet zo een plaats me toch steeds weer stil worden.

Aan de overkant van de weg gaat het terug omhoog het bos in. Bij de eerste bocht komen we weer enkele prachtige orchideeën tegen. Het is altijd weer een wonder als we één van deze prachtige planten tegenkomen. Hier dichtbij moet een ferme-auberge liggen en daar kunnen ze ons misschien wel wat drinken bezorgen voor bij onze maaltijd ! Via één of andere refuge, langs een weiland komen we wat verder op een verharde weg terecht en dan zien we de boerderij. Het uitzicht is hier weeral prachtig : we zien van hieruit neer op le Vieil Armand en zien eveneens de Franse vlag bij het kerkhof boven de bomen uitsteken. We spreiden ons eten voor deze middag op de tafel uit : baguettes, worst, tomaten, kaas en komkommer. Dat gaat smaken op zo een rustig terras !

Rond 13u50 vinden we wel dat het tijd is geworden om ons boeltje bijeen te pakken en op te stappen. Niet veel later komen we uit op een kruispunt van wandelwegen. De plaats wordt le Camp Turenne genoemd. En dan gaan we (weerom) even afwijken van de GR5. We komen om 14u30 uit aan de achterkant van een enorme rots, de Rocher d'Ostein, die zich hier op de flank van het massief bevindt en waarvan we dan ook een prachtig zicht hebben op de omgeving, vooral naar het noorden toe. Vanop een bank hebben we hier een panoramisch zicht van links naar rechts op het dorp Moosch in de Thurvallei en de Thanner Hubel met de Rossberg erachter. We blijven niet té lang hier rondhangen, en keren dan maar naar het Camp Turenne terug, waar we de GR 5 terug volgen richting zuid. We komen even later voorbij het Camp de Pyramides. Als we tenslotte de Col de Grimbach bereiken, is het plots al 15u15 en nog is er geen glimp van de beschaving te zien.

We kunnen aan de laatste afdaling van de grote kam beginnen. We verliezen snel hoogte door de vele haarspeldbochten, tot we achter een bocht plots bij de ruïnes van het Château de l’ Engelsbourg uitkomen. Een plakkaat maakt ons duidelijk dat het hier gaat om een 13e eeuws kasteel , dat uiteindelijk in 1674 door de vicomte de Turenne op bevel van Lodewijk XIV werd verwoest. Men blies toen de toren op, maar een deel ervan viel om zonder te breken en ligt er nog steeds. Het staat bekend als ‘l’ Oeil de la Sorcière’ (het Heksenoog). Vanop enkele banken genieten we even van het mooie uitzicht over Thann en de vlakte erachter. Na een stop van een minuut of 35, laten we de ruïne achter ons en trekken we de vallei van de Kattenbach in. Wij komen tenslotte toch zonder problemen op het fietspad langs de rivier terecht en slaan de richting in naar de brug over de Thur bij Thann. Om 17u trekken we het stadje in. Om Thann te verlaten moeten we eerst de brede verkeersader over, die hier het stadje doorkruist in de vallei van de Thur. We zijn aan de voet van de heuvel gekomen, die Staufen heet. Normaal maakt de GR een grote bocht rond deze heuvel, maar we (eigenlijk ik) hebben besloten hem stormenderhand te nemen. Elke morgen namelijk zien we vanuit ons hotelraam boven op de berg een groot Lotharings kruis staan, dat daarenboven ’s nacht als een grote neonlamp verlicht is. We komen snel omhoog en het duurt niet lang of de 150 m klimmen zijn achter de rug en we komen uit op een groot grasveld, waar we voor het flink uit de kluiten gewassen kruis komen te staan. Het witte kruis met de dubbele dwarsbalk is hier geplaatst als monument van de Résistance Alsacienne tijdens Wereldoorlog II.

We gaan lichtjes bergaf tot we na een halve kilometer of zo de GR 5 terug oppikken ter hoogte van de Col du Staufen. En dan raakt de GR 5 even de Route Joffre, waar we deze morgen nog over gereden hebben. Dit punt in het bos heeft de wel erg poëtische naam Plan Diebolt Scheurer meegekregen. Het einde komt stilaan in zicht en na slechts een tiental minuten zetten we onze weg al verder. Enkele minuten voor het einde komen we nog bij een moeilijke passage. Uit de wand van de heuvel hier steekt een grillige rotspartij, de Teufelskanzel genaamd, waar het pad rond gaat. Het wordt hier even zo gevaarlijk dat er zelfs een ijzeren reling is aangebracht. En dan gaat het nog even licht bergaf tot we om 19u uitkomen op het asfalt van de Col de Hundsruecken (761 m). Het is wel een lange wandeldag geworden : alles bij elkaar (zonder rustpauzes) hebben we ongeveer 6u40 gewandeld en met de extra’s erbij toch zeker een 32 km.

 

 

49.Col du Hundsrucken - Ballon d’Alsace (26 km) : 23 Mei 2001

 

Door problemen met één van de auto's bereiken wij onze vertrekplaats pas om 12u30. Vlug schoenen aan en dan zijn we weg, onmiddellijk de bossen in en de heuvels op. De zon staat al pal boven onze hoofden en het is juist het warmste moment van de dag. Vandaag dus geen omwegen naar panoramische punten, maar gewoon doorstappen. Het tempo blijft onveranderd hoog liggen; we zullen hier zeker tijd aan het winnen zijn ! We zitten al vrij hoog, maar het uitzicht wordt nog belemmerd door het dichte bos, waar we door trekken. Als we tenslotte langs een soort van kapelletje komen (een oratoire) en boven ons heldere lucht doorheen de bomen zien, weten we dat we er bijna zijn. En inderdaad, even later staan we bij één of ander skiclub-refuge naast een omheining aan de rand van een wei op de kam tussen de Thanner Hubel en de Rossberg. Deze plaats heet de Col du Rossberg en we bevinden ons op 1100 m hoogte. Dat is een stijging van 340 m op een goed half uur ! Vanaf hier hebben we over de kudde witte koeien, die hier ligt te herkauwen al een mooi zicht over de vallei van de Thur naar de andere kant, waar we gisteren over liepen.

Zoweinig uitzicht als we daarnet hadden, zoveel uitzicht hebben we nu rondom ons. We moeten zelfs niet op onze tellen passen, want het pad loopt hier verder door de open weiden en we kunne naar hartelust rond ons kijken. Door de alpenweiden heen bereiken we aan de andere kant van de Rossberg weer de kam op de top van de Vogelstein (1181 m). We trekken verder naar ons volgende doel : de ferme-auberge de Belacker. Een foto ervan staat op de voorkaft van mijn topografische kaart, en het uitzicht is er wel de moeite waard. Om 14u kunnen we ons neerzetten in de schaduw van de knoestige essen op het terras van de auberge. We zetten ons eten op de tafel en ik ga de herberg binnen om wat drinken te halen. Bij de waardin bestel ik 3 grote pinten, maar ik versta niet goed wat ze in haar dialectfrans brabbelt en ik knik dan ook enthousiast van ja, als ze haar handen ongeveer een 30 cm boven elkaar houdt om de grootte van de pint aan te geven. Tot mijn verrassing komt ze uit de kelder met drie flessen van driekwart liter Kronenbourg. Ik ben wel even verrast, maar voor ik het besef, zijn de flessen ontkurkt en sta ik wat verbouwereerd buiten voor mijn broers, die even hun ogen niet kunnen geloven. Vastberaden echter zetten we ons aan het werk ! Terwijl we eten, wordt onze tafel en die van enkele andere gasten omsingeld door een haan en zijn troep kippen. Ze cirkelen rond en onder ons en pikken elk kruimeltje op bijna nog voor het de grond bereikt. Eénmaal probeert een extra brutaal exemplaar een stuk brood uit mijn hand te pikken; die krijgt zeker niks van mij !

Om 14u35pakken we ons boeltje weer bij elkaar en slaan de weg in richting Ballon d’ Alsace. Na een kwartiertje komen we weerom op een kruispunt van wandelwegen, de Col de Rimbach (940 m). We beginnen al snel aan onze eerste klim, die ons al snel op onze eerste top brengt, de Johanneskopf (1001 m). Tijdens de afdaling verlaten de rode rechthoekjes de kamroute, maar het stenen muurtje en de roodwitte strepen houden ons op het goede pad (dat is de kam zelf). En hier komen we de eerste boomstammen tegen die over de weg liggen. Een tweede klim doet ons op de Mittelrainkopf (1101 m) belanden, die ons ondanks zijn mooie hoogte spijtig genoeg geen enkel uitzicht biedt op de omgeving omwille van de hoge bomen op zijn top (die heeft de storm wel laten staan). De afdaling is soms vrij steil en voorzichtigheid is toch geboden ! En dan komen we weerom in een stuk groen dat vrij hard getroffen werd door de reeds genoemde storm. We moeten soms wel flinke omwegen maken en verliezen zo soms de weg even uit het oog, maar het stenen muurtje helpt ons steeds weer uit de nood en terug op het goede pad. De indrukwekkende beboste piek van de Rimbachkopf, met zijn 1195 m maar een goede 50 m lager dan de Ballon d’ Alsace. En nu gaat het nog sneller, want de Col des Perches (of het Sternseesattel) is zoals de naam het al zegt, een laagtepunt in de kam. Iets ervoor wordt het bos weer wat meer open en na een korte, steile afdaling zijn we er.

Het is 16u25 en we zijn ongeveer 2 uren continu aan de wandel geweest. Tijd om even een rustpauze in te lassen. Op de stafkaart zien we dat van hieruit 6 wandelwegen in alle richtingen van de windroos vertrekken. We zien er ook op dat zich hier vlakbij een Lac des Perches bevindt. We lopen hier de helft van het meer rond, maar wel een 100 meter boven het wateroppervlak. Daarna gaat het onder de bergkam, die de Col des Perches rechtstreeks met de Ballon verbindt. We passeren op een bepaald ogenblik een drassige, open plek voor we na een klim even de kam zelf bereiken bij een plaats genaamd, de Col des Charbonniers. Hier heeft de najaarsstorm weer even vrij spel gehad met het bos, en de resultaten zijn er nog steeds te zien. Wat verder komen we bij een rond plaatje met erop Col des Charbonniers 1138 m. Het is al 17u25. En we zijn er nog lang niet. Volgens mijn schema zijn we nog een 2u20 (zonder rust) van ons eindpunt verwijderd. Dus we zullen er waarschijnlijk pas rond 20u aankomen. Er zijn ook enkele fikse klimmetjes, die gelukkig meestal gevolgd worden door korte afdalingen.

En dan doemt tenslotte voor ons de donkere noordoostwand van de Ballon d’ Alsace op. Ook daar kunnen we nog een kleine sneeuwplek op ontdekken. Eerst daalt de GR nog even af naar een laagte in de kam (de Col de Ronde Tête op 1091 m) en dan zijn we vertrokken voor de laatste klim van de dag. En het is een echte klim : handen en voeten zijn soms alle vier nodig om omhoog te geraken. In het begin van de klim volgen we een klein waterloopje, dat hier tussen de rotsen door naar beneden kabbelt. Vervolgens gaat het zigzag tegen de wand omhoog tot we na een 150 m klimmen boven op de brede top van de Ballon uitkomen. Gelukkig staat er een bank onmiddellijk naast het pad als we bovenkomen, zodat we ons er onmiddellijk kunnen opzetten en van het eerste panorama kunnen genieten. We kijken uit over de slingerende vallei van de Seebach en Doller rivieren. Halfweg kunnen we het gladde oppervlak van het Lac de Sewen zien, maar de Rijnvlakte kunnen we niet meer onderscheiden in de nevelige verten. Het is 18u50 en we hebben uiteindelijk nog een goede tijd gemaakt vandaag, dus kunnen we hier nog wat ronddwalen over de top.In de verte zien we een ruiterstandbeeld staan; Als we er na een tiental minuten bijkomen, zie we dat het hier gaat om de alombekende Jeanne d’ Arc. Hoe komt het dan dat haar krijgshaftige beeltenis hier tentoongesteld wordt ? In het begin van de 20e eeuw liep de Frans-Duitse grens ook hier over de top van de Ballon. Om de Duitsers eens goed te pesten, hebben de Fransen toen (in 1909) dit toonbeeld van Fransgezindheid hier in het zicht van de Duitse grensposten geplaatst. Als we bij het standbeeld komen, zien we plots iets bijzonders : achter het beeld komt er boven de Ballon de Servance met zijn radarpylonen, plots een opening in het wolkendek, dat zich tijdens de laatste uren hier verzamelt heeft. De zonnestralen, die erdoor schijnen lijken het beeld te omvatten als in een stralenkrans. Echt een passend aureool voor deze nationale heldin.

Er loopt hier ook nog een kudde geiten over de top en wij krijgen nu het lumineuze idee om het overgebleven brood van de picknick aan deze dieren te geven. Eerst komen de dieren nogal aarzelend naar ons toe, maar al gauw worden we letterlijk overstelpt met de beestjes; ze kruipen zelfs op mijn rug en dat doet tenslotte de deur dicht. We laten de rest van het brood achter, brengen in het voorbijgaan nog een laatste groet aan de Vièrge du Ballon (een standbeeld van de maagd Maria) en beginnen tenslotte aan de laatste afdaling naar de Ferme-auberge du Ballon. De zon breekt weer even door het wolkendek als we de laatste meters afleggen en om 19u30 tenslotte toekomen aan de boerderij. Op culinair gebied stelt de goede aubergist ons niet teleur. Hij begint bijna nog voor we het kunnen vragen met een schotel tsjokvol crudités (bewoog daar iets tussen de sla ?), waarop een flinke plak tête de veau (of in het vlaams ‘kop’). Daarna kunnen we ons tegoed doen aan een volwassen schotel gegratineerde Münsterkaas met nog maar eens salade en een stuk quiche, om tenslotte te eindigen met een echte plaatselijke tarte aux myrtilles (bosbessentaart). Ik moet zeggen dat we geen spatje honger meer hebben als we tenslotte om 21u50 buitenstappen.

 

 

 

50. Ballon d'Alsace - Salbert (24km) : 24 Mei 2001

 

Om 10u10 is het is al een drukte van belang op onze vertrekplaats. We beginnen om 10u25 aan onze wandeling. Het wordt vandaag dus voornamelijk een afdalende en verder een vlakke etappe. We gaan de Vogezen achter ons laten en begeven ons nu in de laagvlakte die dit gebergte van dat andere hoogland, de Jura, scheidt. Dit ongeveer 30 km brede laag gebied wordt ook wel de Trouée de Belfort genoemd (het ‘gat’ van Belfort). We bevinden ons nog op de zuidflank van de Ballon en beginnen aan de lange afdaling, die ons vandaag van een hoogte van 1247 m naar een laagtepunt van ongeveer 390 m zal brengen. Dat is dus een verschil van 857 m en ik vind het helemaal niet erg dat het deze maal in dalende lijn zal gaan. Het glooiende pad brengt ons even verder via een poortje bij een volgende heuveltop. Het pad loopt er langs, maar we klimmen dapper over de schrik(?)draad en bestijgen om 11u de heuvel, waarop we een standbeeld van een oude bekende ontwaren : de Maagd Maria.

We dalen de heuvel af en ontwaren onmiddellijk beneden ons een aantal gebouwen : het is de Wissgrut (weesgegroet ?) boerderij. Voor we daar echter geraken, komen we voorbij een koe van een speciaal ras, die hier in de wei ligt. Vlak bij haar ontwaren we een klein bruin hoopje; het dier is juist bevallen van een kalfje. De moeder ligt er nog uitgeput bij (ze doet geen aanstalten om op te staan, als we dichterbij komen), en het kalfje is nog nat. Het wonder van het leven hier voor ons uitgestald ergens langs de GR 5. Veel tijd mogen we echter niet verliezen; we laten de boerderij met zijn grote kudde vee links van ons liggen en komen midden de vlakte (‘les Plaines’) uit bij een kruispunt met wegwijzer. Eerst gaan we nog even langs de top van de Tremontkopf (1091 m) en dan beginnen we aan een vrij steile afdaling richting Col sans Nom (alleen voor de naam al een bezoek waard, vind ik). Voor de zoveelste maal vinden we hier weer oude grensstenen, die de vooroorlogse grens tussen Frankrijk en Duitsland aangeven. Uiteindelijk komen we op een boswegje uit, dat ongeveer in de juiste richting loopt. En dan voelen we plots enkele druppels vallen. Eigenaardig ! Een minuutje eerder scheen de zon nog volop en nu regen … Waarschijnlijk maar een plaatselijk buitje. Na een minuut lijkt het toch wat harder te regenen, en stoppen we even (denken we) onder een lommerrijke beuk. Het heeft geen zin hier stil te blijven staan en nog natter te worden, dus zullen we maar verder wandelen en natter worden. Het is de kwestie van zo vlug mogelijk die abri te bereiken en hopen dat er al niet té veel volk in zit. Met wat meer geluk dan wijsheid komen we wat verder op de GR 5 uit bij een boom genaamd, le Gros Hêtre, en daar wijst een wegwijzer ons dan naar de Abri du Col du Chantoiseau.

Om 12u30 komen we dan druipend nat toch uit bij de abri. De schuilplaats heeft geen voorzijde, maar is gelukkig vrij ruim. We besluiten dan maar meteen om het culinaire met het droge te combineren en hier te picknicken. Twee baguetten, een worst, een stuk kaas, 4 tomaten en een lekker flesje wijn verder is het 13u, en begint de regen net te minderen. Langer willen we niet wachten, dus nattigheid of niet, … we gaan verder. We zijn nog geen 100 m van de abri verwijderd of het stopt met regenen. Laat ons hopen dat het daar bij blijft. Na een korte, maar stevige klim, blijft het verder heerlijk afdalen. Voor ons ligt de vallei van de Savoureuse rivier en daarachter rijzen de groenbeboste heuvels van het Forêt de la Beucinière omhoog. Het lijkt er even op dat het terug gaat regenen, maar de hemel slikt zijn tranen terug in en we blijven voorlopig droog. Op een open plek is het even zoeken naar de juiste weg, maar al snel kunnen we deze Col du Mont St. Jean verlaten langs een holle weg. We komen voorbij een soortement château met een hoge muur errond en komen tenslotte op de D 14 uit, die ons door vrij verlaten straten van de buitenwijken tenslotte om 14u30 tot in het centrum van Giromagny brengt. Giromagny is een vrij grote plaats, die hier ten zuiden van de Vogezen ligt, ongeveer waar de heuvels terug overgaan in platteland. En hier laten we dus voorgoed de prachtige streek van de Vogezen achter ons. Van Abreschvillers tot hier hebben we allemaal echt genoten van dit oude, prachtige gebergte met zijn wouden, zijn kasteelruïnes, zijn wijngaarden, zijn bergtoppen en zijn lieflijke dorpen. Er zijn natuurlijk nog massa’s wandelingen die we hier nog kunnen doen, maar ik denk dat de GR 5 ons toch langs de meeste interessante plaatsen gebracht heeft. De Vogezen waren onvergetelijk, ik ben benieuwd hoe de Jura zal zijn.

Maar eerst gaan we nog enkele dagen wandelen om de afstand tussen die twee heuvelachtige gebieden te overbruggen. Achter ons kunnen we achter de huizen van Giromagny nog de groene heuvels van de laatste uitlopers van de Vogezen zien. We hebben voorlopig het beboste gedeelte van onze dagetappe achter ons gelaten, en begeven ons naar het volgende dorpje op onze route. De smalle spits van het plaatselijke kerkje wijst ons al de weg. Het is een rustig plaatsje, waar hoogstwaarschijnlijk geen buitenlander langs zou komen als de GR 5 er niet toevallig doorheen zou lopen. Het heet Lachapelle-sous-Chaux en bestaat naast het reeds vernoemde gebedshuis uit enkele tientallen huizen. Buiten een paar katten, wat kippen en enkele geiten in een wei beweegt er zich omzeggens niets. We laten het plaatsje achter ons en merken dat de weg stilaan omhoog gaat. Het is al 16u en boven gekomen, krijgen we meer zicht op wat ons nog te wachten staat. Voor ons strekt zich een beboste vlakte uit, doorspekt met grotere en kleine meertjes en op de achtergrond rijst de donkere hoogte van het Salbert massief boven dit alles uit. Daarachter is de lucht nog steeds erg donker en nu en dan zien we een bliksemschicht door de wolken flitsen en horen we de donder rommelen. Hopelijk blijft die rotzooi ginder hangen en blijft het bij die éne bui voor vandaag. We laten de verharde weg weer achter ons en begeven ons door de bossen heen langs de oever van één van de meren. Stilaan komen we wat meer volk tegen.

Als we verderop langs het Etang de la Véronne lopen, komen we blijkbaar in een viswedstrijd terecht. We proberen hier langs de waterrand te wandelen, maar moeten regelmatig uitwijken voor de vele tenten, die die watersportbeoefenaars hier opgesteld hebben. Sommigen hebben er blijkbaar een daguitstap van gemaakt, want hier en daar worden reeds vuurtjes gemaakt om de vangst op te barbecuen. Het is dan ook al 16u30 en we beginnen niet alleen honger, maar stilaan ook wat meer dorst te krijgen. Water hebben we nog wel, maar dat is niet echt het vocht waar we naar verlangen. We komen even later wel uit bij de ingang van het park aan de verkeersweg tussen Sermamagny en Bas-Evette. Deze moeten we nu even zuidwestwaarts volgen.In de verte langs het meer merken we plots een rose vlekje. Als we dichterbij komen, merken we dat het een gebouw is, en niet zomaar een gebouw. Op de opvallend felrose gevel staat geschreven ‘Auberge du Lac’ en dat is nu juist wat we nodig hebben. Op het eind van het meer komen we tenslotte uit bij de herberg; en het is inderdaad een café, en nog niet zo een kleintje. We vinden aan de achterkant en groot terras en zetten ons aan de rand van het meer aan een tafeltje, waar we even later genieten van een koele dronk.

Vlak na een spoorwegovergang, komen we in Bas Evette terecht. We hebben nog maar een kleine 2 kilometer te lopen, en dat hebben we dan ook in een klein half uur achter de rug. Terwijl de donkere massa van het Salbert massief dichter en dichter komt, kunnen we nu ook de grote toren met antennes, radar en wat weet ik al niet meer onderscheiden op de top. Het is nu 18u en tijd om er een eind aan te maken vandaag. We moeten nog ons hotelletje zoeken en ons daar installeren. De bedoeling was ook om vandaag een bezoekje te brengen aan Belfort, waar we ons avondmaal gaan nemen. Nadat we onze schoenen in de koffer gestoken hebben, vertrekken we richting Offemont. Dit is een klein plaatsje iets ten noordoosten van het grote Belfort, waar ik voor twee nachten enkele hotelkamers besproken heb. Om 19u30 verlaten we het hotel en rijden naar de oude stad van Belfort voor ons avondmaal.In Belfort werd een pracht van een leeuw uitgehouwen en in de rotsen onder het kasteel geplaatst. Wij slenteren nu rond over de versterkingen vanwaar we een mooi zicht hebben over de stad met het massief van Salbert op de achtergrond. Om de leeuw in het vizier te krijgen (toch geen té moeilijke opdracht, want hij is 22 m lang en 11 m hoog) moeten we toch even zoeken, maar als we wat verder naar de oude binnenstad afgedaald zijn, zien we hem toch in al zijn glorie prijken boven de stad

 

 

 

51. Salbert - Vandoncourt (39,6km) : 25 Mei 2001

 

We geraken om 9u45 ons vertrekpunt. Een kleine 5 minuten later zijn we al vertrokken.We beginnen al onmiddellijk de dag met een vrij steile beklimming naar de Mont Salbert. 210 m Hoogteverschil moeten we hier tijdens onze eerste kilometer overwinnen. Over een houten brug komen we op de top van de heuvel terecht. De topogids beloofde ons vergezichten in alle richtingen (Belfort, de Vogezen, de Jura, het Zwarte Woud, ja … zelfs de Alpen), maar we weten uit ervaring dat we ons daar niet teveel moeten door laten leiden, zeker als het desbetreffende boekje van 1991 is (dus al een tiental jaren oud). En jawel, er zijn inderdaad interessante vergezichten, vooral naar het zuiden toe richting Montbéliard, kunnen we een eind over de vlakte zien, maar de warmte maakt dat het zicht in de verte nogal heiig wordt. Spijtig genoeg krijgen we niet echt een zicht op Belfort (de bomen zijn meestal wat te hoog om erover te kunnen kijken), en ook de Vogezen en het Zwarte Woud kunnen we niet echt onderscheiden. De Alpen kunnen we wel helemaal vergeten. De table d’ oriëntation maakt ons het één en ander wat duidelijker, maar na vijf minuten hebben we het hier wel gezien en laten we het vrijende koppeltje dat zich hier tevergeefs kwam verstoppen, weer alleen.

We passeren de overblijfselen van het vroegere fort en even verder wijzen de roodwitte streepjes weer naar beneden. En dan dalen we de voorlopig laatste heuvel voor de Jura af. Dat gaat een stuk vlotter dan daarstraks, en maar goed ook. We lopen door het Bois de Salbert zuidwaarts. Al snel komen we bij de laatste bomen van het bos en laten tenslotte het bos achter ons. We steken een kanaal en een verkeersweg over. Het is niet verwonderlijk dat men hier van die kunstmatige waterwegen gegraven heeft. We bevinden ons hier zoals gezegd in een laaggelegen gebied, dat toch de scheiding vormt tussen twee grote stroomgebieden : die van de Saone/Doubs en die van de Rijn. Hier is dus de aangewezen plaats om die beide gebieden met een kanaal te verbinden. Dit exemplaar heet het ‘Ancien Canal de la Haute Saone à Montbéliard’ en vormt een verbinding tussen de bovenloop van de Saone en de Rijn. Of het nog in gebruik is, weten we niet maar het ziet er nog goed onderhouden uit. Aan de andere kant komen we al snel de eerste huizen van Châlonvillars tegen. Het is 11u20 en de zon staat alweer hoog aan de hemel.

Dit is weer echt anders wandelen dan die vorige kilometers in de Vogezen. Een plat landschap met op regelmatige afstanden een dorpje en af en toe wat groen om in de schaduw te kunnen lopen. Geen panoramische vergezichten, maar achter elke hoek is er wel wat nieuws te beleven. Iets verder verandert de asfaltweg in een zandweggetje en we bevinden ons weer in de natuur. Bij een bronnetje staat een bordje met de naam ‘Fontaine de la Baraque’. Terug maar weer het bos in en op weg naar ons volgende punt van interesse. En dat laat niet lang op zich wachten. Langs de weg hadden we iets terug al platen gemerkt, die ons verwezen naar de Croix des Femmes. Een oud stenen kruis duidt hier de plaats aan waar op 17 augustus 1792 de echtgenote en 2 dochters van Jean-François Bourgeois, burgemeester van Genechier, tijdens een onweer getroffen en gedood werden door de bliksem. Voor ons zien we op een heuvel tussen de velden al het volgende dorp liggen : Eschenans-sous-Mont-Vaudois. Aan de zijkant van het laatste gebouwtje van het dorp zie ik plots een waterkraantje. Het is geen privé-huis, dus we menen hier dan toch even onze waterflessen te kunnen vullen. Tot onze verrassing is het kraantje ook echt voor ons hier geplaatst. Boven het ding namelijk hangt een plakkaat met daarop geschreven : Eau Potable – Trinkwasser – Drinking Water en de aanduiding GR - Circuit Communal (Openbare Waterleiding ?). Daarbij weten we nu ook dat we 717 km van Amsterdam (?) en 560 km van Nice zijn. Vol verwachting steken we onze drinkbus onder de tap en … er komt niets uit ! Dan hadden ze het ding er best helemaal niet geplaatst. Wat een desillusie. Gelukkig hebben we niet eerst snel al onze flessen leeggedronken. Tot het volgende dorp zullen we nog wel geraken. Hopelijk hebben we daar meer geluk.

Een fikse klim brengt ons in het Bois des Ordons, waar we de weldoende koelte van de schaduw weerom appreciëren. We zijn zo intensief bezig de grote plassen te vermijden op deze bosweg, dat we niet onmiddellijk de groep wandelaars zien zitten, die hier aan het piknikken zijn. Jawel, het zijn onze Westmalse landgenoten weer. We blijven even babbelen en krijgen wat eten en drinken aangeboden. Een stukje kaas gaat er natuurlijk altijd in ! We praten even over het weer en de route. Ze zijn ook van plan om vandaag tot Fesches-le-Châtel te wandelen, zoals wij oorspronkelijk wilden doen. Na een tiental minuutjes gaan we om 13u30 verder door. We bereiken al snel de rand van het bos en zien in de verte voor ons al de huizen van Brévilliers liggen, ons volgende doel. Het dorpje ziet er helemaal verlaten uit, wat trouwens meestal het geval is met de Franse dorpjes tussen 12 en 15u. Zonder veel leven te zien, komen we om 13u45 in het centrum van het dorp terecht. Zoals in alle Franse gemeenten komen we ook hier een heldhaftig gedenkteken tegen dat de gesneuvelde telgen van deze bodem eert. Een pracht van een blauwe ‘poilu’ staat op een sokkel op het dorpsplein heldhaftig rond te kijken.

Na de picknick doen we om 14u15 onze rugzakken weer om en gaan verder. Na een korte klim zijn we het dorp uit en komen uit op een vlakte. Van de beschrijvingen van de topogids en van andere GR 5 wandelaars op het internet, had ik eigenlijk niet zoveel verwacht van de etappe van vandaag, maar het meer als een noodzakelijke overgangsdag tussen Vogezen en Jura beschouwd. Het valt echter allemaal erg mee. En dan stappen we weer de koelte in van het volgende bos. Een honderd meter in het bos slaan we links af en komen de eerste van een reeks grensstenen tegen van ongeveer een meter hoog (de oude grens tussen Frankrijk en het graafschap Montbéliard). Tot 1793 zou het bij Württemberg (en het Duitse Keizerrijk) blijven behoren en eigenlijk Mömpelgard heten. Langs de rechte bosweg komen we nog een flink aantal van die grensstenen tegen. We bevinden ons nu in de open velden rond Châtenois-les-Forges en passeren al snel de eerste huizen van het plaatsje. We gaan echter niet door het centrum, maar verlaten iets voor de bebouwde kom de hoofdweg en gaan via velden en weiden naar de zuidelijke rand van de agglomeratie. Hier komen we tenslotte rond 15u40 uit bij een kruispunt met een stenen kruis. We laten Châtenois achter ons en gaan langs een halfverharde weg zuidwaarts. Recht voor ons kunnen we de huizen van de voorsteden van Montbéliard onderscheiden (Grand-Charmont). Na een twintig minuten passeren we de eerste woningen van Nommay en we zetten ons even neer bij (alweer) een monument van ‘la Commune de Nommay à ses enfants morts pour la France de 14-18, de 39-45, les fusillés et les décédés des suites de déportation’.

We bevinden ons nu helemaal onder in de vallei van la Savoureuse, het riviertje dat door Belfort stroomt. We komen weer het Canal de le Haute Sâone à Montbéliard tegen. En deze keer blijven we ze vergezellen. Via een mooi verhard fietspad langs het water hervatten we onze weg zuidwaarts. In een grote bocht verandert onze richting van zuid- naar oostwaarts. Na zo 2,5 km langs het water gewandeld te hebben, maken we plots een scherpe bocht en komen uit bij een verbreding in het kanaal.Na ecluse n°1 blijven we aan dezelfde kant van het kanaal en het benieuwt me hoe we nu aan de andere kant zullen geraken. Het kanaal maakt een rechte hoek en dan zien we een andere sluis, Ecluse n° 10. Deze steken we over om verder te wandelen naar het volgende dorp : Fesches-le-Châtel. Na een kwartiertje lopen we langs (weeral) een openbare wasplaats Fesches-le-Châtel binnen. Fesches-le-Châtel is een naam die elke GR 5-wandelaar bekend in de oren moet klinken. Het is niet alleen het einde van de topogids ‘Crête des Vosges’, maar ook een soort van symbolisch halfwegpunt tussen de Noordzee en de Middellandse Zee (hoewel het niet écht halfweg ligt). Terwijl we langs de asfaltweg recht naar het kerkje met de spitse toren lopen, heb ik het gevoel dat er een belangrijk hoofdstuk afgesloten is van ons GR 5 verhaal.

Voor vandaag echter zijn we nog niet klaar. We hebben nog een flink stuk te gaan en het grootste deel ervan door het bos. Fesches-le-Châtel is eigenlijk een vrij grote gemeente, maar we raken er eigenlijk slechts de rand van. En het is direct klimmen. De wegaanduidingen zijn goed en het tempo ligt hoog. Het grote Bois de Fahy bedekt ons als een groot, groen deken. Het eindpunt komt dichterbij. Uiteindelijk komen we rond 19u uit aan de bosrand en zien in de verte het kerkje van Dasle. We blijven eerst nog een tijdje aan de rand van het bos lopen en dalen dan af naar het plaatsje. We passeren een kerkhof (er is nog plaats genoeg voorzien), steken een spoorlijn over en bereiken de eerste huizen van het plaatsje. De laatste kilometers gaan, om in schoonheid te eindigen, natuurlijk weer omhoog. Hoewel Dasle en Vandoncourt in vogelvlucht slechts een dikke kilometer van elkaar liggen, scheelt het in hoogtemeters toch weer een 60 meter.Voor vandaag houden we voorlopig wel voor gezien. We lopen de asfaltweg nog verder af tot we om 19u30 in het centrum van Vandoncourt bij een kruispunt uitkomen dichtbij de kerk. Na bijna 10 uren kunnen we onze wandelschoenen eindelijk uittrekken en, al wandelen we graag, het doet toch deugd ! Ons opfrissen en omkleden is na een week oefening ook maar het werk van nog geen uur, en dat maakt dat we reeds om 21u30 in het centrum van Belfort terug aan een tafel zitten in restaurant ‘Boeuf-Carottes’.