GR 5 : Lotharingen

 

 

 

 

 

26.Hellange (Lux) - Escherange (Fr) (23,8 km) : 6 Oktober 2000

 

Inleiding : Eindelijk is het dan weer zover : omdat het al 2 jaar zo goed is meegevallen, kunnen we het niet laten om ook dit najaar er weer tegenaan te gaan. Vorig jaar hebben we ei zo na het Groothertogdom Luxemburg kunnen afwerken en dit jaar gaan we de draad daar weer opnemen. Op papier ziet het er niet zo interessant uit. Zuid-Luxemburg en de streek ten zuiden daarvan langs de Franse Moezel hebben een bijklank van zware industrie en verloren gegane glorie. Longwy, Thionville en Metz waren trouwens de grote staal-steden in dit ‘Pays du Fer’. Maar we betrouwen erop dat de routemakers van de GR niet de vele bossen terzijde hebben laten liggen, die de heuvelruggen op de linkeroever van de Moezel (de Côtes de Moselle) hier bekronen en als we de kaarten bekijken, denk ik wel dat we ons deel van groen en natuur zullen doorkruisen.

We beginnen om 10u met z’n vieren aan de eerste wandeldag in Frankrijk. Het is misschien wat voorbarig, want we moeten eerst nog een stukje door Zuid-Luxemburg, daar onze startplaats in Hellange ligt. Nadat we eerst de werken van een nieuwe snelweg (de latere A13) hebben moeten omzeilen, komen we al snel bij de brug over de E 25.

Aan de overkant beginnen we aan onze grote tocht rond Dudelange. In Burange houden we even een drinkstop in de taverne ‘du Mont Saint Jean’ en dan gaat het verder naar de Gehaansbierg. Via een kruisweg beginnen we aan de beklimming en we laten ons verleiden om tot op de top te gaan, hoewel de GR 5 wat eerder wegdraait. Boven beklimmen we de metalen uitzichttoren en genieten van het uitzicht over Zuid-Luxemburg.Wat later picknicken we tussen de ruines van de 15e eeuwse burcht aan de voet van diezelfde toren. Na 20 minuten wordt het toch wat frisjes en we dalen de heuvel af om de GR weer op te pikken in het natuurreservaat ‘Haard’.We lopen bovenlangs het dorpje Tétange en laten even verder na een korte regenbui de laatste bebouwing van het Groot Hertogdom Luxemburg achter ons.

Midden in het bos komen we een eerste roodwitte merkteken tegen en dan staan we voor een bord dat enkele meters boven de grond aan een boom hangt. We worden hier door de Club Vosgien verwelkomd bij onze aankomst in Frankrijk en eraan herinnerd dat we al meer dan 1000 km GR 5 achter de rug hebben, maar tegelijkertijd nog meer dan 1300 km te gaan hebben. Iets verder komen we aan de rand van een klein beekje bij een grenssteen uit; de letters F en L staan aan weerszijden van het blok : dit zal dus de eigenlijke landsgrens van onze zuiderbuur zijn. Met één stap zijn we aan de overkant en laten Luxemburg achter ons. Bijna 8 dagen en vele km hebben we langs de vele mooie wegen en paden van het Groothertogdom gegaan en genoten van praktisch elk moment ervan.

De eerste kilometers leiden ons over modderige wandelwegen tot we tijdens een volgende regenbui een jagershut zien, waar we onmiddellijk gebruik van maken om te schuilen. Via het plaatsje Molvange, brengt de GR ons tenslotte tot dicht bij Escherange. Dit plaatsje ligt op de vroegere Maginot-linie. De bevolking werd in 1939 geëvacueerd en het dorpje werd tijdens Wereldoorlog geheel verwoest, waarna het terug heropgebouwd werd. Vandaar het vrij moderne kerkje. Het is bijna 17u als we onze tweede voertuig in Hellange gaan ophalen en naar ons hotel rijden in Hagondange.

 

 

27. Escherange - Rosselange (30,4km) : 7 Oktober 2000

Meer dan een half uur te laat vatten we etappe 2 van onze driedaagse aan. Even buiten het dorp vinden we het merkteken terug, waar we gisteren de GR 5 verlaten hadden. Terwijl we weer omhoogklimmen uit het dal, verdwijnt het dorp snel uit het zicht achter ons. Langs het wandelpad vinden we slechts één betonnen versterking in het bos en daarbij zal het voor ons dan ook blijven wat betreft de befaamde Maginot-linie. Zonder veel oponthoud bereiken we in het Bois d’en Haut de kam van de plaatselijke Côtes de Moselle. En dan komen we plots voor een verrassing te staan : rechts van het bospad hangt een bord van de Club Vosgien. Het meldt ons dat omwille van ‘travaux’ verderop de GR 5 hier tijdelijk omgelegd wordt via Angevillers en of we zo vriendelijk willen zijn deze alternatieve weg te volgen. Dat valt ons wel erg tegen. Zo gaan we hoogstwaarschijnlijk het Bellevue (met panoramisch zicht op de Moezelvallei met Thionville) missen. Er wordt even vergaderd over de te nemen route, en met algemeenheid van stemmen besluiten we de oorspronkelijke GR 5 te volgen, kome wat komt !

Uiteindelijk komen we op een asfaltbaan uit. Het pad lijkt gewoon de weg over te steken en rechtdoor het bos weer in te lopen, maar men heeft daar het pad effektief versperd met zware boomstronken, zodat er echt geen doorkomen aan is. Dat is dus wel duidelijk : we moeten zelf een weg zoeken. Dan merken we een tele-communicatie zendmast op achter ons tussen de bomen en houden die achter ons terwijl we weer het bos ingaan. En jawel, na enkele honderden meters komen we uit bij de rand van de werken, waarvoor de omleiding van daarstraks bedoeld was. Het is reeds 10u30 voorbij als we de kop van de vallei van de rivier de Fensch inwandelen. We kunnen iets verder een rustige weg inslaan en iets veiliger onze weg vervolgen. En hier komen we dus voorbij de eerste duidelijk tekens van het rijke, industriële verleden van deze streek. Links van de weg worden de oude installaties van de “Mine de Rochonvillers” stilaan terug ingenomen door de natuur. De grote, grijze gebouwen staan er nog, maar het groen van de grassen en planten begint reeds grote delen van de oude fabriek te overwoekeren. Hoger in de vallei bevinden zich nog vele ingangen van oude mijnen, waar in vroegere jaren het ijzererts werd gewonnen dat in deze fabriek bewerkt werd. We wandelen zo verder langs het pad, met aanwijzingen dat er links en rechts van ons zich oude mijningangen moeten bevinden, maar een echte oude ingang krijgen we niet te zien. Wat we wel zien, is dat de GR 5-omleiding via Angevillers zich hier terug bij ons voegt. Ik denk wel dat we door de oude weg te volgen, enkele kilometers uitgespaard hebben.

Op een bepaald moment komen we plots uit het bos op een open plek. Links van ons in de vallei zien we het plaatsje Algrange in het dal liggen. Doorheen de nog steeds niet helemaal opgeloste nevelen, zien we de vele typische arbeiderswijken liggen. Hier in de buurt moet trouwens nog één van die mijningangen (la mine de Ste Barbe) zijn, die nu gesloten zijn, maar vinden doen we ze niet. Een kwartiertje verder komen we plots op een groot groen gazon uit. We zien rechts van ons een Mariagrot en links, uitkijkend over de Fenschvallei een gekruisigde Christus. De grot verbergt een oude ingang van een mijngalerij. We weten dat Fontoy ergens juist voor ons in de vallei moet liggen, maar kunnen het voorlopig nog niet zien, want we moeten eerst de velden nog door. Wat we wel zien is een prachtig panorama over de hele streek ten westen van het dorp.

Het stadje ligt mooi in een vallei genesteld, maar lijkt stilaan uit zijn voegen te barsten, want de nieuwste bebouwing heeft ondertussen al de plateaurand aan de andere kant van de vallei bereikt. We verlaten al om 13u30 het plaatsje via kleine straatjes met trapjes en een doorgang onder een spoorweg door. We stijgen in een minuutje plots enkele tientalen meters boven Fontoy uit. We komen uit bij een standbeeld van de Maagd Maria en een prachtig zicht over de omgeving. Even later komen we vlakbij de snelweg uit, maar juist voor we op het asfalt terechtkomen, draaien we weer het bos in.

Na een aangename wandeling komen we aan de rand van het bos uit, waar we op de scheiding van akker en bomen verder gaan, om tenslotte na een lange bocht, uit te komen aan de buitenwijken van Neufchef. We blijven even buiten het eigenlijke centrum, maar tot onze opluchting komt onze route toch voorbij een café, met de klinkende naam ‘Chez Claire’. Van dat mooie weer hebben we ondertussen toch een flinke dorst gekregen. Met weemoed denken we terug aan vorig jaar in de Haute Savoye en de halve liters (un ‘sérieux’) die we daar konden bestellen. Als even later een rondborstige Claire zelf onze bestelling komt opnemen, peilen we even of er misschien ook hier een halve liter kan besteld worden. En jawel, pinten met deze hoeveelheid heten hier ‘un baron’, en het duurt dan ook niet lang of er staan 4 baronnen voor onze neus. Na ons gebruikelijke halfuurtje nemen we afscheid van Claire en stappen we verder het plaatsje uit.

Wat verder zien we plots iemand gebukt tussen de bomen staan met en stok en een flinke mand in de hand. Bij nader toezien blijkt het een paddestoelen-plukker te zijn. Nieuwsgierig als we zijn, vragen we hem welke soort hij aan het verzamelen is. Hij zegt dat hij de echte of wetenschappelijke naam niet kent, maar hier noemt men de soort “chausettes” (sokjes). We steken een kruispunt over en gaan nu een valleitje in, dat ons uiteindelijk bij ons einddoel van vandaag zal brengen : Rosselange. Eindelijk komen we op een asfaltweg uit, die ons tenslotte terug in de bewoonde wereld brengt.

 

 

 

28.Rosselange - Lorry-les-Metz (26,8km) : 8 Oktober 2000

 

De klokken zijn aan het luiden, als we om 10u aan onze wandeling beginnen. Terwijl Rosselange achter ons in de diepte verdwijnt, laten wij de vallei van de Orne achter ons. Een kilometer of zo verder komen we in het gehucht Guisbonnes. Er staan hier flink wat mooie huizen langs de weg, en het is hier gelukkig erg rustig, zodat we zonder problemen midden op straat kunnen wandelen. Via een steile trap laten we de beschaving achter ons en blijven nu op hoogte langs de wand van de vallei lopen. Weerom moeten we regelmatig grote plassen omzeilen, en moeten we door de klimop lopen, die ook hier samen met vele braambesstruiken grote oppervlakten van de bosgrond bedekt. We volgen een breed bospad en komen wat later langs de rand van het bos bij een grote sport-infrastructuur uit. We bekijken het even van dichterbij en zien naast wat volley- en voetbalvelden ook de ‘grootste’ (?) klimmuur van Europa. Het heeft de vorm van een grote rotspiek en ziet er inderdaad wel indrukwekkend uit.

Aan het eind van een valleitje komen we uit bij het ‘Parc des Loisirs’ van Fond-Saint-Martin. Hier, in deze groene omkadering, komen de mensen van Rombas en omstreken zich waarschijnlijk ontspannen. Ook deze zondagvoormiddag – het is nu iets na elven - zien we hier jonge koppels met kinderen en groepjes oudere burgers op hun gemak rondwandelen. Aan alles is te merken dat we hier weer dichter bij de beschaving zijn, maar gelukkig maakt de GR hier weer een draai richting natuur. Voor we echter weer het bos in verdwijnen, komen we weerom een autochtoon tegen met een mega-mand aan de arm en een flinke stok in de hand. En jawel, als we naderbij komen, zien we weer diezelfde bruine paddestoeltjes erin liggen. We raken nogmaals in gesprek, en we proberen nu eens uit te vissen welke soort hij hier eigenlijk aan het plukken is, maar weerom komen we slechts te weten dat het hier om ‘chausettes’ gaat. Een wetenschappelijke naam weet de fransman ons niet te geven.

Het gaat weer eens flink bergop tegen de helling van de Côte de Drince op. Het weer is niet zo goed als gisteren; het is erg bewolkt, maar het blijft voorlopig toch droog en dat is het voornaamste. Dan begint er uiteindelijk meer licht tussen de bomen door te filteren en zien we eerst de voet en wat later de rest van de enorme metalen toren, die hier op de top van de heuvel staat, de Tour de Drince. De toren is een indrukwekkende 25 meter hoog en dat is nodig, want de omringende bomen reiken zelf tot een dikke 15 meter in de hoogte. Als we er boven op staan, hebben we een prachtig panorama van de weidse omgeving. Heel de vlakte waar de Orne en de Moezel samenkomen ligt aan onze voeten. Vanop deze hoogte kunnen we zelfs nog de klimmuur van de Fond-St-Martin nog herkennen in de diepte. Vanuit de heldere wereld van de top van de toren, dalen we weer af in het schaduwrijke, groene bos. Het klimmen is achter de rug; we kunnen nu verder op de kam van de Côte zuidwaarts stappen. Op regelmatige afstanden zien we langs het pad stenen staan. De topogids vertelt ons dat dit grensstenen zijn uit de 11e eeuw, waarvan sommigen een Maltezer kruis dragen. De stenen zijn inderdaad al erg oud, want het duurt even voor we er één vinden met iets dat op zo een kruis trekt. We komen plots uit bij enkele ijzeren deuren; we verstaan dat het hier gaat om streng verboden toegangen tot onderaardse gangen.

We trekken terug het bos in en komen na een kleine kilometer uit op een kruispunt van een zestal boswegen, ‘la Croix David’ genaamd. We dalen weer verder het valleitje af en komen langs enkele huisjes (volgens de topogids oude mijninstallaties), voordat wetenslotte enkele honderden meters verder om iets na twee het plaatsje Ternel binnenstappen. Voor we het goed beseffen zijn we het oord al doorgewandeld en bevinden we ons weer tussen de velden in de vallei van de Ruisseau de Bitteron. Ternel zal ons echter toch nog een goede herinnering meegeven : eindelijk na twee en een halve dag wandelen komen we nu de eerste fruitbomen tegen. Een pruimen- en enkele notenbomen. De pruimen zijn praktisch allemaal overrijp, maar tussen de notenbomen valt wel wat te rapen. Evenwijdig aan een hoogspanningslijn blijven we nu meer dan een kilometer tussen de velden lopen.We krijgen hier weer een prachtig zicht op de vallei van de Moezel voor ons, tot we bij een afsluiting gekomen rechtsaf langs de rand van een bos worden geleid. We overschrijden een hoogte en komen dan bijna onmiddellijk in het dorpje Fèves terecht. Na enkele minuten zijn we het plaatsje al door. Het is best nog een aangenaam weertje; er zijn wel veel wolken, maar het is heerlijk om te wandelen : niet te warm of niet te koud.

We zijn nu voorlopig de grote bossen van de Côtes de Moselle uit, en moeten de volgende kilometers wat dichter bebouwd gebied door. Wat we nu ook meer en meer tegenkomen en eigenlijk al een paar dagen gemist hebben, zijn fruitbomen. Als we enkele honderden meters voorbij Fèves zijn gekomen, zien we aan de kant van de weg onze eerste appelbomen. We zoeken even onder de bomen tussen de vele afgevallen vruchten, maar prefereren toch er enkele van de takken zelf te plukken. Tenslotte bereiken we om half vier Norroy-le-Veneur. Bij een kruispunt met een volgeladen pereboom verlaten we de weg en gaan weer door de velden. Onderweg komen we nog voorbij een gerestaureerde toren, die waarschijnlijk vroeger een duiventil is geweest. Ondertussen is het stilaan beginnen miezeren. Om 16u10 komen we in het volgende plaatsje terecht : Saulny, onze laatste stop voor het eindpunt van onze driedaagse. Langs een klein beekje worden we het dorp uitgeleid, en wat verder slaan we achter een huis met zwembad in aanbouw rechtsaf en gaan via een glibberig pad voor een laatste maal de velden in. Op het pad merken we een wat dikke pier op. Het is een fel kronkelende hazelworm, die zich snel uit de voeten (?) probeert te maken. Wij steken nog wat akkers over en komen aan de rand van een bos, vanwaar we tenslotte de torenspits van de kerk van Lorry-lès-Metz in het vizier krijgen. De GR 5 doet ons nog wat links en rechts draaien langs kleine paadjes, en voordat we de laatste klim aanvatten, krijgen we dan toch nog een plensbui over ons heen. Net genoeg om goed nat te worden voor we om 16u50 bij onze auto uitkomen langs de weg van Lorry naar Amanvillers. Achteraf blijkt dat het hier in België heel de zondag ‘ouwe wijven’ geregend heeft; daar zijn we toch mooi aan ontsnapt ! Zeker en vast

 

 

29. Lorry-lès-Metz - Gorze (21,2km) : 19 September 2003

 

„De D51 naar links volgen en tegenover huis nr. 163 rechtsaf langs enkele trappen ...“ Moeilijk kan dat niet zijn ! Enkele meters verder vinden we al snel het huisnummer 163 en recht ertegenover bevinden zich inderdaad enkele trappen, die naar een wandelpad leiden. Met goede moed beginnen we aan de zeer steile klim die onze gids ons belooft. En inderdaad, een betere opwarmer hebben we ons niet kunnen dromen.

Op ons kaartje zien we dat we eigenlijk langs de oostelijke zijde van het fort de Plappeville, dat zich ergens hier bevindt, moeten geraken. We komen nog een metalen koepeltje tegen (waarschijnlijk een observatiepost), maar merken verder bitter weinig van de uitgebreide verdedigingswerken van het fort. Na een kwartiertje stappen komen we dan toch uit op asfalt, en tegelijk beseffen we dat we hier misschien eigenlijk toch niet gewenst zijn ! Borden met „Acces interdit“ en „Terrain militaire“ proberen ons duidelijk te maken, dat we echt wel niet meer op de GR zitten. Er zijn echter geen patrouilles of andere individuen, die ons hier weg willen, dus we gaan rustig verder bergaf en passeren trouwens nog een frans koppel, dat er in het geheel niet militair uitziet ! We komen om 12u30 tenslotte uit op een vrij groot kruispunt, de Col de Lessy. Het is een laagte tussen het Fort de Plappeville en een ander (oud) verdedigingswerk, het ancien-fort Gérardin op de Mont St. Quentin.

Zoals we al weten van de vorige maal dat we hier wandelden, bezit deze streek vele fruitboomgaarden. En jawel, op weg van Lessy naar ons volgende doel, Scy-Chazelles, passeren we al snel enkele notebomen. Op de grond zien we nog niet veel noten liggen, maar hogerop beginnen de vruchten stilaan uit hun zomerjasje te komen. Iets verderop hebben we weer geluk. Een pruimenboom langs de weg heeft al vele van haar rijpevruchten laten vallen, maar gelukkig hangen er aan de takken nog vele andere. Weer een paar honderd meter verder strekt een wijnstok zijn wijnranken omhoog in een oude wilg. De trossen dragen wel geen dikke druiven, maar ze zijn niet minder lekker en er zitten slechts enkele pitten in per vrucht.

Na een korte wandeling komen we dan voorbij de eerste huizen van het dorpje Scy-Chazelles. Boven de ingang van het beschaduwde voorpleintje van een grote burgerwoning bevindt zich een uithangbord “Au Petit Tonneau”. Het is al 13u10 en we besluiten ons hier neer te zetten en onze boterhammetjes op te eten en weg te spoelen met een fris, plaatselijk wijntje.We bestellen een karafje wijn, een plaatselijk product, genaamd ‘Gris de Toul’, dat jong gedronken wordt. En dat komt goed uit, want we zijn niet van plan het erg oud te laten worden ! Het huis van Robert Schuman, de man die een verenigd Europa hielp ontstaan, missen we. Wel komen we om 14u20 uit in het recent vernieuwde centrum van Moulins-lès-Metz. We naderen de Moezel hier voor het eerst sinds Remich in het Groothertogdom tot op een 100 meter, maar gaan niet naar de brug over de rivier.

De roodwitte kleuren leiden ons nu tot bij een merkwaardig verschijnsel : een brug over … niets. Er is slechts een groot grasveld te zien en toch is er hier een brug met verschillende bogen ! De Moezel (la Moselle hier) is een oude rivier en in de loop der eeuwen heeft die haar meanders reeds verschillende malen verlegd. Vroeger stroomde de machtige stroom namelijk hierlangs, waar wij nu met droge voeten voortwandelen. De GR leidt ons de weg af en brengt ons tot bij een infobord. We bevinden ons hier aan de ingang van een heus natuurgebied, namelijk dat van ‘Le Marais du Grand Saulcy’. Ook dit was ooit een meander van de Moezel, maar nu is er slechts een moerassig gebied overgebleven, waar toch niemand iets mee kan doen en wat anders dan er maar een natuurgebied van maken !?

We passeren eerst Ste Ruffine en daarna Jussy. Als we een klein bos uitwandelen en rustig door het landschap stappen, krijgen we ons volgende doel al in het oog : het vlekje Vaux. We dalen langzaam af naar het dorp en staan om 15u30, na het passeren van de obligatoire wasplaats (in de Rue du Grand Lavoir toch niet zeker !), bijna onmiddellijk in het centrum bij de St. Rémy kerk op de Place de la Mairie. En er staan hier belangrijke gebeurtenissen op til: men is een kermis aan het opstellen en die bestaat voorlopig uit zegge en schrijve één paardenmolen. Veel meer kan er trouwens toch niet op het pleintje ! We wandelen verder tot we in de verte het kerkje zien van Ars-sur-Moselle. Als we de hoofdweg blijven volgen, komen we zeker langs een oude Romeinse aquaduct. En jawel, na een kwartier stappen langs de baan, zien we rechts van de baan een eerste teken opduiken van de Romeinse tijd : één steunbeer van het aquaduct staat in de steigers en is dus bijna niet te zien. Men zal zeker restauratiewerken aan het uitvoeren zijn. Iets verder zien we een ander deel van het Romeinse waterwerk en dat is al heel wat indrukwekkender; er staan nog verscheidene bogen van het kunstwerk recht en we krijgen zo wel een aardig idee van hoe het er vroeger moet uitgezien hebben.

Maar eerst komen we nog bij een ander monument uit. Op een kruising van landwegen staat een eenvoudige, ongeveer 3,5 meter hoge obelisk. Het is een overblijfsel van de Frans-Duitse oorlog van 1870-71. Het vermeldt (in het duits) dat er hier 26 duitsers en 3 fransen, allen dappere krijgers, rusten in vrede. Eén of andere onverlaat heeft hier ‘deutsche’ weggebeiteld en zo laten merken aan ieder die hier langskomt, hoe kleinzielig nationalisme wel kan zijn! Enkele tientallen meters verder gaan we dan juist langs het befaamde Romeinse aquaduct. Het is een bouwwerk uit de eerste eeuw na Christus, en voerde water aan van de bronnen in Gorze naar Metz (het Romeinse Divodurum). We komen voorbij de ‘Pierre tournante’ (en niet de Pierrre de Tourneau, zoals ik op een nederlandse website eens las).

Een kwartier later komen we op een open plek uit, waar een infopaneel ons duidelijk maakt dat we in het Regionaal Natuurpark van Lotharingen zijn. We worden even het bos uitgeleid en komen om 17u50 op een open plek uit bij een groot monument uit in de vorm van een kruis. Het is het Croix Saint-Clement. Op het kruis kunnen we na een hele poos ontcijferen dat hier de heilige Clément na een lange reis om Metz te evangeliseren, eindelijk de stad in zicht zou gekregen hebben (en inderdaad, in de verte kunnen we tussen de bomen en heuvels door een deel van de stad onderscheiden), en uit dank op zijn knieën gevallen zijn op een rotsblok. En jawel, op een wit rotsblokje naast het kruis zien we een paar ondiepe indrukken, die daar vele eeuwen geleden zouden nagelaten zijn door de heilige. Stevige knietjes, moet ik zeggen!

En dan beginnen we aan onze laatste etappe. De rest van de tocht verloopt geheel zonder avonturen.We bevinden ons al snel in het plaatsje Gorze. Snel de "Hostellerie du Lion d'Or" opgezocht, lekker avondeten met een sorbet met mirabellen (en wat sterke drank erbij),nog een wandeling door Gorze en dan in bed.

 

 

30. Gorze - Montauville (35,8km) : 20 september 2003

 

Vandaag staat er ons een flinke wandeling te wachten. Snel zijn we het plaatsje uit en met het mooie (gouden ?) Maagd Mariabeeld op de Mont St.-Belin achter ons beginnen we aan de klim uit de vallei. Het pad door het Fôret Domaniale des Hauts de Gorze brengt ons al snel een 130 m hoger. De plantengroei is hier nog vrij jong, en het lijkt erop dat men hier ofwel pas nog veel gekapt heeft, ofwel dat de najaarsstorm van 1999 ook hier ferm heeft huisgehouden. De ondergroei is wel al wat opgekomen, maar er staan weinig grote bomen hier en er zijn er enkele bij die er niet echt gezond uitzien. Na een honderd meters stoten we op een medewandelaar. Wandelaar is wel een groot woord, want het dier heeft geen poten. We zien onmiddellijk dat het geen adder is, maar een ongevaarlijke hazelworm (Anguis fragilis).

Op een bepaald moment merk ik plots een soort van grensstenen op langs het pad. Ik denk eerst aan een gemeentegrens of iets dergelijks, en dat zal nu ook wel zijn, maar het betreft hier ook de grens tussen Frankrijk en Duitsland van 1871 tot 1918. Inderdaad, tot hier reikte het Duitse Keizerrijk nadat het in de Duits-Franse Oorlog zijn buur had verslagen en Elzas en Lotharingen had ingelijfd. Zoals gisteren met het monument voor de gesneuvelde soldaten, zijn er ook nu weer – waarschijnlijk – patriotische Fransen geweest, die de D (voor Deutschland) vakkundig hebben weggekapt van de grenssteen.

Het bospad, dat we nu weer in zuidelijke richting volgen, gaat bergaf en dat duidt erop dat we nu op weg zijn naar de vallei van de Mad. Vlak voor ons doemen het kerkje en de huizen van Bayonville-sur-Mad op. We zijn al snel bij de eerste huizen en bereiken een lavoire (oude openbare wasplaats) op een pleintje. Tijdens de najaarsstorm van 1999 zijn er in deze streek, en vooral in de bossen tussen Bayonville-sur-Mad en Pagny-sur-Moselle vele slachtoffers gevallen onder het geboomte en moest men de GR5, die er dwars door de bossen trekt, volledig omleggen via Onville en Villecey-sur-Mad. Zodoende liet men Pagny geheel links liggen en werd ook het dorpje Prény niet meer aangedaan. We moeten dus kiezen : ofwel volgen we de omleiding, die hier nog steeds aangegeven is, ofwel wagen we het erop en betrouwen we de boswerkers, die we daarnet bezig hoorden en volgen gewoon de oude GR 5. We laten de déviation voor wat ze is en gaan verder het dorp in richting kerk. Het is een typisch frans dorpje met veel bloemen en gelukkig ook een caféetje. Om 12u stappen we de herberg binnen en na wat nadenken bestellen we 4 Picons. Deze drank kennen we niet en we zijn altijd te vinden voor iets nieuws ! Zoiets hebben we dus nog nooit geproefd. Het heeft een wat zoetige nadronk en eigenlijk smaakt het best ! Picon is eigenlijk een soort van aperitief (18 °) op basis van sinaasappel, dat in een verhouding van 3 op 10 bij een soort blond bier gevoegd wordt.

Na een laatste blik op de vallei, trekken we terug het groen in. Het Bois Communal de Bayonville is een prachtig loofbos, met veel beuk en eik. We maken een bocht naar links en kunnen daar waar het bos minder dicht wordt, af en toe tussen de bomen door een blik werpen op de volgende vallei, die van de Ruisseau de Beaume Haie, een kleine beek, die bij Pagny-sur-Moselle in de Moezel uitmondt. Als we het bos uitkomen, zien we de stad met erachter de Moezel met zijn vele meertjes in het zonlicht glinsteren. We dalen verder af langsheen boom- en wijngaarden en bereiken zo om 13u25 aan de rand van Pagny een oratoire, gewijd aan de Heilige Maagd. De GR slaat hier scherp rechtsaf en we blijven buiten de bebouwde kom. Langs enkele jonge wijngaarden trekken we nu westwaarts naar ons volgende doel, Prény. Ook hier is de oorspronkelijke GR-route verlegd en misschien gelukkig maar. Zo worden we niet verplicht om de helling terug op te klauteren, maar blijven we in de vallei verder gaan. We besluiten in het centrum van Prény te picknicken. Het is immers al 14u15 en de honger begint te knagen. Daarenboven vinden we aan de kerk een prachtig uitzichtpunt over heel de vallei tot aan Pagny, de Moezel en de heuvels erachter. Boven het dorpje liggen hier op een hoogte de overblijfselen van een oude burcht. Een van oorsprong feodaal kasteel uit de 12e eeuw, die vandaar uit de Moezelvallei domineerde en lange tijd de voornaamste residentie was van de hertogen van Lotharingen. Zoals zovele burchten werd ook dit kasteel ten tijde van Richelieu ontmanteld. Ooit had deze vesting 19 torens en 5 poorten, en bij de voornaamste toegangspoort komen we nu na een fikse klim uit.

De volgende streepjes doen ons verder afdalen naar de vallei van de Ruisseau de Moulon. Dit is weerom een klein beekje dat iets verderop in de Moezel uitmondt. Kwestie is nu van de GR-streepjes niet uit het oog te verliezen. We zijn nu helemaal van de oude GR afgeweken, en in het topogidsje staan zeker niet alle paadjes ! Doordat we vrij snel doorwandelen en weinig spreken, verrassen we een vos, die even een namiddaguitstapje aan het doen was op het wandelpad. In een flits is ze verdwenen tussen de sparren. Iets verder komen we op een verhard bospad uit en bereiken het kruispunt “Les Quatre Chemins”. Beneden in de vallei komen we weer bij een asfaltweg uit. Er is hier wat weiland en daar middenin staan een paar gebouwen. We stappen er naar toe en het is maar dank zij de topogids, dat we te weten komen dat het hier om meer gaat dan slechts een boerderij. Enkele van de gebouwen zijn resten van een voormalige abdij, de Abbaye de Sainte Marie. We belanden hier ook in de streek, waar bijna een eeuw gelden, van 1914 tot 1918, de legers van Frankrijk en het toenmalige keizerrijk Duitsland tegenover elkaar stonden in de loopgraven. Waarschijnlijk daarom hebben enkele boswegen hier namen gekregen zoals Tranchée de Ste Marie, en Tranchée de la Justice. Veel loopgraven zijn er niet te zien, maar de lange, rechte stukken maken wel dat we hier goed vooruit komen en dan begint de weg stilaan te dalen naar de volgende vallei, die van de Ruisseau le Trey, waar we ons volgend doel zien liggen, het dorpje Vilcey-sur-Trey.

We laten het plaatsje snel achter ons en trekken het volgende bos in, het Bois le Prêtre. Tenslotte komen we om iets voor 18u bij het flink uit de kluiten gewassen “Monument de la Croix des Carmes” uit. Het is een aandenken tot meerdere eer en glorie van de Franse strijders, die hier tijdens de Eerste Wereldoorlog gevochten hebben voor hun vaderland. We zijn hier terechtgekomen ter hoogte van de plaats waar tijdens dat treffen voor het grootste deel van die tijd (1915 – 1918), de voornaamste frontlinie lag. Het voornaamste oorlogsdoel in deze in 1914 was de stad Pont-a-Mousson. Iets ten westen van het bos liggen trouwens nu nog de overblijfselen van enkele dorpjes (Fey-en-Haye, Règnieville, Réménauville), die in die periode op de frontlijn lagen en tot nu toe ruïnes gebleven zijn. Als we achter het monument even verder het bos in gaan, zien we nog steeds veel verroest prikkeldraad en ander oud ijzer rondslingeren, tussen de vele diepten en ondiepten die door artillerie en loopgraven veroorzaakt werden. Na een 5tal minuutjes gaan we weer verder, en we blijven in de stemming : via de ‘Tranchée des Carmes’ bereiken we de ‘Tranchée de Montauville’ en spoeden ons weer zuidwaarts naar ons einddoel.

We bereiken om 18u30 aan de rand van het bos, een enorme begraafplaats, het ‘Cimétière Militaire de Péteant’. Na een kwartiertje gravenkijken, vatten we onze laatste wandeling richting Montauville aan. Na een 10tal minuten komen we bij de eerste huizen van het dorp. We zien het kerkje over de daken van de huizen heen staan en weten ons vervoer daar klaar staan. Onze laatste slok water in Vilcey is al lang terug uitgezweet, dus trakteren we onszelf op 4 uit de kluiten gewassen ‘Barons’ en – hoe groot ze ook zijn (= 50 cl) – warm kunnen ze niet worden, want een kwartier later zijn ze voltooid verleden tijd.

 

 

31. Montauville - Liverdun (29,8km) : 21 september 2003

 

De GR5-draad nemen we weer op bij de kerk, waar de roodwitte streepjes ons uit het centrum van Montauville wegleiden. Het is weer prachtig wandelweer : er is geen wolkje in de lucht te bekennen ! We wandelen van oost naar west doorheen het grote Forêt Domaniale de Puvenelle, dat voor het overgrote deel een loofbos is. Het is de najaarsstorm van 1999 blijkbaar vrij ongeschonden doorgekomen, want we zien bijna geen kale plekken, of immens grote stapels omgehakte boomstammen. Tenslotte laten we het bos achter ons en zien even verder de torenspits van het kerkje van Mamey boven de einder uitkomen. Het dorp is nog in diepe rust op deze heerlijk zondagmorgen, of misschien is een groot deel van de populatie naar de zondagsmis, het is immers al 11u05 ! Als we langs de kerk gaan, zien we echter nog niet veel beweging, en we houden het er maar op dat ook de Fransen hier graag uitslapen. Na een paar minuten zijn we het plaatsje al uit, en duiken even verder een beboste vallei in.

Ondertussen zijn we al een eind gevorderd langs een beekje. Het pad komt uit op een verharde weg en iets verder staan we bij de eerste huizen van het gehucht Saint-Jean. We zijn nu in het hart van “La Petite Suisse Lorraine”; dat is dus al het tweede kleine Zwitserland, waar we ons bevinden op onze tocht naar Nice. Ook in het Groot Hertogdom Luxemburg hebben we in de buurt van Echternach al eens in een soort van Klein Zwitserland rondgezworven. Enkele honderden meters verder komen we in Martincourt uit op en harde weg. Ook hier lijkt de plaats uitgestorven. Het is nu al 12u15 en we zijn eigenlijk op zoek naar een plaats om onze picknick te eten en daarbij een frisse pint te drinken. Volgens de topogids zou er zich hier een ‘gîte rural’ bevinden, en na wat zoeken vinden we die ook. Er blijkt voor ons vandaag geen plaats te zijn in de herberg en we worden dan ook vriendelijk verzocht om onze dorst ergens anders te laven. Een honderd meter terug vinden we vlak bij de kerk een café, maar als we er dichterbij komen, zinkt de moed ons weer in de schoenen. De ‘Relais de la Petite Suisse’blijkt potdicht. We proberen nog even aan de ingangsdeur te morrelen, in de hoop dat er toch iemand komt kijken en medelijden met ons zal krijgen. Maar neen, alles blijft stil en bewegingsloos. Na een kwartiertje nemen we ons boeltje weer op en gaan verder.

Na een omweg wegens omgevallen bomen, staan we naast de overblijfselen van ’le Vieux Moulin’. Na wat rondkijken, vinden we dan toch de roodwitte streepjes terug. Ze leiden ons eerst de valleiwand op, maar we blijven iets verder toch dichtbij de Esch verder wandelen. Gelukkig blijkt ook hier dat de resultaten van de storm van 1999 opgeruimd zijn. Er zijn geen omgevallen bomen meer, die ons de weg versperren, en we kunnen dus fijn genieten van de wandeling langs de slingerende bospaadjes van het Bois de Greney. Na een stevige klim van enkele honderden meters, komen we aan de rand van het bos en zien in de verte de torenspits opdoemen van ons volgende doel : het dorp Rogéville. We zijn terechtgekomen in een typisch Frans plattelandsdorp tijdens de siësta-tijd en dan nog op een zondag ! Er beweegt zich dus niets, maar dan ook … niets in de wijde omtrek. We kunnen alleen nog hopen dat in het volgende dorp Rosières-en-Haye, er wel wat te drinken valt. Als we even van de GR afwijken en op een kruispunt een café open vinden. Is het slechts een fata morgana of is het waar ? We steken even het hoofd binnen en tot onze opluchting blijkt dat het établissement inderdaad ‘ouvert’ is. We zetten ons op het terras (eigenlijk gewoon de stoep) van de ‘Bar les Loups’ en bestellen uit gewoonte, maar deze keer ook uit gewone noodzaak (we hebben een immense dorst) vier ‘Barons’. Niet te geloven hoe men van een frisse pint (en dan nog een Jupiler !) kan genieten, als men een dag onderweg is. Als we Rosières achter ons laten, blijven we nog een tijd tussen de onmetelijk uitgestrekte velden lopen, tot we lichtjes afdalend tussen de eerste bomen van het Forêt Domaniale de Natrou terechtkomen. De afdaling wijst er ons op dat we stilaan in de brede vallei van de Moselle terechtkomen.

We gaan niet rechtstreeks naar de Moezelvallei, zoals het ‘oude’ tracé van de GR 5 liep, maar eerst maken we nog een omweg via de nieuwe wijk Toulaire, een satelliet-wijk van Liverdun. De Moezel maakt hier een grote bocht en de (oude) stad ligt op een respectabele hoogte in de meander. We wandelen Liverdun binnen langs de middeleeuws aandoende Porte Haute, en komen al snel uit bij de kerk. Het wordt een echte zoektocht naar roodwitte streepjes. Via de Place de la Fontaine dalen we verder af langs een overdekte wasplaats en komen uit boven aan een lange trap. We hebben hier een mooi zicht over het lager gelegen deel van Liverdun, terwijl we de vele trappen van de Côte au Lay afdalen naar de benedenstad. De zon heeft ons drie dagen gezelschap gehouden en geen enkele regendruppel heeft ons het leven zuur gemaakt; zo zou het altijd mogen zijn !

 

 

32. Liverdun - Amance (23km) : 30 september 2005

 

Het is 10u00 en we zijn op tijd om aan onze wandeldriedaagse te beginnen. Het weer werkt in ieder geval al mee ! Ondanks voorspellingen van regenweer, schijnt er hier een uitbundig zonnetje en aldus vatten we in een opperbeste stemming onze tocht aan. Het pad is echter nog breed en de bomen bieden voldoende schaduw, zodat we in een rustig tempo verder kunnen. Al snel merk ik dat de wegaanduiding in mijn topogidsje van 1995 niet meer de juiste is. Dit vindt zijn oorzaak in de najaarsstormen van 1999, die toen voor heel wat overlast gezorgd heeft in Frankrijk. Voor de GR 5 wandelaar brengen deze stormen mee dat vele wegen, vooral in de bossen natuurlijk, volledig gesloten worden en in vele gevallen permanent omgeleid zullen worden ! Ook hier staan we voor zo een omleiding, die blijkbaar permanent is geworden. Nu we tenslotte uit de vallei van de Moezel terug op het hogergelegen plateau zijn aangekomen, gaat het minder steil verder.

We komen voorbij enkele gebouwen, die op de kaart aangeduid staan als de ‘Ferme du Haras’. Hier lopen de oude en nieuwe GR 5 weer even samen. Na een uurtje wandelen komen we bij een groot kruispunt van wandelwegen uit : we kruisen hier de ‘La Grande Tranchée’, een kilometerslang recht pad doorheen het bos. Er staat hier een wandel-verkeerspaal langs de weg , die er mag zijn ! Er staat wel nergens de weg naar Custines op, ons volgende doel, maar we zullen de weg maar volgen richting Pompey, een plaatsje iets verder stroomopwaarts langs de Moezel. We vervolgen onze weg, die nu in een rechte lijn westwaarts loopt richting Custines. Op een bepaald moment komt ons op dit bospad een kleine Citroën tegemoet gereden. Uit het raam hangt een man, die met gulle hand maiskorrels langs het bospad strooit. Het blijkt dat dit dient om de everzwijnen te voederen. Het zal wel zijn om er even later op te kunnen gaan jagen dit najaar.

Over een afstand van een kilometer of zo moeten we hier de plaatselijke N 57, een spoorweg, een kanaal, de Moezel en de autosnelweg A 31 (Metz – Nancy) oversteken, om tenslotte in Custines terecht te komen. Direct vanuit het rustige groen, belanden we aan de rand van de drukke verkeersweg, We bevinden ons aan de grens van een plaatsje met de bekende naam Pompey en men doet hier flink zijn best om de naam ‘Ville fleurie’ waardig te zijn. Terwijl we dit minder aantrekkelijke deel van de GR volgen, komt stilaan het kerktorentje van Custines in zicht. In Custines verlaten we voorgoed de Moezel en zijn heuvels en beginnen aan de lange trek oostwaarts naar de Vogezen. Na wat zoeken, vinden we dan toch een sympathiek plaatselijk caféetje, de ‘Bar des Amis’, waar we enkele vrije tafels en een vriendelijke bediening vinden.

Een tijdje later hebben we een prachtig panoramisch overzicht op de hele vallei achter ons. We zien de groene bossen op de heuvelrug tussen Frouard en Custines en kunnen de Moezel en de pas erin gevloeide Meurthe voor ons richting noorden zien stromen. Custines is al snel een groepje huizen en zelfs de vele fabrieken storen het uitzicht niet echt. Misschien zit daar het nog steeds mooie weer wel voor iets tussen. Onderweg zien we flinke hoeveelheden maretak, niet alleen in hoge bomen, maar ook in meidoornstruiken langs het pad. Het duurt niet lang of we bereiken de rand van Bois de Faulx, waar de GR ons direct in stuurt. Volgens de topogids is het pad waarop we nu lopen – en dat ons trouwens nog steeds flink doet klimmen – een oude militaire weg uit de Eerste Wereldoorlog, wat ons er weer aan doet herinneren, dat er hier vooral in 1914 bijzonder hard is gevochten gedurende de eerste maanden van La Grande Guerre. We bevinden ons hier namelijk op een deel van Le Grand Couronné. Regelmatig komen we door grote stukken bos, die nog een vrij lage begroeiing kennen. Waarschijnlijk weer een overblijfsel van de zware najaarsstormen van eind 1999. Gevolg is wel dat we in de verte het dorpje Faulx in de vallei van de Mauchère zien liggen. Het tempo wordt iets opgedreven en zolang we op dit brede bospad blijven, is dat geen probleem. We zitten hier niet in het Bois de Blanzey, maar enkele honderden meters ten oosten ervan, aan de rand van een groot veld, vol met jonge bieten. En dat is eigenlijk niet zo slecht, want iets verderop vinden we niet alleen de streepjes terug, maar krijgen we ook een prachtig zicht op het landschap naar het zuiden toe. We kunnen zelfs Amance onderscheiden op zijn heuvelrug.

Een slingerende veldweg brengt ons na een fikse klim tot op een asfaltweg bij een kerkhof en wat verder bij het plaatsnaambord van Amance. Bij het binnenkomen van het plaatsje zien we dat de inwoners wel hun best doen om hun zeer fotogenieke dorpje er goed te laten uitzien. Bloemen versieren de gevels en mooie portieken zijn er te kust en te keur. Als afsluiter krijgen we nog een laatste klim voor de voeten geschoven. Voor de kerk van het dorp staat een imposante ceder en in de schaduw ervan, hebben we een machtig mooi zicht op de vallei van de Amezule, een zijriviertje van de Meurthe.

Na nog een korte rit en wat zoekwerk, komen we tenslotte om 18u15 aan bij ons eindpunt van de dag, le Chateau d'Hôtes d'Alteville. Het is een grote herenhoeve langs een landelijke weg dicht tegen het Etang de Lindre. Het vrij grote complex heeft zijn oude stijl behouden en de twee hoge torens geven het hoofdgebouw wel de allure van een klein kasteeltje, maar wat mij vooral opvalt is de grote hoeveelheid wilde wingerd, die de voorgevel bedekt, en nu in deze periode van het jaar prachtig helrood begint te kleuren ! Om 19u30 worden we beneden verwacht voor het aperitief ! Er wordt ons een ‘Cremant d’ Alsace ‘ en enkele ‘amuse-gueules’ aangeboden. Na een half uurtje worden we uitgenodigd in de eetkamer, waar een tafel reeds gedekt staat voor ons. De ‘châtelain’ (kasteelheer) wijst ons onze plaatsen aan en dan doen we ons tegoed aan een uitgebreide maaltijd. Na een voorgerecht (een slaatje met champignons du pays) komt de hoofdschotel : ree met spruitjes en warme kastanjes en aardappeltjes. Naar aloude franse traditie volgt dan nog een kaasschotel, met onder andere Condé, Camembert, chèvre en Roquefort, waarna we het goed gevulde geheel afronden met een crème anglaise met een aquavit van mirabellen. Terug in de zitkamer wordt ons nog een koffie of thee en tenslotte nog een digestif (of twee) aangeboden.

 

 

33. Amance - Vic-sur-Seille (27,4km) : 1 oktober 2005

 

Om 10u15, iets later dan gepland, beginnen we aan onze tweede wandeldag.Het regent en gelukkig worden we niet onmiddellijk de modderige paden opgestuurd, maar mogen eerst nog op het asfalt verdergaan, tot we het Forêt Domaniale d’ Amance voor ons in de mist en nevel zien liggen. Kleine beekjes beigekleurig regenwater stromen bergaf met ons mee langs het bospad. En hoewel het nog steeds regent, genieten we toch van de mooie natuur. Even lijkt het of de regenval mindert, maar wat later valt het water terug met spreekwoordelijke bakken uit de hemel. We trekken het ons echter niet aan; een vochtig bos heeft ook zijn charmes ! Na een tijd komen we uit op een kruispunt en op de kaart zien we dat het weer één van die befaamde ‘tranchées’ of loopgraven is, die ons pad kruist, de Tranchée des Princes. Het is weer zo een brede, kaarsrechte bosweg, die men in de verte ziet verdwijnen. Het kruispunt heet het ‘Rond des Chênes’ en er bevindt zich een infobord met gegevens over het Forêt de Brin. De regenkledij en de paraplus houden wel heel wat regen tegen, maar uiteindelijk geraakt alles toch doorweekt.

In de verte zien we door de regensluier heen de top van het kerkje van Brin-sur-Seille opduiken. Een caféetje waar we wat warms zouden kunnen nuttigen, zou nu erg welkom zijn. Even na twaalven komen we uit op de hoofdstraat van Brin, en tot onze vreugde zien we aan de overkant een bar. De eigenaars zijn niet echt enorm blij om op dit moment van de dag zoveel klandizie te zien, maar we kunnen toch wat te drinken bestellen. Spijtig genoeg beseffen we wel snel dat we hier niets te eten kunnen verkrijgen. Dan lopen we verder de straat af in de richting van de brug over de Seille. Als we ze oversteken besef ik dat, als we hier 100 jaar vroeger zouden langsgekomen zijn, we nu de frans-duitse grens zouden passeren.Een in vroeger tijden (gisteren bijvoorbeeld) pittoresk landweggetje, heeft nu de vorm aangenomen van een modderige glijbaan. Na een korte afdaling langs het asfalt, bereiken we om 13u30 het centrum van Attiloncourt. Het is er nat, doods en verlaten. De magere en ietwat verwaarloosd aandoende klokketoren van het dorpje maakt het zicht er niet leuker op ! Wij beginnen aan de klim uit de vallei van de Seille. De weg blijft geasfalteerd en we maken snel vooruitgang. We komen heel wat wormen tegen die van het natte wegdek gebruik maken om de oversteek te maken naar de overkant. Velen proberen, maar velen bereiken hun doel niet en blijven platgedrukt achter op de weg.

En dan valt ons oog op een betonnen schuilhokje. Het lukt ons zelfs om er alle drie binnen te geraken. Rechtstaand – want de grond is er vrij vuil – eten we er een appel en maken van de gelegenheid gebruik om onze schoenen uit te doen.Onze sokken zijn doorweekt enwe doen ons best om die uit te wringen. Dan gaat het verder heuvelafwaarts naar de vallei van de Blanche Fontaine. Als ik achter me kijk, zie ik mijn twee broers, die met hun ponchos op twee uit de kluiten gewassen hobbits lijken, met op de achtergrond het dorpje dat we juist hebben achtergelaten. Op de heuvelkam voor ons doemen uit de mist als voorhistorische monsters metershoge hoogspanningsmasten op en dan maakt de GR een bocht naar links om ons op weg te zetten naar het volgende doel, het Forêt Domaniale de Grémecey. Zonder kleerscheuren komen we beneden uit op de Chemin de la Reine. Een paar honderd meters verder bevinden we ons boven op een heuvelkam en dan zien we doorheen het regenwaas al de huisjes van ons volgend doel liggen : het dorp Salonnes. Zoals de andere dorpen van vandaag is er ook hier geen levende ziel te bespeuren . Niet alleen zien we geen mensen hier, maar er is eveneens geen café, of zelfs maar een fontein ! Deze streek en vooral het stadje Vic-sur-Seille, dat we in de verte al kunnen zien liggen, gaat er prat op sinds enkele jaren (vanaf 1991) ook zijn eigen wijnen te produceren. De streek is hier bekend om zijn ‘Vin gris’ (zoals ook Toul), maar nu is vooral het weer erg grijs. We zijn nu aanbeland, niet alleen in het Parc Naturel Régional de Lorraine,maar ook in het hart van het Pays du Saulnois, of le Pays du Sel.

Om 17u45 komen we dan uit bij de brug over de Seille. We laten de GR 5 achter en lopen naar het centrum van het stadje. De straten liggen hier half opgebroken en ook het Place Jeanne d’ Arc ligt er bij alsof Wereldoorlog I en II net langsgekomen zijn. Om 18u laten we Vic-sur-Seille achter ons liggen en rijden terug naar ons verblijf in Alteville. Om 19u30 is het terug afspraak op de benedenverdieping voor een aperitief. Deze keer is het witte wijn. Daarna verplaatsen we ons weer naar de eetkamer, waar het avondmaal er weer best mag wezen : waterkerssoep, daarna tarwekiemen met kip en ratatouille en tenslotte na de kaas een amandelgebak, wat blijkbaar een specialiteit is in deze streek. Voor diegenen die dat laatste niet lusten is er ook nog een pruimentaart. Na het diner kunnen we weer wat napraten bij een Mirabellenlikeur en tenslotte is er nog thee of koffie achteraf. We komen nog het één en ander te weten van de geschiedenis van de familie en hun boerderij.

 

 

34. Vic-sur-Seille - Assenoncourt (23,4km) : 2 oktober 2005

 

De soms donkere lucht belooft niet veel goeds, maar voorlopig houden we het nog droog. Op kaart ziet het er naar uit dat we vandaag meer asfalt onder de voeten gaan krijgen dan anders. Persoonlijk prefereren we de cross-country wandeling, maar bij zware regenval is er toch iets te zeggen voor een verharde ondergrond. We gaan langs de weiden richting Côte St. Jean, een beboste heuvel van waarop, volgens de topogids, te genieten is van een prachtig uitzicht. Al snel kunnen we in de verte de eerste huizen van ons volgende doel, Marsal, ontwaren. En dan zien we uit de nog donkere wolken iets ten westen van ons een soort van slurf naar beneden komen. Het doet ons denken aan het begin van een tornado, zoals die dikwijls voorkomen in de Grote Vlakten van Noord-Amerika. Even lijkt de slurf zich verder uit te strekken naar de grond, maar dan verkleint ze weer en verdwijnt even later helemaal. We komen even later uit bij de ingangspoort van het stadje Marsal, la Porte de France. Deze enorme toegangspoort is een historisch monument; het is een deel van de versterkingswerken die Vauban hier in de 17e eeuw liet uitvoeren. We gaan het dorp door op zoek naar een café. Die vinden we ook ter hoogte van de 12e eeuwse kerk, maar net als het hele plaatsje is ook dit etablissement geheel verlaten.

Dan beginnen we aan een 5 km lang stuk asfalt, dat ons tenslotte in het volgende dorp moet brengen, Blanche Eglise. Buiten het feit dat het stuk geheel over asfalt loopt, komt daar nog bij dat het in één rechte lijn verloopt. Dus we richten de blik op oneindig en gaan er voor.De zon breekt ondertussen doorheen de wolken en dat doet het landschap er opeens veel mooier uitzien. Na ongeveer een uur stappen komen we tenslotte Blanch-Eglise binnen. We zetten ons op het muurtje in de zon en pakken onze picknick uit : enkele baguettes, franse worst en wat kaas. Tenslotte komt er nog een zakje met tomaten op de proppen en last but not least een fles ‘Vin gris de Vic s/ Seille’. We komen iets later voorbij een verkeersbord met eronder de tekst “Boue”. Wij denken niet dat het de bedoeling is om ons hier aan het schrikken te brengen. Onze kennis van het frans is gelukkig groot genoeg om te weten dat men ons hier wil waarschuwen dat er even verder modder op de weg ligt. We stappen het Foret Domaniale de St Jean in, terwijl we nog steeds de verkeersweg volgen. We bereiken een asfaltweg,die we onmiddellijk oversteken en waarna we weer verdwijnen in het bos via de Route Forestière du Chemin Noir. Het is hier echt prachtig : de hoge bomen filteren het zonlicht en het resultaat is een legpuzzel van lichte en donkere vlakken op de bosbodem. Bij een bocht in de weg, komen we langs een grote, glooiende omgeploegde akker. Het is alsof we bij een groot schilderij stilstaan.

We lopen het bos verder door, tot we bij een kruispunt komen en slaan daar rechtsaf. En dan voelen we plots enkele druppels vallen. En het blijft niet bij enkele druppels, want de hemelsluizen gaan echt volledig open. We komen uit het bos en lopen nu langs de rand van het grote Etang de Lindre, maar zien alleen maar een grote rietvlakte. Er is praktisch geen water te bekennen. Links van ons zien we doorheen de vochtige nevelen die nu omhoog stijgen in het landschap, de toren van Tarquimpol omhoog steken. Tarquimpol is een stadje dat aan de rand van het Etang de Lindre ligt en waar we zeker even langsgegaan zouden zijn, als we wat meer tijd zouden hebben gehad. We slaan de weg in naar Assenoncourt en passeren een kilometer verder de grote boerderij van Alteville. En dan vatten we de laatste kilometers van onze driedaagse aan. De zon heeft de meeste wolken verjaagd en het vele vocht dat de aarde op korte tijd te verwerken kreeg, begint te verdampen, zodat er sprookjesachtige taferelen ontstaan. In het tegenlicht van de zon, lijken hele akkers te dampen in de laagstaande zon, alsof ze in brand staan. Iets verder passeren we een watertoren en als we dit hoge punt in het landschap voorbij zijn, zien we tenslotte in de verte de eerste huizen van ons einddoel liggen. We moeten eerst nog een valleitje van de Ruisseau de Zebourg door en dan bereiken we om 16u15 het dorpje Assenoncourt.

 

 

 

35. Assenoncourt - Diane-Capelle (14,2km) : 18 augustus 1996

Om 10u30 verlaten we het centrum van Assenencourt en richten onze stappen eerst zuid- en iets later oostwaarts naar de groene bossen aan de einder. Doorheen de graan- en maïsvelden bereiken we al snel het Bois du Bourlocq. Het pad voert ons na enkele bochten en enkele sanitaire stops tot aan de oever van het Etang de Villers. We doorkruisen wat later het Bois de la Charbonnière, alwaar we af en toe wat wild door het bos horen lopen. Als we dan tenslotte het geboomte achter ons laten, treffen we een prachtig uitzcht aan over de vallei waar het dorpje Fribourg in genesteld ligt. Langsheen bewerkte velden dalen we nu stilaan af naar het dorpje om tenslotte na enkele varkensstallen en nog wat boerderijtjes het centrum van het plaatsje te bereiken.

We komen over een heuvelrug en zien weer de eerste tekenen van de meren en bossen van het ‘Parc Régional de Lorraine’. Iets verder bereiken we le Petit Etang, een kleine uitloper van het grote Etang du Stock). Dan verlaten we weer de asfaltweg en trekken achterlangs de vakantiehuisjes van de ‘Lotissement des Bachats’ verder. Ondanks de nabijheid van de mens, die van elk plasje water per sé een watersportcentrum moet maken, laat de natuur zich nog van haar beste zijde zien. Het is er wel wat drassig, maar met de nabijheid van zoveel water kan het ook niet anders. Om 14u00 zetten we de eindsprint in naar ons einddoel. In rechte lijn leidt de bosweg ons door het Forêt des Brainches, over nog enkele uitlopers van het grote meer, zoals la Grande Cornée en le Vieil Etang. We komen veel vissers tegen, die hun barbecue ook al meegenomen hebben, om er een dagje uit van te maken Als we tenslotte uit het bos komen, duurt het niet lang meer of de asfaltweg brengt ons via enkele brede bochten tot bij de brug over het Canal des Houillères, waar onze tocht drie dagen geleden een aanvang nam.

 

 

 

36. Diane-Capelle - Niderhoff (16,2km) : 15 augustus 1996

 

Als we om 12u30 ons klaar maken om te vertrekken in dit muisstille dorpje, staat de zon loodrecht boven onze hoofden zijn best te doen om ons een bruin huidskleurtje aan te meten. In het dorpje is er bijna geen beweging te bespeuren : de Fransen zijn zeker aan hun middagdutje bezig ?! We laten de auto’s achter en richten onze voetstappen naar de brug over het “Canal des Houillères de Sarre”, een kanaal dat enkele honderden meters westelijk van Diane-Capelle het dorpje passeert van noord naar zuid. Onderweg komen we al de eerste wandelaar tegen, naar later zal blijken een land- en taalgenoot van ons, die reeds een vijftal dagen geleden uit Custines aan de Moezel gestart is, en nu op z’n gemak een flink deel van de GR aan het afwerken is, tot bijna aan Schirmeck, een klein stadje dat wij toch gaan trachten te bereiken. We richten onze schreden naar het zuiden en beginnen het fietspad af te lopen, terwijl het dorp en het kerkje van ons beginpunt linksachter ons stilaan verdwijnen.

Al snel komen we de eerste fruitbomen tegen, meestal beladen met rijpe vruchten, die we de volgende dagen nog met een plukbeurt zullen vereren. We gaan onder een brug door en zien even verder het eerste café liggen. Het ligt spijtig genoeg aan de andere kant van het kanaal en bevindt zich aan boord van een aan de wal liggend vaartuig. Regelmatig passeren ons in beide richtingen boten van allerlei pluimage met mensen die een zondaguitstapje op het water wagen. Zo volgen we enkele kilometers lang het kanaal in zuidelijke richting. Langs de ene kant passeren ons fietsers en boten, langs de andere zijde zijn futen, en wat verder ook een bootje met vissers aan het zoeken naar dezelfde prooi. Een honderd meter verder steken we via een passerelle of voetgangersbrugje een tweede kanaal over : het “Canal de la Marne au Rhin”; beide kanalen vloeien hier te samen in het Etang de Gondrexange.

Wij richten onze schreden in zuidelijke richting naar de torenspits van het dorpje Gondrexange, dat we in de verte boven de omgeving zien uitsteken.Er verschijnt één donkere wolk in de lucht, die het op ons gemunt heeft; ze haalt ons in en laat net genoeg regendruppels vallen, om wat nat te worden. Na het kanaal enkele malen te zijn overgestoken, verlaten we deze laatste even buiten het dorp en lopen door het open landschap over een hoogte genaamd de “Haut de Landange”, vanwaar we in alle richtingen een mooi uitzicht hebben. Even later steken we de verkeersweg N4 Strasbourg - Nancy over, en dalen even af naar de ruisseau de l’ Etang Hambourg voor we het laatste klimmetje naar Landange aanvatten.

Het gaat nu goed vooruit, want voorlopig hebben we asfalt onder onze voeten. We passeren na een kilometer of wat het dorpje Aspach, eigenlijk meer een gehucht. En onderweg moeten we echt geen honger lijden; we passeren fruitboom na fruitboom of boomgaard na boomgaard, en de bomen zijn volgeladen met de heerlijkste fruitsoorten: appels, allerhande soorten pruimen en niet te vergeten ook struiken beladen met braambessen.We trekken nu verder omhoog naar een hoogte, gedomineerd door een bos : het Bois de la Minière. Als we na enkele minuten het bos van west naar oost doorkruist hebben en we de bosrand achter ons laten, krijgen we voor de eerste keer in de verte een goed zicht op de Vogezen. Enkele honderden meters verder vatten we de afdaling aan naar het volgende gehuchtje : Fraquelfing ! (probeer dat maar eens snel 10 keer achter elkaar te zeggen). Fraquelfing is doods verlaten, zoals de meeste plaatsjes onderweg, heerlijk !!

Als we de eerste huizen van Niderhoff bereiken, sluit van links de GR 533 “Sarrebourg - Belfort” aan op onze route, en zal dezelfde weg enkele kilometers lang volgen. Enkele ogenblikken later bereiken we het centrum van het plaatsje. Ook hier geen drankgelegenheid te bekennen. Daarom maar snel de wandelschoenen uitgedaan, de auto in en op weg naar ons hotelletje in Abreschviller, waar we ongeveer om 17u30 toekomen in het hotelletje tegenover de kerk.

 

 

37. Niderhoff - Abreschviller (13km) : 16 Augustus 1996

 

We verlaten Niderhoff in westelijke richting via de brug over de Sarre Blanche en klimmen langzaam over een asfaltweggetje naar de bossen. Als we nu en dan eens omdraaien, hebben we een mooi overzicht over het Lotharingse heuvellandschap met het Bois de la Minière op de achtergrond in de verte. We bereiken al snel het volgende gehucht, Métairie de Saint-Quirin. Het is een heerlijk wandelweertje : het zonnetje schijnt, en door een klein briesje is het toch niet té warm. We stappen een poos rechtdoor en komen tenslotte midden in het bos op een kruispunt, waar een boom staat met een wegwijzer, die in de richting wijst vanwaar we gekomen zijn, en het summiere opschrift draagt: “Hollande GR 5”. Daar is natuurlijk de hele lading mee gedekt !

Als we even later weer even tussen de hoge bomen uit komen en het zicht zich weer wat verder uitstrekt, zien we dat de Vogezen weer wat dichter bij gekomen zijn. Groenbeboste heuvelrijen strekken zich nu over de gehele horizon uit. We komen wat verder in de begroeiing uit bij een prachtig zicht op het dorpje Saint-Quirin. Het plaatsje blijkt een bekend bedevaartsoord te zijn voor mensen met huidziekten. In het centrum bevindt zich een mooi barok kerkje met van die uivormige torens. Rond 12u00 ploffen we ons neer bij de ‘Hostellerie du Prieuré’ en doen ons tegoed aan een frisse dronk. Aan de menukaart te zien is het eten ook niet te versmaden en we nemen ons voor ook het restaurant met een bezoek te verblijden tijdens ons korte verblijf alhier.

Een halfuurtje later pakken we ons boeltje weer bij elkaar en zetten onze weg voort naar Abreschviller. Na een paar honderd meter vlakke bosweg, komen we aan de rand van een asfaltweg bij een grote picknickplaats, genaamd “Les Deux Croix”. Inderdaad bevinden zich bij dit kruispunt twee oude, stenen kruisen. Er is juist een tafel vrijgekomen en we zetten ons neer voor onze maaltijd : enkele baguettes, wat franse kaas, een paar tomaten, enkele repen chocolade en niet te vergeten een fles witte wijn

Rond 14u00 begeven we ons weer op weg richting Abreschviller. We komen langs enkele open stukken, zodat we soms prachtige zichten hebben op de weidse omgeving , vooral naar het oosten over het dorpje Lettenbach met bekende namen als Rocher de Dabo en Château de Nideck. Als we wat verder een hoge zendmast in het oog krijgen, weten we dat het einddoel niet ver meer is. We richten onze weg naar die ijzeren pyloon en bereiken wat verder het mooie uitkijkpunt op de “Roche de la Basse Frentz” : een uitstekende plaats om ons even neer te zetten en het uitzicht in ons op te nemen. We zien een groot deel van het als een lint in de vallei uitgestrekte stadje en kunnen aan de overkant van de vallei op de hoogtes nog de vlag onderscheiden die zich op het Franse militaire kerkhof bevindt. Van het uitkijkpunt dalen we dan vrij steil af naar de vallei van de Sarre Rouge en bereiken via de sportterreinen en het openbare zwembad tenslotte rond 15u00 het centrum, waar ons hotel gelegen is.

 

 

38. Abreschviller - Col du Donon (23km) : 17 Augustus 1996

 

Vandaag gaan we in één lange ruk van de voetheuvels naar één van de toppen van de Vogezen klimmen : 20 km aan een stuk stijgen van 250 naar 1008 m hoogte. De dagtocht begint een beetje in mineur. Abreschviller is een stadje dat zeer uitgerekt in zijn vallei ligt, zodat het wel even duurt voor we de zijweg in kunnen slaan, die ons naar Lettenbach en wat dichter bij de bossen brengt. We steken het dorpsplein van Lettenbach over en vatten even verder onze eerste sereuze klim van de dag aan. Het gaat er al direct stevig tegen aan, maar we bevinden ons al snel onder het frisse bladerdek van het enorme Forêt de St. Quirin, waar doorheen we ons het grootste deel van deze dag zullen begeven. Loofbos met beuken, lindebomen, eiken, wisselt zich constant met dennebos af, en we krijgen maar niet genoeg van de heerlijke rust die al het groen rondom ons uitstraalt !

We komen wat later bij ons eerste herkenningspunt : het “Croix Guillaume”. We passeren enkele paardrijders in tegenovergestelde richting, dus is het uitkijken geblazen naar vers achtergelaten resten! Dan komen we op het volgende kruispunt uit : “Quatre Chemins “ genaamd : we bevinden ons hier op 443 m hoogte. We steken het kruispunt over en als we de “RF Belle Roche” volgt, neem ik toevallig een foto van ons gezelschap op een willekeurige plaats in het bos. Toeval of niet, maar later blijkt de foto op juist dezelfde plek genomen te zijn als één van de foto’s , die vooraan op de topogids prijken.

We komen al op een hoogte dat we nu en dan een mooi uitzicht hebben op dit deel van de Vogezen. We arriveren op de Col du Leidenstein (520 m). Een pijltje geeft aan dat er zich iets verderop van onze GR af een bron bevindt. Een zompig paadje leidt ons een honderd meters verder naar een kleine stenen trog, waar inderdaad wat water in neer druppelt. Een plaatje laat ons weten dat het bronnetje ‘le fontaine Saint Jules’ heet. We maken een grote bocht rond de top van de Belle Roche (537 m). Het uitzicht is enorm : het strekt zich uit naar het oosten over de ‘Vallée de Quirin’ en verder over heuvelrug en heuvelrug richting Dabo en Wangenbourg. Als we naar rechts blikken zien we voor de eerste keer vandaag ons eindpunt in de verte : de top van de Donon (1008 m) met zijn (lelijke) zendmast op de top. Lichtjes dalend komen we even later uit op een kruispunt, waar we een oude, verroeste ‘bascuul’ (soort weegschaal) passeren. We komen nu op een breed bospad uit : de ‘Chemin de Pierre Saint-Quirin’. Op de top van een hoogte iets voor ons, de ‘Tête du Calice’ verrijst een eenzame rots, volgens mij in de vorm van een kelk. Tenslotte komen we uit bij de Pierre St.-Quirin - “groot rotsblok” volgens de topogids -, een bescheiden rots met een nog meer bescheiden kruis(je) op.

Om 13u30 komen we tenslotte bij de refuge 'Paul Bechler' uit; een mooi hutje van buiten, maar binnenin blijken onverantwoorde individuen hun etensresten achtergelaten te hebben. Dan installeren we ons maar wat verder op het kruispunt in de schaduw onder de blote hemel voor onze picknick. Na de lunch volgen we een smal paadje dat zich slingert tussen wat verder uit elkaar staande bomen door en zo komen we flink wat meters hoger op een breder bospad uit. We wandelen zo rond de top van de”Tête de la Croix Simon” en komen tenslotte aan op de wegkruising “Croix Simon”, op een hoogte van 706 m. Dan krijgen we weer een steil stukje voorgeschoteld. Na een laatste inspanning, waarbij we de Donon stilaan meer in het zicht beginnen te krijgen, komen we op een verharde weg uit, die ons na een dikke kilometer, met nog steeds een prachtig zicht op ons einddoel, op de Col de l’Engin brengt (789 m).We verlaten de asfaltweg om linksaf een matig stijgende weg in te slaan. Die brengt ons na een half uurtje op de ‘Col Entre-Deux-Donons’ (822 m), een col tusen le Petit Donon (961 m) en le Donon (1008 m). Het is een kruispunt van vele bospaden en hier bevindt zich weer een refuge van de Club Vosgien. We zijn ondertussen de eigenlijke GR-weg uit het oog verloren, maar alle wegen leiden hier naar de top, zodat we er uiteindelijk toch komen. Eerst komen we uit bij de zendmast en enkele gallo-romeinse nederzettingsresten. Daar krijgen we tenslotte het (in de tweede helft van de 19e eeuw gereconstrueerde) Romeinse tempeltje in het zicht. Om 16u30 betreden we het rotsplateau, dat de top van de Donon vormt. We staan hier op één van de hogere toppen van het Vogezenmassief en het eindpunt van deze dagtocht. Het uitzicht strekt zich ver uit over de Vogezen en de Moezelvallei. Aan de beide uiteinden van het topplateau bevinden zich twee oriëntatietafels uit de tijd dat dit gebied nog Duits was (1871 - 1914). De Donon was bij het begin van onze jaartelling een belangrijk keltisch cultureel - religieus centrum. De meeste gallo-romeinse vondsten zijn overgebracht naar musea in Epinal en Strasbourg en zijn vervangen door replica’s.

 

 

39. Col du Donon - Schirmeck (8,4km) : 16 Augustus 1996

 

Nadat we deze dag reeds wandeling 37 van Niderhoff naar Abrescviller afgehandeld hebben, blijft er nog tijd over om het korte stukje van de Col du Donon naar Schirmeck af te haspelen. We laten 1 auto achter bij de kerk van Schirmeck en rijden met de andere terug naar de Col du Donon. Het is reeds 16u00 als we vertrekken, maar het zou geen probleem mogen zijn deze etappe nog af te werken : het is steeds bergaf - van 730 naar 315 m - en in de topogids staat een tijd van 2u06 opgegeven.

            Even het asfalt volgen, maar al snel verlaten we de weg en draaien het groene dennenbos in. Het gaat voorlopig gestadig naar beneden door een vrij dicht bos, afwisselend loof- en naaldbomen. Het zijn meestal kleine paadjes, die af en toe een klein beekje kruisen. Het gaat goed vooruit en na een drie kwartiertjes komen we na een vrij steile afdaling naast een weide uit op een asfaltweg. Iets verder langs de weg staat een bank, die ons duidelijk uitnodigt om eens een adempauze te houden. Een 10 minuten later, vervolgen we onze weg via een klein houten bruggetje en een kort klimmetje.

            We volgen de weg eventjes, maar slaan al snel een steil paadje linksaf in dat ons op een leeggekapte berghelling brengt. Zoals steeds is het vrij moeilijk op gekapte stukken onze weg terug te vinden, daar de merktekens meestal ook gekapt blijken te zijn, en zeker als er zich wegsplitsingen voordoen, zoals ook hier. Maar we zijn met drieën, dus terwijl de ene blijft wachten, kunnen de twee anderen de beide mogelijke wegen verkennen. Het pad biedt ons daarentegen wel onbelemmerde uitzichten op de weide omgeving : achter ons zien we toch nog schijnbaar dichtbij de top van de Donon met zijn zendmast boven de omgeving uittorenen, terwijl in de vallei aan onze rechterhand het dorpje Grandfontaine uit speelgoedhuisjes lijkt te bestaan. Eén van de bewoners moet in zijn groentenhof met een meetlat gewerkt hebben, zo symmetrisch recht  zijn de rijen met tomaten, sla, en weet ik al niet meer, aangelegd. We blijven de valleiwand op dezelfde hoogte volgen, en na een tijd komt het volgende dorpje in zicht : Wackenbach.  Hier moeten we door het ontbreken van merktekens weer even deels op onze stappen terugkeren, tot we onze GR-tekens terugvinden.

            En terwijl Wackenbach stilaan achter ons uit het zicht verdwijnt en de vallei voor ons steeds breder wordt, dalen wij gestadig af naar ons einddoel. We passeren een zagerij en komen uiteindelijk in de buitenwijken van Schirmeck terecht. Het is een vrij groot stadje, zeker voor deze streek. Juist voor de eerste huizen komen we nog langs een soort gîte d’ étape, en nog een kwartiertje stappen brengt ons tenslotte , ter hoogte van een protestants kerkje, bij een voetbrug over de spoorwegen, die hier - net als de Bruche rivier - het plaatsje in tweeën splijten, te komen. We steken deze over en even verder ook de rivier zelf en komen zo, om 18u05 bij de kerk uit (één minuutje minder dan in de topogids opgegeven staat.

            Een klein uurtje later zitten we in volle wandeluitrusting, korte broek en wel,  aan tafel in de “Hostellerie du Prieuré” en genieten de verdere avond, tot onze aangename verrassing, van een overheerlijke maaltijd (al die bekers stonden daar niet voor niets voor de ramen). Een passend slot van een geslaagde wandeldag.