GR 5 : Jura

 

52. Vandoncourt - Villars-lès-Blamont (16 km) : 26 Mei 2001

 

Dit is onze eerste dag in de Jura en dat zullen we zeker wel merken aan de grotere hoogteverschillen. De bergen die het Jura-gebergte vormen strekken zich als een reusachtige croissant – om in het plaatselijke jargon te blijven - over een 300 km uit van de Rijn bij Bazel tot de Rhône bij Génève.

We steken een open plek over en komen dan na een korte klim om 10u50 bij een merkwaardig natuurverschijnsel uit met de naam ‘Le Pont Sarrazin’. Het is een pracht van een natuurlijke brug, door water gevormd uit kalksteen. Het is best indrukwekkend.

Een heerlijk zonnetje overgiet het landschap met een gouden glans. Als we een glooiing in het landschap overschrijden, komen in de verte reeds de eerste huizen van het dorpje Abbévillers in zicht. We komen bij een kruispunt uit, ‘les Six Chemins’ genaamd. Dan stappen we verder het dorp in. Ik had er eigenlijk niet veel hoop op om hier voor ons een drenkplaats aan te treffen, maar als we toch even verder het plaatsje ingaan, komen we even buiten de GR uit bij een caféetje, (2 tafeltjes groot) van Bar ‘la Provençale’ en bestellen een frisse pint.

Wat later komen we via een aardeweg in een beboste vallei terecht. Die leidt ons verder naar beneden en na zeker een 100 m afdalen komen we uit bij een beekje. Een wankele brug brengt ons aan de overkant, waar we dicht langs de rivier onze weg verderzetten. Het modderige pad leidt ons doorheen een vasttapijt van groen en bloemen. De hele bosgrond naast de beek is ermee bedekt. We blijven het beekje volgen tot deze in een grotere waterloop stroomt, de Doue, die op zijn beurt in de Gland terechtkomt, die dan weer bij Montbéliard in de Doubs stroomt. De Doue blijven we nu even volgen door zijn vallei, die verderop wat breder wordt en plaats biedt aan wat akkers en weiden. Bij een kruispunt, doen de roodwitte strepen ons plots de rivier terug oversteken en zo belanden wij dan midden in het groen om 13u bij een chique café-restaurant, la Papeterie genaamd. We volgen een vallei, die stilaan smaller en smaller wordt tot we een 150 m hoger aan de rand van het bos bij de grens met Zwitserland uitkomen. We moeten even rondkijken, maar dan vinden we de grenssteen tussen het groen; aan de franse kant bevindt zich een sobere F en aan de Zwitserse een kruis. De GR 5 maakt hier een scherpe hoek en gaat nu een hele tijd deze grens volgen. De grensstenen volgen elkaar snel op (ongeveer elke honderd meter één), en zo komen we even later bij een asfaltweg uit. Geen slagboom of grenscontrole hier, maar slechts een plakkaat van de Zwitserse ‘Administration des douanes’ dat er hier geen voertuigen of goederen mogen passeren (waarom ligt die weg hier dan ?). De zwitserse kant is hier bebost, maar aan de franse zijde liggen hier weiden en iets verderop zien we het dak van een boerderij (le Pré du Prince). Het is toch al weer 13u20 en we besluiten ons hier aan de kant van de weg neer te zetten in het gras en onder een pracht van een haagbeuk onze piknik te verorberen. Na 20 minuten gaan we weer verder, het rechterbeen in Frankrijk en het linker in Zwitserland. En steeds begeleiden ons de nu vertrouwde grensstenen. Op een bepaald moment komen we bij een plakkaat waarop we wat uitleg vinden over deze stenen; we bevinden ons hier trouwens op het ‘Sentier Historique des Bornes de la Principauté de Montbéliard’. De bornes werden hier voor het grootste deel geplaatst tijdens de 18e en 19e eeuw. We komen er tegen met de datum 1727 op, maar ook van 1817. Aan de ene kant treffen we soms de franse, koninklijke lelie aan en op de andere zijde staat meestal een beer, teken van het kanton van Bern

Verder gaat het weer en dan hebben we nog enkele interessante ontmoetingen. Vooreerst met een hazelworm, die hier op de grens onze weg kruist. Het verwondert me dat het beestje zo beweeglijk is !

Wat verder zitten we reeds voorbij steen nummer 400 en de GR blijft nog steeds de grens volgen. Af en toe hebben we nog een mooie doorkijk over een valleitje richting Frankrijk en zelfs aan de Zwitserse kant komen we nu ook eens langs een wei. Maar uiteindelijk moeten we toch de laatste steen achter ons laten en leiden de roodwitte strepen ons cross-country dwars door velden en over afsluitingen dalwaarts. Als we de laatste bomen achter ons laten, zien we dat we nu toch wel echt in de Jura terechtgekomen zijn. Het golvende landschap stijgt en daalt iets meer dan de voorbije dagen. Rechts van ons zien we enkele kilometers verder het dorp Blamont liggen. Daarvoor echter in de vallei ligt ons einddoel voor vandaag: Villars-lès-Blamont.

 

 

 

53. Villars-lès-Blamont - St. Hippolyte (11,2km): 21 Mei 2007

 

 

Een aantal jaren geleden zijn we in het dorpje Villars-lès-Blamont gestopt en dat ligt op een 10 kilometer van St. Hippolyte, waar we in de loop van de namiddag aankomen. Net genoeg om er een goede inwandeldag van te maken. Daar we maar een 2 à 3 uren moeten stappen en het zo warm en zonnig is, besluiten we om het echte minimum mee te nemen en aan te doen. Dus geen rugzakken, alleen maar een T-shirt en een korte broek en wat geld en een fototoestel. We laten onze rugzakken in het hotel en vertrekken om 15u20 naar het beginpunt in het nietige plaatsje Villars-lès-Blamont. Nietig wel, maar we zien en herinneren ons plots weer dat het erop kan bogen in het bezit te zijn van 2 kerken, een katholieke en een protestantse. Waar het volk overal vandaan moet komen om deze 2 gebedsplaatsen te bevolken is een andere vraag. Het dorpsplein is snel gevonden en de vroegere fontein, waar men nu een bloemrijk plantsoen van gemaakt heeft, zal nu als startpunt dienen.

Het is iets voor vier uur als we naar de eerste witrode streepjes zoeken, die ons uit het centrum moeten brengen richting St. Hippolyte. Wij wandelen meestal nog aan de hand van een Engelse uitgave van de oude topogidsen, die al dateren van het begin van de jaren negentig. Ondertussen hebben we ook een spiksplinternieuw exemplaar van de franstalige gids van de FFR(P) (Fédération Française de la Randonnée Pedestre) van “La GrandeTraversée du Jura ... à pied” (april 2006). De laatste jaren is er heel wat gesleuteld aan de route van de (oude) GR5 hier in de Jura. We besluiten realistisch te blijven en ons voornamelijk te laten leiden door de markering ter plaatse, terwijl we de kaarten in onze gidsen in het oog houden ! Het moet al erg mislopen als we niet op ons eindpunt terecht zullen komen !

Het is nog steeds aangenaam warm, maar aan de westelijke horizon hebben zich ondertussen donkere wolken samengepakt. Een beetje ongerust hebben we toch de indruk dat ze onze richting uitkomen en we worden niet echt gerustgesteld als we even later een dof gerommel horen in de verte. Zoals gewoonlijk worden we iets buiten het dorp al snel een vrij steil bospaadje opgestuurd. Rechts van ons hebben we wat verder enkele mooie doorkijkjes op Villars en het landschap naar het noorden toe. Onderweg moeten we nog even een valleitje oversteken, maar we merken wel dat het rondom ons stilaan donkerder wordt. Zonder rugzak kunnen we een flink tempo handhaven (of is het toch de vrees voor een nat pak, dat ons voortjaagt ?). Wat verder komen we op een rotsig plateautje uit, vanwaar we een mooi zicht hebben naar het zuiden toe. Groene heuvelruggen strekken zich uit tot de zwitserse einder, maar in de richting van St. Hippolyte ontwaren we plots een grijs gordijn en boven ons is het ondertussen ook al heel wat donkerder geworden. Wat verder komen we bij een houten brugje vanwaar we aan onze rechterkant een bakstenen gebouw ontwaren. Het is de voormalige Batterie de la Roche Jella, die hier in 1884 op 820 m hoogte gebouwd is. Maar zoals steeds is de natuur sterker en langzaam maar zeker wordt het bouwsel door het groen terug opgeslokt.

Als we de batterij achter ons laten, gebeurt het dan toch. Eerst voorzichtig en daarna harder en harder beginnen de regendruppels neer te vallen rondom ons. We zoeken eerst even een flinke spar uit om onder te schuilen, maar na een 10 tal minuten houdt ook die de nattigheid niet meer tegen en we besluiten – vrij nat als we al zijn – er dan maar voor te gaan. Na een tijdje zijn ook onze wandelschoenen volgelopen en voelt het aan of we met volgelopen laarzen verdergaan.

Wat verder komen we op een asfaltweg uit en het lijkt dat het toch wat minder intens aan het regenen is. We komen voorbij de Ferme du Lomont, waarachter zich het Fort du Lomont bevindt. Iets verder leidt de GR ons via een bospad naar de eerste huizen van Chamesol. In de verte zien we dat de vallei van de Doubs waar St. Hippolyte ligt, gevuld is met wolken en nevel. Het is 17u15 en even opgehouden met regenen. We hebben ons echt laten beetnemen als de eerstede beste beginnelingen : zonder rugzak of tenminste een poncho beginnen aan een wandeling door de natuur ... dat zal ons leren ! Het is ondertussen ook heel wat kouder geworden : van bijna 30 graden voor de wandeling tot een magere 12 graden nu. Bij het verlaten van het dorp gaan we nog even schuilen onder het afdak van een mooie lavoir.

We laten Chamesol nu voorgoed achter ons en volgen de asfaltweg uit het dorpje. Op een splitsing gekomen gaan we rechtdoor het veld in en bereiken even later aan de rand van het bos een wandelwegwijzer bij de plaats (le lieu-dit) Viaton. Stilaan houdt het nu toch op met regenen. We bereiken even verder een asfaltweg, die we – samen met de GR5 – even verlaten om het mooie chapelle du Mont te bezoeken. Al snel zijn we bij de gebedsplaats en zien in de diepte onder ons St. Hippolyte liggen op de samenloop van de Dessoubre en de Doubs. Nevelige wolken op de achtergrond geven het geheel een feeërieke sfeer. We gaan via een smal pad verder naar beneden en bereiken wat later de asfaltweg, die verder langs het kerkhof naar St. Hippolyte afdaalt.

Om 18u20 steken we de brug over de Doubs over en bereiken ons hotel. We proberen eerst even de centrale verwarming en merken tot onze vreugde dat die het nog steeds doet. Snel worden de natte kledingstukken en schoenen, die ondertussen gevuld zijn met plaatselijke kranten van het hotel, op de verwarmingselementen gelegd, in de hoop dat ze morgen terug droog en draagbaar zullen zijn.

 

 

54. St. Hippolyte - Goumois (25km) : 22 Mei 2007

 

Het is 9u15 als we terug bij de plaats zijn waar we gisteren de GR verlieten. Langs een modderig paadje komen we even later op de GR zelf terecht en die leidt ons langs weiden en doorheen bossen verder oostwaarts. Via overstapjes wandelen we verder langs het mooie bospad. Ondertussen zjn de wolken stilaan verdwenen en krijgen we het warmer , want het pad gaat nog steeds lichtjes bergop. Voor de eerste dag zullen we maar kalm aan doen, zeker !? We volgen een mooie, holle weg dalwaarts en die wordt verderop zo smal en dichtbegroeid, dat we ons er bijna een weg doorheen moeten banen. Iets verder horen we al het geklingel van koeiebellen. Zijn we dicht bij Zwitserland of niet ? De volgende dagen zullen we dit geluid nog meermaals mogen horen. Na nog een stukje bos en een scherpe afdaling steken we via enkele planken een pitoresk beekje over. Verder afdalend komen we op asfalt terecht en staan hier op de plaats, waar vroeger een oude molen moet gestaan hebben, maar daar is nu niets meer van terug te vinden. We verlaten het bos en gaan nu door velden verder dalwaarts. Het duurt niet lang meer of we bereiken de eerste huisjes. Het gaat hier om het gehucht La Saunerie.

We krijgen nu ook de oever van de Doubs terug in het zicht. De volgende week, namelijk tot aan zijn bron in Mouthe, zal deze rivier een belangrijk gezel blijken te worden van de GR5. De Doubs ontspringt in dit laatse plaatsje op ongeveer 937 m en is 430 km lang en mondt bij Verdun-sur-le-Doubs uit in de Saône. In rechte lijn is de afstand van haar bron tot haar monding nog geen 100 km. Na een kleine kilometer steken we de rivier via een brug over en staan in Soulce-Cernay, een slaperig dorpje in de middagzon. Hoge heuvelkammen omringen ook hier het dorp dat zich in de diepte van de vallei heeft genesteld. Al snel moeten we de asfaltweg weer verlaten en klimmen langs een modderig paadje de helling op. We moeten op onze voeten letten, want door de onweersbui van gisteren is het paadje eigenlijk in een klein beekje veranderd. Gelukkig wordt het iets hogerop wat droger en even later komen we op een bredere bosweg uit. Deze gaat wel erg steil de hoogte in; een kuitenbijter noemen wij zoiets. In een mum van tijd zijn zo 100 hoogtemeters overwonnen en komen we in een bocht van de weg bij een verlaten woning uit, la Joux genaamd op de kaart. Het huis is duidelijk bewoond en enkele seconden later komt een peuter ons tegemoet gelopen. Hij staat erop een gesprek te beginnen en stelt zich voor als Jean-Jacques. Het jongetje moet al zeer lang geen voorbijgangers meer gezien hebben, want hij ratelt maar aan een stuk door tegen eenieder van ons die maar oor wil hebben voor zijn verhaal. Tot we tenslotte opkramen en zijn moeder hem tot de orde roept.

Voorbij het huis moeten we weerom een afsluiting passeren en dan lopen we door de weiden verder. Links van ons hebben we mooie vergezichten op de heuvels aan de andere kant van de Doubsvallei. En dan belanden we echt tussen het vee. Het wordt even moeilijk om de vele koeievlaaien te ontwijken en daarbij de miljoenen strontvliegen van ons af te houden en we belanden bij de vervallen boerenstal, die La Race heet. Even verder staat een mobiele koeienmelkerij en de stal zelf is duidelijk niet bewoond, maar kan nog altijd dienen om er roodwitte verfstreepjes op te plaatsen en ons zo verder te helpen. En het blijft nog even klimmen tot we vedrerop de 800 meter hoogtelijn overschrijden. Dan gaat het tenslotte lichtjes bergaf naar het volgende dorp, Courtefontaine.Het is 12u15 als we verder gaan richting kerk. Voor een keer heeft deze geen klokvormige toren, maar een spitse. We gaan er recht op af en aan de voorkant zien we enkele lindebomen staan, die wat schaduw geven. Eronder is een grasveldje en meer hebben we niet nodig als picknickplaats. Komt daarbij dat de kerk op een hoogte ligt en we zo een mooi zicht hebben over het dorp en de onmiddellijke omgeving. De baguettes, de kaas en de worsten worden bovengehaald, evenals de tomaten en natuurlijk ... de wijn.

Stilaan gaat het weer omhoog. We zitten hier in de grote bocht van de Doubs, die hier even een uitstap maakt in Zwitserland en om vanavond terug bij die rivier te geraken, moeten we nu even de heuvelrug over, die die bocht veroorzaakt heeft. Roodwitte streepjes leiden ons door een bos en even later merken we aan het geblaf van honden dat we weer in de semi-bewoonde wereld zijn terechtgekomen. Via een hek belanden we op een weg bij een grote boerderij, Montsassier-dessous. We wandelen wat verder en zien dan langs de weg een pijltje dat het veld in wijst richting Doubs. Het heeft als opschrift onder andere Cimetière Anabaptiste de Montsassier’.Met een mooi panorama voor ons gaat het richting Fessevillers. Wij moeten nu nog een korte, steile klim doen en komen via een soort van trap tenslotte achter de kerk van Fessevillers terecht. Het dorpje lijkt, zoals gewoonlijk, weer uitgestorven. Als we aan een toch toevallig voorbijkomende inboorlinge vragen of er hier ergens een mogelijkheid tot drinken is, wijst ze ons wat verderop, maar ze roept ons nog na :”Je pense que c’ est fermé maintenant !” En inderdaad, ons geluk kan niet op, de ‘Auberge l’ Ecurie’ ziet er niet echt vol leven uit. Toch lezen we op een bord bij de deur OUVERT, maar als we de deur proberen open te doen, blijkt die potdicht. Het is net enkele minuten voor 3, dus – goedgelovig als we zijn – denken we : ‘Dit zal over een paar minuten wel opengaan’ , en we zetten ons alvast maar op het terras. Maar als er na een kwartier nog geen teken van leven is, ga ik even naast het huis kijken, en zie daar enkele mensen in de tuin zitten. Op mijn vraag of het café niet open gaat, krijg ik een ontkennend antwoord. Dat is dus de horeca op zijn frans !

Na een half uurtje rust op het terras, besluiten we dan maar om op te krassen en de laatste etappe van de dag aan te vatten. We maken een grote boog langs een bos en passeren een abri, waarna we boven op de heuvel uitkomen bij de plaats ‘Sur le Mont’.Een mooi uitzicht is onze beloning en dat wordt dan nog omlijst door een prachtige bos bloemen. En het is niet geheel onterecht dat die nu in bloei staan. Op 6 dagen voor Pinksteren (maandag 28 mei) staan hier de zachtgekleurde Pinksterbloemen in bloei. We lopen even tot de rand van het bos en zien dan dat we hier terecht gekomen zijn in het Fôret de la Joux op 981 m hoogte. Vandaag zullen we de 1000 m niet meer halen, vrees ik. Het duurt wel even voor ik onze positie gevonden heb op de kaar, maar tenslotte zie ik toch dat we bij een gebouw zijn dat op de kaart ‘Grands Champs’ genoemd wordt en dat we waarschijlijk via Urtière (hopelijk naar Goumois) geleid worden.

Zoals ik al dacht, komen we even later om 16u30 in het gehuchtje van Urtière. Niet meer dan een paar boerderijen en ... een kapel. Maar blijkbaar wel een speciale, want er is een mooie site rond gemaakt : een grasplein en wat infopanelen zijn voorzien voor de geinteresseerde toerist, en als het om kapellen gaat, dan zijn we geinteresseerd ! La Chapelle St. Roch van Urtière werd gebouwd in 1636 door 2 zonen ter ere van hun vader op een plaats waar vroeger een begraafplaats was voor slachtoffers van de pest. Het dak en de typische klokketoren werden in de 19e eeuw toegevoegd en de kapel is toegeweid aan Sint Rochus, beschermer van de pest-slachtoffers. Tegenover de kapel staat er nog een stenen kruis op een gedraaide pilaar uit 1687. Verderop komen we op een wat meer verharde weg, maar dat duurt niet lang, want al snel duiken we weerom bergaf het bos in richting Goumois. Tenslotte komen we op een verkeersweg uit even buiten Goumois. Iets links van ons bevindt zich de Grotte du Bief Parou. Het is een grot waar vrij veel aan speleologie gedaan wordt. Al snel passeren we het bordje met GOUMOIS : Site Européen de canoë-kayak en dan bevinden we ons tussen de huizen, die hier tegen de vrij steile dalwand gelegen zijn. We zigzaggen naar beneden en komen uiteindelijk om 17u40 bij de brug over de Doubs uit. We steken zonder problemen over naar de Zwitserse kant en komen zonder problemen of controles uit bij ons hotel, het Hôtel du Doubs.We maken nog even een wandelingetje door het tweelingdorp. Vlakbij staat er een bescheiden monument. Het is een beeldhouwwerk van een figuur en daaronder een plaket met een Poolse vlag. Wat doet die hier ? Het blijkt dat in de dagen van de Duitse inval in mei en juni 1940 in Frankrijk ook gevluchte Poolse soldaten met de Fransen meevochten tegen de Duitsers. Zoals we weten werd het voor de Fransen een debacle en sommige troepen moesten zich ook terugtrekken tot tegen de Zwitserse grens bij Goumois. Vandaar trokken onder andere tussen 18 en 20 juni ook een 450 Poolse soldaten de grens over om in het neutrale Zwitserland geinterneerd te worden. Niet gedacht dat we in zo een uithoek van de grote Franse Republiek nog geconfronteerd zouden worden met de laatste Wereldoorlog.

 

 

 

 

55. Goumois - La Rasse (22km) : 23 Mei 2007

 

Uiteindelijk is het bijna 10u als we de asfaltweg op en het dorp uitgaan naar het zuiden. Vanop de asfaltweg nog hebben we een zicht op de befaamde Rocher du Singe van Goumois. Het is een rotsachtig uitsteeksel aan de Zwitserse kant van de Doubs, dat ongeveer het profiel van een aap heeft. Niet echt het achtste wereldwonder, maar ja ... men moet het kind ...euh ... de rots toch een naam geven. Juist voor een haarspeldbocht kunnen we het asfalt verlaten en duiken we de bossen in, die we waarschijnlijk voor een hele periode niet meer zullen verlaten. We zullen de twee volgende dagen als het ware op de grens van Frankrijk en Zwitserland lopen. Het eerste deel van de route is een plaatselijk ‘Sentier botanique’ en we krijgen dan ook volop informatie over de rivier en de plaatselijke fauna en flora.

Het traject langs de rivier is niet zo vlak als je zou kunnen denken. Af en toe gaat het fiks de hoogte in als we wat van de rivieroever afwijken en de GR ons wat meer naar de zijkant van de vallei brengt. Als we dus even later weer langs de rivier komen, is het wateroppervlak plots sereen en bijna spiegelglad. Om 11u20 komen we bij la Chapelle le Bief d’ Etoz uit op een verharde weg. Het kapelletje zou ontstaan zijn, nadat een ridder hier ergens in de buurt van zijn paard tegen een rots gevallen was. Het moet een stevige val geweest zijn, want hij beloofde onmiddellijk dat als hij zou genezen, hij hier een kapel zou bouwen. En zo gebeurde ook. We bevinden ons nu op een breed pad en stappen even later op een redelijke afstand van de rivier voorbij de barrage en electriciteirscentrale van La Goule. Het wordt nu een echte boswandeling . In de diepte lnks van ons stroomt ergens de Doubs, maar die zien we maar nu en dan even in de zon glinsteren. We schieten goed op, want het pad blijft uiteindelijk vrijwel plat verder lopen tot we om 12u30 uitkomen bij een pracht van een picknickplaats, de Abri de la Charbonnière du Haut op 630 m hoogte. De abri is de ruine van een vroegere boerderij, waarvan de overgebleven muren omgebouwd zijn tot een multifunctionele pleisterplaats. Er is zelfs schaduw volop ! We zetten ons dus aan de tafel en beginnen aan onze maaltijd. Natuurlijk mag een goede fles Entre Deux Mers niet ontbreken.

Na een uur besluiten we toch maar om verder te gaan. We staan hier trouwens op een belangrijk kruispunt : hier moeten we beslissen of we de befaamde ‘Echelles de la Mort’ willen trotseren of niet. Van hier uit kan men afdalen naar de Doubs en via een variante onderaan de Echelles terechtkomen. Dus aan de collega-wandelaar met hoogtevrees is gedacht. Maar voor ons stelt de vraag zich dus eigenlijk niet. We hebben al dikwijls gehoord en gelezen over deze ladders des doods en hebben begrepen dat ze al bij al vrij veilig zijn. We zijn trouwens niet van zo ver naar hier gekomen om ze NIET te doen ! We vervolgen dus gewoon onze weg op zo een kleine 100 meter boven de rivier. Vanaf hier heet de vallei van de Doubs trouwens ook ‘La Vallée de la Mort’. De Doubs heeft zich vanaf hier stroomopwaarts door de eeuwen heen een vallei van 15 km lang en 70 m diep gegraven in de rotsen.

En dan staan ze daar ... de beruchte Echelles de la Mort, één van de meer bekende evenementen op de GR5. We zijn eerst wel wat verrast, want de aloude, versleten trappen, die we al jarenlang op het internet hebben kunnen bewonderen, zijn net vorig jaar, na 70 jaren trouwe dienst, vervangen door 3 spiksplinternieuwe exemplaren van 15 meter hoogte elk. Toch worden we nog even ingelicht over de verkeersregels op dit cruciale stuk van de GR5. Afdalen met je gezicht naar de ladder, dalers hebben voorrang op stijgers en je mag maar met 2 tegelijk op een ladder. Maar dan valt me iets op : het gebruik van de ladders wordt in 3 talen uitgelegd, het frans, het engels en het duits en voor elk van de talen staat een vlaggetje : een frans, een engelse Union Jack en ... een belgische vlag ! Voor we aan het eerste exemplaar beginnen komen we nog langs een heiligenbeeldje in een nis, waar we nog even een schietgebedje prevelen voor een goede afloop. Het zijn best wel flinke ladders, maar door de begroeiing en de stevigheid van de constructies voelen we ons op geen enkel moment echt in gevaar. Zonder problemen komen we na enkele minuten veilig aan op de begane grond en dan is het nog even verder wandelen tot we aan de oever van de Doubs uitkomen bij de electriciteitscentrale du Refrain.

En dan trekken we verder door de diepe kloof, die de Doubs in de loop der eeuwen hier in het gesteente heeft uitgesleten. En het is waarschijnlijk door deze speciale, vochtige omgeving dat we wat verder terechtkomen in een bos komen dat als het ware overdekt is met mos, een Tolkien-achtige wereld. En inderdaad, het lijkt wel of er elk moment achter een rotsblok of een omgevallen boom een hobbit tevoorschijn zal springen. Het pad wordt er niet gemakkelijker op. Het slingert zich tussen rotsen en bomen door en alles is overdekt met hetzelfde groene kamerbrede tapijt. We lopen nu af en toe weer zeer dicht langs de rivier en die is hier zijn kalme karakter weer verloren; Hij stroomt hier woest door de smalle kloof. Na 40 minuten komen we uit bij het volgende doel : le Barrage du Refrain. Op het water wordt onze aandacht getrokken door het vele gevogelte : eenden van allerlei soort, futen op een nest en dan zien we vlakbij op nog geen 5 meter van de wal een pracht van een zwaan zitten op haar nest. We komen voorzichtig wat dichterbij om een foto te trekken, maar het dier voelt zich blijkbaar op haar gemak en blijft rustig zitten.

Even later komen we bij een grote parking met een groot infobord over ‘Le Pays Horloger’ en we staan wat verder tenslotte op een echte asfaltweg en een brug over de Doubs; de eerste die we zien sinds Goumois (hoewel er ook één moet zijn bij La Goule, maar die hebben we gemist). Het is le Pont de Biaufond en in het midden bevindt zich weer de grens tussen Europa en Zwitserland. Aan deze zijde van de rivier staat wel een soortement oude bunker, maar die is al jaren niet meer gebruikt. We beginnen nu aan het laatste stuk van onze wandeling vandaag. Nadat de rivier nog een bocht gemaakt heeft , moeten we nog een kleine helling op en dan staan we om 16u35 bij het Hôtel de la Rasse. Het hotel ligt op franse bodem, maar is alleen met vervoer bereikbaar via Zwitserland. La Rasse is een verzameling van in totaal een drietal gebouwen, waarvan er één een hotel-restaurant is. We steken de brug over naar Zwitserland en moeten nu even een asfaltweg, met toch wat verkeer volgen. Wegwijzers wijzen er de automobilisten op dat er zich hier Promeneurs op de weg kunnen bevinden (bijna zoiets als overstekend wild !), maar we zijn toch geruster als we na een kleine kilometer en enkele tunneltjes aan de afslag naar ons verblijf voor vanavond komen. Een oversize plakaat kondigt aan dat de ‘Auberge de la Maison-Monsieur’ ouvert is, en we beginnen aan een korte afdaling naar ons einddoel.

 

 

 

56. La Rasse - Villers-le-Lac (25,5km) : 24 Mei 2007

 

Een blik naar buiten over de Doubs, waar we trouwens een prachtig uitzicht over hebben, leert ons dat er nog heel wat laaghangende bewolking is. Verspreide nevels dwarrelen een tiental meter boven het wateroppervlak. We moeten terug naar de asfaltweg en slaan linksaf richting La Rasse en de franse grens. De plassen op de asfaltweg leren ons dat er gisteravond toch nog redelijk wat regen uit de lucht is gevallen.We vervolgen onze weg langs de linkeroever van de Doubs. Onder de brug was ze nog vrij woelig, maar enkele honderden meters verderop is de stroom weer erg vredig. Wat verder kunnen we op de andere oever ons verblijf van gisteravond zien. Doorheen de mistige nevelen zien we de dortoir, waar we net nog ons ontbijt hebben gegeten. Na nog een tijdje wandelen, komen we bij ons volgende herkenbare punt uit, een onbewoond gebouw dat dan waarschijnlijk de ‘Bistrot de Bonaparte’ moet voorstellen. Wat die beroemde man hier ooit moet uitgevoerd hebben en of hij hier ooit wel geweest is, dat zullen we hier niet te weten komen, denk ik.

Hier en daar komen rotsachtige formaties dicht bij de rivieroever en loopt hat pad dan ook juist langs de oeverrand, maar dan moeten we het water weer achter ons laten en even handen en voeten gebruiken om het pad te kunnen blijven volgen. Een klein half uur na onze ontmoeting met de ‘Bistrot de Bonaparte’ komen we bij een volgend abri uit. Het is een schuilhut voor plaatselijke vissers, die hier hun geluk komen beproeven. De hut is open, maar er is daar buiten een bezemsteel, weinig te beleven. We zijn nog geen halve kilometer verder of we komen al enkele vissers tegen. Men beoefent hier ‘la pêche à la mouche’. Dat is het vangen van – hier vooral - forellen met een kunstvlieg aan een lange vislijn. Het is voor sommige mensen blijkbaar een passie om zo een vis aan de haak te slaan. Na een klein half uur vertoont de overzijde van de dalwand plots een enorm litteken. We zijn gearriveerd bij de ‘usine électrique du Châtelot’, een electriciteitscentrale, die verbonden is met de grote stuwdam van Châtelot enkele kilometers stroomopwaarts. We klimmen een metalen ladder op en enkele meters verder komen we om 10u30 uit bij de volgende hut, de abri du Torret. Na een half uurtje rust kriebelt het echter weer om verder te gaan en pakken we onze spullen weer bij elkaar. Over kriebelen gesproken ! Juist op dat moment zie ik iets over mijn voorarm kruipen en ik herken het onmiddellijk : een teek ! De bekendste Europese soort, die ook de Lymeziekte overbrengt, is Ixodes ricinus of de schapenteek, een parasiet op vogels en zoogdieren. Gelukkig heeft dit exemplaar zich nog niet vastgebeten, maar is nog op zoek naar een goede eetplaats. Even blazen en ze kan ergens anders gaan zoeken.

We moeten nog een kilometer of 8 de Doubskloof doorwandelen. Eerst is er nog een mooi smal deel van de vallei te bewandelen. Af en toe is de vallei hier echt maar een meter of 15 breed. Soms leidt het wandelpad ons weer juist naast steile, grijze rotswanden en dan weer lopen we op een smal paadje juist naast het water van de Doubs. We zitten hier echt in de ‘Gorges du Doubs’. Maar na een 50 minuten wandelen, gaat het plots wat meer omhoog. Tenslotte komen we rond 12u15 op een parking uit in de zon. Aan de afsluiting kunnen we in de diepte de enorme Barrage du Châtelot zien liggen met het stuwmeer erachter. Een plaatje vertelt ons dat iets verder een belvédère is, wat natuurlijk een ideale plaats blijkt voor onze picknick, terwijl we tegelijk in de schaduw zitten en een prachtig zicht hebben op de stuwdam en de Zwitserse bossen aan de overkant.

Om 13u zijn we weer onderweg. Het pad daalt verder af richting barrage en er komt zelfs (weeral) een echte metalen ladder aan te pas om ons tenslotte op het niveau van de dam zelf te brengen. De GR5 blijft nu langs het water op hoogte lopen en het is nog eens aangenaam om wat ruimte rondom ons te zien. Het meer wordt stilaan breder en op een bepaald moment is het wel enkele honderden meters breed. Over een afstand van een honderd meter komen de rotsen hier tot tegen de waterkant. We komen nu en dan ok wat andere wandelaars tegen, wat er waarschijnlijk op wijst dat we de waterval van de Doubs aan het naderen zijn. Het gaat nog even licht op en af en dan bereiken we iets voor 14u – samen met heel wat andere toeristen - het uitzichtpunt van de fameuze ‘Saut du Doubs’. En de Fransen maken er geen klein werk van, want we staan hier voor een ‘grand site national’ of ‘premier site naturel de Franche-Comté’ en dat zullen we geweten hebben. Niet alleen zijn we nu plots omringd door een hele horde toeristen, maar voor ons en deze mensen zijn er ook voorzieningen getroffen : banken, uitzichtpunten, trappen, en diens meer zorgen ervoor dat de gemiddelde toerist zonder moeite het plaatselijke natuurwonder kan ontdekken. Niet dat het te onderschatten is, natuurlijk. Vanaf het eerste uitzichtpunt dat we bereiken, zien we dat in een scherpe bocht de Doubs hier plots een val maakt van 27 meter en dat doet met heel wat lawaai, afhankelijk van zijn debiet. Op het moment is dat vrij groot.

We laten de drukte links liggen en beginnen aan de klim, die ons uit de kloof van de Doubsvallei moet brengen.Niet veel later beginnen er plots enkele druppels naar beneden te vallen. Eerst denken we nog dat het wel voorbij zal trekken, maar al snel beseffen we dat we er niet aan zullen ontsnappen. Voor de eerste keer deze week, halen we de ponchos boven en draperen we ze om elkaars schouders. Tussen de bomen door hebben we nu en dan nog enkele doorkijkjes op de rivier, die stroomopwaarts van de waterval terug zijn vredige, rimpelloze oppervlak heeft aangenomen. Stilaan komen we wat meer huizen tegen en ook aan de andere kant van de rivier trekken de heuvels zich wat meer terug van het water. Weiden en akkerlanden nemen hun plaats in en als even later de zon terug doorheen de wolken breekt zien we aan de overkant in Zwitserland het dorpje Les Brenets schitteren in het licht. We bevinden ons hier – eigenlijk al van het begin van onze wandelweek in Villars-lès-Blamont - in ‘le Pays Horloger’ en deze stad is één van de grote centra ervan. Hier in Villers-le-Lac is zelfs een horlogemuseum. We volgen de hoofdweg verder en verlaten die bij het grote bord ‘Acceuil des Randonneurs’ . On est arrivé ! We begeven ons naar de gîte ‘Le Clos Rondot’ geheten.

 

 

 

57. Villers-le-Lac - Les Seignes (21,5km) : 25 Mei 2007

 

Eerst moeten we nog doorheen de ‘voorsteden’ geraken. Na een vrij steile klim komen we langs de sportterreinen en dan leidt de GR ons onder een vrij nieuwe weg door terug naar de natuur. We zien terug groene bossen voor ons opdoemen en als we achter ons zien, spreidt de stad zich aan de overkant van de Doubs uit op de tegenoverliggende helling van de vallei. De wandeling doorheen de gorges van de Doubs is nu echt voorbij. De volgende dagen zullen we doorbrengen op de hoge kammen van de Jura. Langs het bospad gaat het dus vrij steil naar omhoog en dat is niet verwonderlijk, want nog voor deze middag zullen we waarschijnlijk op het hoogste punt van de kam aangekomen zijn. Een klim van 758 m (Villers-le-Lac) tot op 1287 m, of meer dan 500 meter hoogtewinst op enkele uren. Bij een verzameling huizen en boerderijen, die op de kaart de naam le Prélot heeft gekregen, bereiken we reeds de 1000 meter hoogtelijn.

De GR laat nu het asfalt achter ons en we begeven ons langs een veldweg naar ons volgende doel. Eerst langs een wei vol herkauwende koeien en dan doorheen een prachtig groene vallei komen we ter hoogte van een indrukwekkende loofboom bij een draadafsluiting. Voor ons kunnen we de bossen al zien, die de kam bedekken, die hier de grens vormt tussen Frankrijk en Zwitserland.De GR leidt ons linea recta naar een boerderij. Het gebouw is echter niet alleen maar een boerderij, maar ook een gîte. We bevinden ons nu zoals ze in het frans zo mooi kunnen zeggen “le lieu-dit” Sur la Roche op 1160 m hoogte. Als er geen reactie komt op ons aankloppen, besluiten we maar verder te trekken en zijn bijna weg, als plots de deur opengaat en de bazin toch wakker blijkt (maar toch niet heel lang precies)! We bestellen 4 pintjes en zetten ons even in de schaduw. Bij het afscheid maant de waardin ons nog aan niet te talmen, want het schijnt dat het “ça va pêter” deze namiddag. Het zal dus gaan knallen ... of donderen. Potverdorie, nu dachten we toch dat we het droog gingen houden vandaag. Afwachten maar, het is niet de eerste keer dat een weersvoorspelling mis is !

Bij een grote boerderij, nu ook Gîte de France, gaan we terug het veld in en lopen recht naar de Zwitserse grens toe. Eerst moeten we nog een flink uit de kluiten gewassen mesthoop vermijden, en daarachter vinden we een bospad, dat ons na een paar honderd meter klimmen boven op de kam bij een huis brengt (Haut des Roussottes). Het huis staat op zwitserse bodem en zo komen we andermaal terecht bij de internationale grens. De GR 5 zal hier enkele kilometers lang de grens zelf volgen en grensstenen markeren de grens tussen de 2 landen. Het pad loopt nu eens links en dan weer rechts van een muurtje. Na een tijd wordt het minder steil en bevinden we ons op het hoogste deel van de kam. We komen uit bij de eerste grenssteen of borne nr. 20. De steen vertoont aan de andere kant het jaartal 1819, waarschijnlijk toen het hier geplaatst werd als gevolg van het Congres van Wenen dat toen vele grenzen in Europa vastlegde. Aan de ene kant is er een franse lelie in gebeiteld (of soms is die verdwenen) en aan de andere 3 “chevrons” of (gehoekte) strepen, die erop wijzen dat we aan de andere kant van de grens het franstalige kanton Neuchâtel vinden. Boven op de steen wijst een rode lijn de loop van de grens aan, en die volgen we dan ook richting nummer 21. Naar het oosten toe wordt het zicht effectief tegengehouden door de begroeiing, maar naar het westen toe hebben we nu en dan een prachtig vergezicht op dit deel van Frankrijk. We kunnen op een bepaald moment zelfs de plaatsen Morteau en Villers-le-Lac in één oogopslag zien liggen.

Om 11u43 bereiken we het hoogste punt van de Côte du Meix Musy ter hoogte van een communicatie-pyloon. We staan op een hoogte van 1287 m en houden even een rustpauze. Borne na borne stappen we voorbij ... 28 ... 29 ... 30. Het gaat lichtjes bergaf en nu en dan duikt het stenen muurtje terug op. De zon schijnt nog stevig op onze hoofden neer en we zijn blij dat we in de schaduw van het bos lopen. Als we rond 12u20 uit het bos komen, zien we voor ons tot in de verte groene, golvende weiden. Er zijn nog altijd geen onweerswolken te bekennen. We volgen de GR-strepen en komen bij een boerderij op een verharde weg uit. We zijn aangekomen bij het plaatsje le Petit Gardot en bevinden ons terug op franse bodem. Voor ons zien we de groene Zwitserse weiden zich uitstrekken tot ver naar het oosten. Hier en daar onderbreekt een beboste heuvelrug het eentonige, maar zachte landschap. Rechts in de verte zien we een groepje gebouwen liggen. Het is ons volgende doel : le Gardot. Langs velden en op het eerste zicht onbewoonde huizen komen we uiteindelijk op een grotere verkeerweg uit, die we nu eigenlijk naar rechts moeten volgen. Maar we weten dat er in het gehucht le Gardot op de grens een auberge is en daar kunnen we niet aan voorbij gaan ! En het is wel duidelijk welk gebouw we hier moeten hebben. Enkele meters voor de slagboom met Zwitserland staan er op een dak een grote vork en een groot mes en als dat niet voldoende mocht zijn, wijst op een groot paneel een flinke pijl ons in de goede richting.Op het terras in de zon bestellen we 4 pinten. Van hier uit hebben we weer een prachtig zicht op de eindeloze groene weiden, die de Jura rijk is.

Al snel worden we het veld ingestuurd en via een breed afgemaaid pad - wat me een beetje doet denken aan de befaamde ‘right of way’-wandelpaden, die we ooit in Engeland bewandeld hebben – komen we uit boven aan een steile rotswand. Een pijl wijst ons de richting naar een mooi uitzichtpunt (belvédère du Vion Billard) en na een honderd meter komen we bij een bankje uit, waarvan we een subliem uitzicht hebben op dit deel van de Jura Diep onder ons (een 200 meter toch) zien we het dorpje Derriére le Mont liggen en verderop strekken zich de Jura-heuvelruggen uit zover het oog reikt. Het is al 13u45 en het is hier natuurlijk een ideale plaats voor onze picknick. De GR brengt ons na een halve kilometer bij het gehucht les Cernoniers, waar zich als enige bezienswaardigheid een mooi kapelletje bevindt. Voorbij de afslag naar de boerderij ‘les Charmottes’ vatten we de klim naar le Vieux Châteleu aan. Voor het laatste vandaag moeten we nog even bergop. We vervolgen onze weg langs een bosweg op de flank van de Mont Châteleu. Een stuk verder komen we uit bij weer een groepje huizen, dat de intrigerende naam ‘le Nid du Fol’ draagt . Even verder lopen we terug in het bos., En het is precies of we de loofbossen achter ons gelaten hebben. Hier bevinden we ons in het land van de dennenbossen. Iets verder wandelen we voorbij de afslag naar Les Cerneux waar zich blijkbaar ook een gîte d’ étape bevindt. Tenslotte komen we terecht aan de rand van het bos, waar we trouwens nog enkele dotterbloemen (Caltha palustris) zien en zien in de verte onze eindbestemming van de dag liggen : de paar gebouwen, die het gehucht Les Seignes rijk is. Om 17u15 komen we aan op het erf van de vroegere boerderij "La Maison des Seignes".

 

 

 

58. Les Seignes - La Cluse-et-Mijoux (26km) : 26 Mei 2007

 

Om 8u50 laten we het gehucht achter ons. Deze nacht moet het toch goed geregend hebben. Er hebben zich nieuwe plassen op de grond gevormd. Maar de weergoden zijn ons weer gunstig gezind ... de hemel is weer zo goed als wolkenloos en helderblauw. We slaan de richting in naar le Grand Mont en vinden al snel de streepjes van de GR5 terug. Rechts voor ons zien we al les Roches du Cerf opdoemen. Maar nu wandelen we eerst door bergweiden vol met planten van alle kleuren. Voor we de Roches du Cerf kunnen beklimmen, doet de GR5 ons nog eerst wat afdalen in de vallei van le Théverot, kwestie van genoeg hoogtemeters te kunnen noteren op het eind van de dag. We zijn sinds ons vertrek al meer dan 100 meter gezakt en nu wacht ons een klim van een 300 meter naar de Zwitserse grens en de kam van les Rochers du Cerf bij la Côte du Cerf. Ik ben benieuwd dat we bij al dat ge-“cerf” ook enkele herten te zien zullen krijgen. Bij de huizen staat een flinke wandelwegwijzer waar allerhande richtingen en afstanden op staan aangegeven. Er staan hier en daar zelfs aanpassingen op, zodat het een hele kerstboom is geworden. Raak daar maar aan uit !

We beslissen van maar gewoon de GR5 te volgen, zoals die op onze kaart staat aangegeven en moeilijk is die niet te vinden ... het is het pad bergop !! We moeten onze krachten wat doseren, want van nu af is het minstens 3 kilometer bergop. Eerst is het pad nog breed en vlak, maar stilaan gaat het niet alleen steiler, maar ook wordt het pad zelf wat moeilijker begaanbaar. We kunnen een regelmatig, maar vrij goed tempo aanhouden en komen na een goed half uur om 9u50 aan de rand van het bos, die volgens mijn berekeningen al een eindje in Zwitserland moet liggen. Links van ons zien we een boerderij, die op de kaart de naam Chez Blaiset draagt en dan staan we midden in de groene weiden, die aan deze kant van de Rochers du Cerf liggen. Een eenzame richtingwijzer wijst ons de richting aan die we moeten nemen en waar we met moeite een pad door het gras zien lopen. We hebben het hoogste punt van de Rochers du Cerf bereikt op 1200 meter boven de zeespiegel. Op de grens liggen hier twee op het eerste zicht onbewoonde gebouwen, één op Zwitserse bodem, waarop een hert is geschilderd, en één op Franse bodem, dat eerder een schuur is. Een ijzeren poortje markeert bij een wegwijzer de grens. Aan de rechterzijde ervan vinden we weerom de grijze grensstenen, die we gisteren ook al zagen op de kam van le Meix Musy. Nu zitten we toch al wat verder, want we komen al voorbij nummer 129. Het pad wordt breder en we gaan lichtjes bergaf. Gelukkig is de bewegwijzering ook hier perfect, zodat we rustig kunnen genieten van het mooie natuurschoon.

In een haarspeldbocht wijst een bordje naar les Alliés ons van de brede weg af. We komen uit het bos op een meer open plek en zetten ons even op enkele omgekapte boomstammen, die hier langs de weg liggen. Het is 10u35 en we nemen enkele slokken van onze drinkbussen. Als we verdergaan doemen voor ons enkele huizen op tussen het groen. Het plaatsje heet le Cernet de Doubs en ligt praktisch op de grens met Zwitserland. Voor de huizen worden we via een smal pad het landschap ingestuurd en ongemerkt overschrijden we weer de internationale grens en bevinden ons weer in Zwitserland. Na nog geen kilometer komen we iets voor 11u bij een prikkeldraad-afsluiting, waar een groot bord naast staat, dat ons duidelijk maakt dat we weer bij de grens staan en geen ongeoorloofde spullen naar de overkant mogen smokkelen. Gelukkig biedt een metalen overstapje ons een desalniettemin penibele overgang naar de Europese Gemeenschap. Zo blijven we een dikke 20 minuten verder stappen, tot we eindelijk uit de bossen tevoorschijn komen en het dorpje les Alliés voor ons zien liggen. Het is nog een eindje stappen en voor we de eerste huizen bereiken, komen we nog voorbij een pas ingericht gedenkteken. Het is opgericht voor een inwoner van dit dorp, die tijdens de laatste oorlog in het verzet heeft gewerkt en tenslotte toch door de Duitsers is opgepakt en ter dood gebracht. Het dorpje zou trouwens nog een andere anecdote bezitten. De mensen die het lang geleden gesticht hebben, zouden van Duitse oorsprong geweest zijn en daarom zou het plaatsje eerst ook les Allemands geheten hebben. Tijdens de eerste wereldoorlog moesten ook vele jonge mannen van dit oord gaan vechten tegen de Duitsers en er zijn dan ook proportioneel veel mannen gestorven in die strijd. Na de oorlog is de naam van het dorp dan ook omgedoopt in les Alliés, om de herinnering aan de grote vijand uit te wissen.

Bij de kerk staat ook op een prominente plaats het obligatoire monument voor de gevallenen van de wereldoorlogen. En het zijn er inderdaad een hele hoop. Van verscheidene families komt de naam meerdere malen voor op de goed verzorgde obelisk. En op de onderkant zijn hier zelfs nog fotootjes bijgevoegd van de helden. Zo zijn de families Frelet en Dornier niet gespaard gebleven van groot verdriet. En terwijl les Alliés langzaam in de achtergrond verdwijnt, slingert de weg zich verder doorheen de groene, golvende velden van de Jura. We laten de Ferme des Bonjour en de Ferme de la Barrillette achter ons en belanden terug op een onverhard pad. De GR5 heeft tot nu toe een heel stuk samengelopen met de GR GTJ (Grande Traversée du Jura), maar hier scheiden de wegen van de paden zich. We lopen hier op de flank van één van die vele kammen, die de Jura rijk is. Ondertussen komt een gebouw onder in de vallei in het zicht. Het is le Moulin Maréchal. Spijtig genoeg ziet het er niet naar uit dat de molen een horecazaak is, dus we zetten onze tocht maar verder. Bij de Ferme des Ouillettes gekomen, stuurt de GR ons toch van het asfalt weg en moeten we weer het bos in en ... omhoog. Iets na 13u staan we bij de Passage d’ Entreportes, een soort van doorgang door een bergmassief. We komen hier langs de Dames d’ Entreportes. Het zijn geen jongedames, die hier langs de weg op ons staan te wachten, maar het is een rotsformatie die deze naam draagt. We zetten ons op enkele boomstammen langs de weg in het zonnetje en halen onze picknick boven. De Ruisseau des Entreportes stroomt hier voorbij en achter ons is de wei een drassige bedoening. De Comté kaas en de Morteau worst gaan vlot naar binnen, zeker als ze overgoten worden door wat witte wijn.

We zijn trouwens al goed gevorderd en zijn nog maar goed een 8 kilometers van ons einddoel verwijderd. Om 13u55 zijn we weer weg. Na een kilometer of zo, draaien we van de weg af en beginnen aan de beklimming van de flank van de Montagne du Larmont. Deze bergkam loopt van de Zwitserse grens naar La Cluse-et-Mijoux, waar ze door de Doubs in tweeën gebroken wordt. Dat is trouwens wat een ‘cluse’ is : een doorbraak door een bergwand, meestal veroorzaakt door een waterloop. De klim duurt een dikke 20 minuten, waarna we op hoogte verder wandelen. Voor ons zien we op de bergkam zelf tussen de bomen de zendmast oprijzen, waarvan we weten dat die bij het Fort du Larmont Supérieur (Fort Catinat) staat. Ondertussen is de lucht wat donkerder geworden en de wind is ook wat frisser dan daarstraks. Zouden we dan op de valreep nog een bui over ons heen krijgen ? Om 15u10 wandelen we tussen de gebouwen van de Granges les Jantets en de eerste druppels doen ons besluiten hier even te schuilen. We proberen eerst droog te blijven onder de brede overstekende dakgoot, maar de regen begint al snel uitbundiger te vallen, en we moeten wat later verhuizen naar een afdak van een bijgebouw.Na een dik half uur lijkt het erop dat de regen toch stilaan begint te minderen. We pakken onze moed en onze poncho’s bij elkaar en besluiten toch maar terug op weg te gaan, regen of niet ! Het zijn hooguit nog een 4 kilometer tot onze auto, dus dat moet wel lukken. We zijn nog geen 300 meter ver of de hemelsluizen gaan pas echt goed open. We blijven een tijdje staan onder enkele dichtbebladerde loofbomen, terwijl het pad stilaan veranderd in een ondiepe, snelstromende beek. Een 10tal minuten later is de zondvloed toch wat minder geworden en vervolgen we onze weg als 3 monniken op bedevaart.

Om 16u30 komen we bij het Fort Larmont Inférieur aan. Het wordt ook Fort Mahler genoemd, naar een zekere generaal Jean-Pierre Mahler (1761 – 1808). De weg loopt langs de versterking heen en verder door, maar we kunnen het niet laten om langs de gracht van het gebouw naar de andere kant te gaan om even van het bekende uitzicht op Château de Joux te genieten. En het is inderdaad de moeite waard. Terwijl aan onze voeten in de diepte de Doubs nog steeds de cluse wat dieper maakt, zien we aan de andere kant het historische kasteel van Joux. Daar moeten we de volgende maal langs als we onze weg naar het Meer van Genève verder gaan zetten.Uiteindelijk komen we na heel wat zigzagwerk, bij een lange trap uit. Dan nog enkele meters dalen langs de trap en we staan op veilige bodem in de vallei. Hier is de vallei of cluse op zijn smalst. Over een afstand van misschien maar vijftig meter lopen hier een spoorlijn en een verkeersweg naast elkaar doorheen de kloof. Gelukkig is er ook nog een voetpad en daarlangs stappen we nu, terwijl de regen toch aanstalten maakt om te stoppen, naar ons einddoel. We bevinden ons hier op het grondgebied van de Commune de la Cluse-et-Mijoux. Onderweg komen we nog langs een pracht van een kapelletje, het oratoire Saint Léger. Het heeft een prachtig klokvormig dak van leisteen en stamt uit de 17e eeuw. We slaan de hoek om en staan dan om 16u50 op de parking bij mijn auto. We stoppen al onze spullen in de wagen en vertrekken we terug naar les Seignes. Tot volgend jaar le Frambourg, want dan zullen we het stuk tussen Pontarlier en Nyon volwandelen. Nog slechts een vijf dagen wandelen scheiden ons van het Meer van Génève en dan nog de Alpen. Het schiet goed op ! Spijtig !!

 

 

 

59. La Cluse-et-Mijoux - Métabief ( 20km) : 20 Mei 2008

 

We weten dat de GR5 zich in vogelvlucht een honderd meter van ons naar het westen bevindt, maar ik vind dat we de GR-draad terug moeten opnemen, daar waar we hem verlaten hebben … in Frambourg. En hem verder moeten volgen, waarlangs al zovele GR5-wandelaars hem voor ons gevolgd hebben : langs het kasteel van Joux. We lopen langs de verkeersweg terug naar de ‘cluse’, de kloof tussen de beide forten. We zien de weg, die aan de overkant van de rails omhoog gaat naar het kasteel en dan zien we iets eigenaardigs : de witrode GR-strepen wijzen eenduidig naar een draineringsbuis, die hier onder de spoorweg loopt. Het zou dus de bedoeling zijn dat we hier onder het spoor doorkruipen, waarschijnlijk om een gevaarlijke oversteek te vermijden ! Maar die buis is hooguit een halve meter hoog en we zien het niet zitten om dubbelgebogen met een rugzakje op de rug door die konijnenpijp te kruipen. Neen, dan nemen we maar het risico dat er een trein langskomt. De spoorlijn is hier trouwens kaarsrecht en je ziet (en hoort) een trein hier al van honderden meters ver aankomen.

We vatten de beklimming van de weg naar het kasteel aan en komen alweer voor een barrière te staan. De GR-strepen leiden ons hier van het asfalt af en via een wandelpad, zouden we vanaf hier naar boven gaan. Een nadar-afsluiting staat hier echter vierkant over het pad geplaatst, maar we kunnen er zonder moeite omheen en vervolgen onze weg bergopwaarts. Links van ons zien we stilaan de indrukwekkende muren van het bouwwerk dichterbij komen. Wat verder komen we bij een parking en de eigenlijke ingang van het Château de Joux. Het ligt hier op meer dan honderd meter boven de cluse, waarvan het al duizend jaren de doorgang domineert. Door deze kloof liep de handelsweg, die het zuiden (Italië en vroeger het Romeinse Rijk) via Bourgondië verbond met de Champagne streek en de Lage landen. Het is samengesteld uit gebouwen en versterkingen van verschillende tijdvakken. Het heeft vele belegeringen en bezettingen gekend en er logeerden vele beroemdheden. Het pad loopt door een mooi bos langs de helling van de heuvel, die we juist beklommen hebben en zo komen we in het gehucht, dat we gisteravond nog verkend hadden.

We gaan recht de helling op en het bos in, linea recta omhoog naar de top van de kam van de Mont Crossat. Het is een pittige klim en soms vereist die zelfs wat handen- en voetenwerk, maar langzaam maar zeker geraken we op de top van de kam op ongeveer 1000 m hoogte. Omkijkend, kunnen we doorheen de bomen nog net een laatste glimp opvangen van het château de Joux. En dan trekken we het bos in langs brede paden naar het zuidwesten. Meer dan een half uur gaat het zo verder rustig op en af doorheen het mooie bos. Uiteindelijk komen we uit het bos terecht op een open veld en vervolgen onze weg naar een groep gebouwen. De eerste is een grote schuur, waarop ‘les Granges Tavernier’ vermeld staat. We laten snel het gehucht achter ons en gaan verder over het pad dat zich voor ons doorheen de weiden uitstrekt. Na een licht glooiing in het landschap beklommen te hebben, zien we plots aan onze rechterzijde het noordelijke uiteinde van het Lac St. Point. Langzaam dalen we af naar het plaatsje Chaon, waar we rond 11u10 binnenwandelen. Hier en daar hebben we een mooi uitzicht op het rustige, langgerekte meer, dat we nu een hele tijd gezelschap gaan houden. Langs de rand van bossen en langs weiden vol met jonge koeien bereiken we het dorp Monrperreux. Na een tiental minuten komen we bij een zijpad. Een pijl van een plaatselijke wandeling maakt ons duidelijk dat hier de afslag is naar de befaamde ‘Source Bleue’. Wij gaan even van de GR5 afwijken en gaan voorzichtig de helling af. In de diepte horen we al van ver het geruis van een watervalletje. De eigenlijke Source, zien we links van ons uit een grot komen. En inderdaad, het heeft een bijzondere bijna azuurblauwe kleur. Hoe komt dit ? Volgens de legende zou het komen door de tranen van een ontrouwe vrouw, maar de oorzaak zal waarschijnlijk een meer onromantische oorsprong hebben.

Na weer een pittige klim lopen we weer op een vlakke weg met een paar mooie doorkijkjes op het meer. Als we op een asfaltweg komen, zien we even later de eerste gebouwen van Malbuisson rechts beneden ons liggen. Niet veel verder komen we op een asfaltweg uit en als we naar rechts draaien, komen we na een 100 meter om 12u50 in het centrum van Malbuisson tercht. We vinden voor de plaatselijke Syndicat d’ Initiative tocheen bank waar we onze etenswaren uitpakken. Met een stevige slok witte wijn van de Côtes de Jura spoelen we de verse baguette met de kaas en de saucis weg. De sappige tomaten vervolledigen de maaltijd. Het is even zoeken voor we de GR5 weer kunnen oppikken buiten het plaatsje. We vinden hem terug aan de rand van een wei en dan klimmen we weer omhoog naar het volgende bos. Na een klim van zo een 150 meter zijn we weer opgewarmd. Al snel wandelen we voorbij de Granges de Malbuisson. Het pad zoekt zijn weg verder door bos en weide en hier en daar een kaalgekapt stuk. Rond 15u laten we het bos achter ons en bevinden we ons terug tussen weiden en afsluitingen. In de verte rechts van ons doemt al het uitnodigende, maar toch indrukwekkende silhouet van le Morond op. Links van ons zien we even later een gigantisch litteken in het landschap. Het moet een soort van steen- of zandgroeve zijn.

We dalen verder af en komen rond 15u in het dorpje le Touillon aan . Het is er rustig en stil en er is hier dus niets te zoeken, zodatwe gewoon het dorpje doorkruisen en onze weg verder zetten naar het volgende plaatsje. Iets voor 15u30 bereiken we het volgende dorpje le Loutelet. Weerom is het een verlaten plaatsje, waar zich geen beweging voltrekt. De Gr-strepen leiden ons het dorp uit en een ondiepe vallei in , waar we langs enkele weiden vol melkvee wandelen. Na nog geen kilometer komen we tenslotte aan de plaats waar we de GR tijdelijk moeten verlaten om ons verblijf voor vanavond te bereiken. Het hotel Etoile des Neiges bevindt zich in Métabief en we dalen dan ook af naar het wintersportplaatsje, dat aan de voet van le Morond is gelegen. Om 15u45 staan we tenslotte voor ons eindpunt van vandaag. Morgen staat er een fikse klim op ons te wachten !

 

 

 

60. Métabief - Mouthe (23km) : 21 Mei 2008

 

Om 9u00 stipt verlaten we het plaatsje langs dezelfde weg als die waarlangs we gisteren toegekomen zijn. We vinden de GR terug bij de spoorlijn, die we nu verder volgen. In een klein half uur brengt de wandeling langs het spoorlijntje ons aan het oude stationnetje van les Hôpitaux Neufs. De beklimming van de Mont d’ Or is begonnen en dat merken we al snel, omdat het pad onmiddellijk de hoogte ingaat. Na een kwartiertje komen we bij een boom met een erg dubbelzinnige bewegwijzering. Pijlen wijzen zowel naar rechts als links. Snel hebben we door dat we verder bergop moeten, dus linksaf. Iets verder stoppen we even bij een infobord dat ons alle uitleg verschaft over ‘La Fontaine des Oiseaux’, waar we nu bij staan. We wandelen verder over een breed pad, waarvandaan we nu en dan een prachtig zicht hebben op de vallei onder ons en de dorpen erin. We worden door een tunneltje geleid en dan gaat het pas goed bergop. Als we een kabelbaan bereiken, zien we wat hoger de chalet du Petit Morond liggen. We volgen een verharde weg en via enkele haarspeldbochten bereiken we dan om 11u00 stipt de top van le Morond op 1419 m hoogte … in de wolken. We kunnen nog wel de oriëntatietafel en het eindstation van de kabelbaan onderscheiden. We zetten ons even neer in de lijzijde van het kabelstation om even van de koude wind af te geraken.

Na een kwartiertje rust, doen we terug onze rugzakken om en zijn we weer weg via de ‘Sentier des Crêtes’. Als we wat afdalen van de top van le Morond, gaat ook de wind wat luwen, zodat we het al vlug wat warmer krijgen. We wandelen door een mooie vallei, waar honderden bloemen staan te schitteren tussen het gras. Na nog een kwartiertje op en neer bereiken we de plaats, waar de kam aan de oostkant abrupt enkele tientallen meters de dieperik induikt. We zouden hier, bij de belvédère des Chamois een prachtig zicht moeten hebben op de vallei onder ons en verder in Zwitserland tot zelfs …. de Alpen ! Maar spijtig genoeg zitten we nog steeds in de wolken en ons zicht wordt nog meer beperkt. De mist blijkt hardnekkig en verhindert ons elk zicht in de vallei. Pech natuurlijk, maar uit verslagen van andere GR-wandelaars wisten we dat de kans erg reëel was, dat we hier in de wolken zouden lopen. Ondertussen is op de kam, waar we ons bevinden de wind terug gaan opsteken. Op mijn thermometer lees ik dat het slechts 4,9 °C is, maar met deze ‘windchill-factor’, zou het me niet verbazen dat we erg dicht bij het vriespunt zitten. Wij willen nog even de kam volgen en vinden wat verder dan ook de top van de Mont d’ Or. Met 1461 meter is dit de tot nu toe hoogste top op de GR5. Veel merken we er uiteraard niet van in deze omstandugheden, maar gelukkig kunnen we op een infobord bekijken wat we nu missen : het ‘Vue panoramique du Mont d’ Or’ op een groot deel van het Lac Leman en het massief van de Mont Blanc in de verte.

We zijn nog maar amper van een lege parking af of we komen al onder het wolkendek uit en hebben terug wat zicht op de weide omgeving. Na een kwartiertje afdalen komen we over een grote weide bij la Coquille chalet en zien rechts van ons enkele boomstammen in het gras liggen. Perfecte zitplaatsen voor onze picknick. Ondanks de fles rode wijn, geraken we toch niet helemaal opgewarmd; zodat we na een half uur onze boel toch maar bijeenpakken en verder de berg afdalen. Het wordt een lange afdaling naar de vallei en de ene chalet wordt gevolgd door de andere. Na de chalet Coquille komt de chalet la Blonay, vervolgens de chalet la Boissaude en wat verder lopen we op korte afstand langs de chalet la Grangette. Het is eigenlijk wel aangenaam wandelen zo : lichtjes bergaf, door het zachte gras en met veel groen rondom ons. Na geruime tijd komen we op een asfaltweg uit, die ons wat verder bij les Granges Raguin brengt. Terwijl we verder stappen langs een mooi valleitje komen we wat verderop langs de chalet Corneau. Fijn is ook dat de zon terug doorheen de wolken begint te priemen. De eerste keer in 2 dagen dat we echt doorheen een zonovergoten landschap kunnen wandelen. Aan de andere kant van het veld komen we via een poortje uit bij de volgende chalet, de Grange Bousson. Een vos kruist enkele tientallen meters voor ons ons pad en - na enkele momenten nieuwsgierig ons aangestaard te hebben – vervolgt hij/zij zijn/haar weg.

Even verder duikt het volgende gebouw voor ons op, de Sapeau Léger chalet. We bevinden ons nu op een 1100 meter hoogte. Gaandeweg worden de paden breder en ook beter begaanbaar. Doorheen het geboomte komt rechts van ons ook stilaan de brede vallei van de Doubs in zicht en rond 15u45 zien we het kerkje van Mouthe verschijnen in de verte. We hebben eerst nog een afspraak met een oude bekende. Iets ten zuiden van het plaatsje Mouthe bevindt zich de bron van de rivier de Doubs en de GR is zo vriendelijk van ons er even langs te leiden. We laten ons even leiden door een richtingwijzer naar een mooi utizichtpunt en via een lange trap belanden we na een korte klim inderdaad ook op een platform, vanwaar we een prachtig zicht heben op de Doubsvallei met Mouthe in de verte. We zoeken terug de witrode streepjes op, die ons uiteindelijk dan toch om 16u bij het begin van de Doubs brengen. We vinden hier niet een klein bronnetje, vanwaar een dun straaltje water uit de grond of de rotsen sijpelt, maar de Doubs verschijnt hier al als een reeds brede beek in het zonlicht uit een grotopening. Nu is het een rustige beek, die hier enkele meters uit de berg een watervalletje vormt. De site is duidelijk niet zo in trek als de Saut du Doubs, die we vorig jaar enkele kilometers noordelijk van hier nog bezocht hebben.

Een mooi wandelpad langs de Doubs brengt ons vervolgens doorheen de vallei naar Mouthe. Van verre al hebben we de kerk van het dorp in het zicht. Het slingerende pad brengt ons eerst langs een recente verkaveling om ons dan tenslotte tot bij het kerkje van Mouthe te leiden. Als we onze gîte om 16u40 naderen merken we dat het geen alledaags verblijf is, maar een “Gîte d’ étape Art et Randonnée”. Als we binnengaan worden we verwelkomd door de eigenares die zichzelf en de gîte aan ons voorstelt. De gîte is een oude boerderij, die volledig omgebouwd is om gasten te ontvangen. Er is blijkbaar in de loop der jaren wel wat bijgebouwd, zodat het geheel een doolhof van gangen en kamers geworden is. Om 19u00 begeven we ons naar een restaurantje en ik had wel zin in een goede pizza, maar dat wordt een kleine desillusie ! De keuze voor de wandelaars is beperkt (voor € 11,50 per persoon mag je natuurlijk niet té veel verwachten), maar we zijn uiteindelijk toch tevreden met het aanbod.

 

 

 

61. Mouthe - Chapelle-des-Bois (21km) : 22 Mei 2008

 

Om 9u10 vatten we onze dagelijkse wandeling aan. Voorlopig moeten we enkel de hoofdstraat van Mouthe zuidwestwaarts volgen, tot we bij een weg naar de Zwitserse grens komen . Over de groene vallei heen kunnen we in de verte nog de huizen en de kerk van Mouthe onderscheiden. Wat verderop steken we via een brugje een klein beekje over, le Cul du Bief, en trekken verder de moerassige vallei door. We komen in bebost gebied terecht en op een kruispunt van boswegen belanden we op een stapelplaats van ontelbare, afgezaagde en gekloven boomstammetjes. Op een bepaald ogenblik stappen we langs een bosweg met een verhoogde berm links van ons en plots zien we er bovenop iets wits blinken. Het is in ieder geval een dierenschedel, maar van elk dier. We houden het met algemeenheid van stemmen erop dat we hier met de schedel van een jong everzwijn te maken hebben. Het ligt hier blijkbaar al een hele tijd, want er zit geen stukje vlees of ander weefsel meer aan. Als de ‘bone-collector’ onder ons en wordt de schat aan mij toevertrouwd. We komen wat later uit in de drassige vallei van de Cébriot, een beekje dat uiteindelijk in de Mouthe uitmondt. Het beekje kabbelt rustig links van ons en al snel komen we bij de afslag naar het gehucht le Vuillet. Iets verder passeren we de ruïne van wat eens een watermolen zou kunnen geweest zijn en dan gaat het stilaan omhoog langs de met gras begroeide wand van de vallei tot we in de verte de spits van de kerktoren van Chaux-Neuve kunnen zien.

We komen uit op een breder pad en zetten iets verderop de afdaling in naar het dorp. Tegenover het gemeentehuis slaan we een zijweg in en bereiken iets verder het plaatselijke monument ‘Aux Morts pour la Patrie”. Voor de obelisk bevindt zich nog een redelijk recente steen in donker marmer, die generaal Claude Ignace François Michaud herdenkt. Al snel zijn we het plaatsje uit en dan zien we iets verder aan de andere kant van de vallei bij le Lernier plots de grote springschans. Een pad leidt ons tussen velden door langs een onbewoonde schuur/woning tot op een verharde weg ter hoogte van een plaats die op de kaart les Paquiers genoemd wordt. Van hieruit gaan we nu het immense Foret du Mont Noir intrekken. Dit is één van die enorme wouden, die zich op de grens van Frankrijk en Zwitserland bevinden en deel uitmaken van het grote Parc Naturel Régional du Haut-Jura. Na een goed half uur flink doorstappen komen we dan toch aan de afslag, die we zoeken. Het is al 12u40 en we hebben – gezien het feit dat we al zover gevorderd zijn vandaag – besloten om hier van de GR af te wijken en de top van le Prè d’ Haut (1274 m) op te zoeken voor onze picknick. Er bevindt zich een soort van hut, waaromheen een hele schrootwinkel van antennes en andere metalen rommel te vinden is. Het is in ieder geval niet dé plek om onze baguettes op te eten . Die plaats zoeken we daarom even verder op, waar we een wat idylischer uitzicht hebben op de omgeving.

Om 14u00 zoeken we de GR5 terug op en richten ons weer naar het zuiden. We blijven nog geruime tijd doorheen de bossen lopen, die af en toe afgewisseld worden met open plekken. Het bospad slingert zich tussen bomen en open plekken door tot we iets na drieën tenslotte voor vandaag de dichtste bebossing achter ons laten. Het is telkens weer een verademing om na zolang tussen dichte begroeiing gezten te hebben, weer wat zicht te heben tot aan de horizon. Bij de Chemin de la Cernée zet een wegwijzer ons op weg naar ons einddoel. We zijn nog een klein uurtje verwijderd van ons einddoel. In de verte kunnen we soms al de beboste kam onderscheiden, die we morgen over moeten en die de grens met Zwitserland vormt. Maar eerst sturen de GR strepen ons nog doorheen velden, waar grote kuddes koeien hun veilige (?) leven doorbrengen Ze zijn echter wel nieuwsgierig genoeg om ons te volgen of is het omdat ze denken dat we wat te eten bijhebben voor hen ? Na wat geslalom tussen de koeienvlaaien in de weide, bereiken we om 15u45 een verharde weg bij een boerderij. De richtingwijzer geeft aan dat we hier bij La Beurrière zijn aangekomen. Nu nog even de laatste rechte lijn richting einddoel inslaan. De zon is ons op het eind van de dag toch nog goedgezind en als we tenslotte een kwartiertje later de Chapelle-des-Bois binnenstappen gebeurt dat onder een bescheiden zonnestraaltje. Maar nog voor we het centrum van het dorp zelf bereikt hebben, bereiken we ons verblijf, het nog vrij nieuwe “Maison du Montagnon”.

We krijgen te horen dat het avondmaal rond 19u30 klaar zal staan en zetten ons nog even op het terras neer in de zon met een plaatselijk biertje. Het komt van de brouwerij ‘La Rouget de Lisle” en is een streekbier, dat gebruikt maakt van ingrediënten uit de Jura. En dan is het tijd om onze lichamen eens goed te verwennen. In de benedenverdieping vinden we alles. We zetten ons eerst even in de sauna en die doet ons eerst eens goed zweten. Een frisse douche brengt ons dan weer even op een draaglijker temperatuur en dan schieten we allen de ‘hammam’ in. En tenslotte als we allemaal goed rood zien van al die warmte, glijden we met z’n allen in het bubbelbad en blijven daar nog even relaxen. Voor we het goed weten is het al 19u30 en we haasten ons naar onze kamers om ons klaar te maken voor het diner We krijgen eerst een lekkere bloemkoolsoep geserveerd en als hoofdschotel volgt dan een stevige worst met salade (natuurlijk) en daarbij gebakken patatjes met spekjes. Kortom een stevig maal dat we echt wel nodig hebben na enkele dagen in de buitenlucht vertoefd te hebben. Natuurlijk mag een flinke karaf met rode wijn niet ontbreken en de kaaschotel achteraf evenmin. Tenslotte komt de waard, die trouwens zelf ook meegegeten heeft, nog af met een grote bokaal fruitsla om de maaltijd met een fris dessert af te sluiten.

 

 

 

62. Chapelle-des-Bois - La Bief de la Chaille (23km) : 23 Mei 2008

 

Om 9u10 pakken we onze spullen bijeen en gaant naar het centrum van het dorp. Daar komen we wat later uit bij het befaamde kerkje met het verroeste, plaatijzeren dak. Al snel verlaten we het dorp en zoeken onder een heerlijk ochtendzonnetje de groene weiden op. We passeren even later een klein bruggetje. Dit zal vandaag waarschijnlijk ons laagste punt zijn, want voor ons rijst de steile rotswand van kalksteen, die de grens vormt. Wat ook niet echt opbeurend is, is het kleine ijzeren kruis dat hier moederziel alleen in de drassige grond naast de weg staat gepland. Hier zou blijkbaar in de 17e eeuw het kerkhof van de slachtoffers van de pest gesitueerd geweest zijn. Wat verder beginnen we aan de eerste meters van onze eerste klim van vandaag. We worden vergezeld door een kudde koeien en die zorgen voor een mooie voorgrond als we wat hogerop een mooi zicht hebben op Chapelle-des-Bois. En dan gaat het goed omhoog de rotswand op.

We moeten hier 300 meters omhoog, maar na een goed kwartier begint het pad toch al wat minder steil te worden en kunnen we hier en daar tussen het lover door al een blik werpen op de omgeving met onder andere de blauwe vlekken van het Lac des Mortes en het Lac Bellefontaine in de verte. Nog wat verder komen we dan op een groot grasveld uit aan de rand van de rotsen. En dan staan we voor één van die mooie panorama’s, die de GR 5 rijk is. Voor ons strekken zich heuvelrij na heuvelrij uit tot in de verte. Aan onze voeten ligt tussen de frisgroene weiden het dorpje Chapelle-de-Bois en verderop de immense bossen van het Foret du Mont Noir, waar we gisteren nog doorheen getrokken zijn. We blijven nu een tijd lang op de rand van deze rotsen verder wandelen en belanden zo een kleine 10 minuten later bij het enorme kruis. Het is een flink uit de kluiten gewassen metalen kunstwerk van wel zeker een 10 meter hoog. Een 100 meter ten westen van het kruis komen we bij een Zwitserse wandelwegwijzer en beseffen dat we ons hier op de internationale grens bevinden. De plaats heet ‘Roche Champion’ en we staan hier op een (Zwitserse) hoogte van 1325 m boven de zeespiegel. Vanaf hier blijven we een tijd de grens volgen. En dat blijkt al snel als we even verder de eerste grenssteen tegenkomen langs het pad. Ze zouden hier al staan van 1824. De inscripties op deze steen zijn nog recent wat bijgeschilderd, zodat we duidelijk kunnen zien dat ze allemaal voorzien zijn van een lelie (‘fleur de lys’) aan de Franse zijde (F) en een soort wapenschild aan de Zwitserse (S). Het is er niet meer aan te zien hier, maar er zou zich vroeger een ‘mur frontière’ bevonden hebben op deze plaats. Een muur van opeengestapelde stenen, door de Zwitsers aangelegd in de 17e eeuw, die 250 km lang liep van Bazel tot aan Génève.

Zonder het zelf te beseffen laten we na een uurtje stappen de grens achter ons en niet veel later wijst een wegwijzer ons de goede richting aan naar onze volgende halte, ‘la Roche Bernard’. Daar aangekomen staan we weer voor een panorama uit de duizend. Enkele honderden meters lager liggen de blauwe vlaktes van de Lac des Mortes en het Lac Bellefontaine aan onze voeten. Het is alsof we voor een levensgrote landkaart staan in technicolor. Van hier uit trekken we het reusachitge Forêt du Risoux in en we zullen daarin blijven tot we straks bij les Rousses terug in de beschaving zullen terecht komen. Na een tijdje komen we dan toch op een wat bredere, meer verharde weg en blijken op de Chemin du Grand Remblai beland te zijn. Deze brengt ons om 12u15 bij een kleine houten abri, waar we even een kijkje in nemen. Verderop komen we langs plaatsen, waar blijkbaar niet dikwijls de zonnestralen komen, want hier en daar bemerken we nog grote stukken sneeuw en zelfs op de weg moeten we over brede stukken ijs navigeren. En zo wandelen we ongemerkt van het ene bospad op het andere, want volgens de kaart zitten we al een poos op de Route du Chemin Neuf als we bij een vrij groot kruispunt komen. Het kaartje in de topogids laat ons weten dat we op de Plan des Buchaillers aangekomen zijn.

Een goed kwartier verder, komen we bij een volgend kruispunt en daar staat een pracht van een bank op ons te wachten aan de kant van de weg in de schaduw van enkele grote sparren voor onze picknick. Als we om 14u terug aan het inpakken zijn om te vertrekken, bemerk ik een richtingwijzer, die ons mededeelt dat we hier op een plaats zijn, ‘le Capucin’ genoemd. We zitten hier echt wel midden in het grote Forêt du Risoux. onerend, evenals de teientallen meters hoge sparren, die we hier en daar tegenkomen. Langs weer een brede, bijna vlakke bosweg gaat het verder in een fiks tempo en om 14u20 passeren we een grote, open plek – Plan Pichon genoemd – dat even als een soort verademing voelt. We zien weer even de open lucht boven ons en het is een mooie blauwe lucht. Om 14u30 komen we dan uit op een volgend kruispunt, waar we op de kaart ‘Chalet Rose’ bij zien staan en inderdaad we worden op onze wenken bedient, want er bevindt zich een roos chalet op de plaats. Langs een bosweg met de poëtische naam Route Forestière de la Combette aux Quilles trekken we snel verder. Het is onderweg toch wel uitkijken naar de goede wegwijzers, want er lopen hier dus wel een aantal GR’s doorheen het woud.

Nog een kilometer verder begint het stilaan bergaf te gaan. Het pad wordt kleiner en rotsig en het groen sluit ons meer in, maar we voelen dat het einde (van het bos toch !) in zicht komt. Nog een honderd meters verder bereiken we een chalet, la Loge à Ponard genoemd. Na nog een steile afdaling bereiken we de eerste huizen van les Rousses. We worden een smal pad ingeleid tussen twee rijen coniferen door en zien voor ons de kerk van les Rousses op zijn hoogte. We zijn hier namelijk in les Rousses-en-Bas, wat betekent dat we nog een klim voor de boeg hebben voor we aan onze verfrissing kunnen geraken. We belanden tenslotte onder in de vallei waar we boven ons de hoge stad zien, les Rousses-en-Haut (veronderstel ik). Na een kort klimmetje bereiken we om 16u het kerkje van les Rousses. We moeten nog enkele straatjes door en belanden tenslotte op het centrale plein van het plaatsje. Gelukkig blijkt het toeristisch genoeg om enkele café’s te bevatten en we zetten ons dan ook snel neer op het terras van de Brasserie “La Bonbonnière”. Na een half uurtje is het wel weer goed geweest. We maken nu een grote omtrekkende beweging rond een grote heuvel, waarop het Fort des Rousses zich bevindt.

We passeren nog wat huisjes, maar als we een asfaltweggetje overgestoken zijn, komen we in de beboste vallei van de Bief de la Chaille terecht. Het pad blijft de volgende 20 minuten de vallei volgen tot we terug op de verharde weg uitkomen en na enkele meters om 17u10 de jeugdherberg bereiken. Om 19u30 worden we verwacht in de eetzaal. Het eten is eenvoudig, maar stevig en na het diner worden de tafels afgeruimd. Ondertussen is er een grote internationale groep muzikanten toegekomen, die heel wat leven brengen in de brouwerij. Ze hebben heel wat plaats nodig om al hun materiaal en instrumenten te plaatsen en als we die avond nog door de kelder passeren na een korte avondwandeling, merken we dat ze ook een flinke hoeveelheid Leffe bier bijhebben. Fijnproevers zijn het dus ! Morgen trekken we Zwitserland in op weg naar het Lac Leman, een mooi eindpunt van onze wandelweek.

 

 

 

63. La Bief de la Chaille - Nyon ( 23,5km) : 24 Mei 2008

 

Om 9u35 staan we klaar om onze laatste etappe aan te vatten. Er is hier minder bos en de weiden zijn nog dampend nat van het vocht van de dauw en de regen van gisterennacht. We passeren een brugje over het riviertje en wandelen langs de gîte de la Grenotte. De route loopt nog wat verder omhoog tot we na nog een stukje verharde weg op de D 29 uitkomen bij het gehucht les Cressonnières. Door een wirwar van zijwegjes in La Cluse probeert de GR ons dan via minder drukke wegen tot bij de grensovergang te brengen, maar op het einde moeten we toch nog een drukke weg over om dan tenslotte om 10 minuten na 10 uur de internationale grens over te steken. Hier bevindt zich ook een treinstationnetje, waarmee men met een toeristisch treintje naar Nyon kan sporen.

Al onmiddellijk merken we dat we in het super nette land van de Helvetiërs beland zijn. Nette wegen, nette huizen en iets later een lange rij van mega-koeienbellen onder het dak van een Zwitserse chalet. Natuurlijk moeten deze wat in zichzelf gekeerde bergbewoners zeker anders doe dan de rest van Europa, want in plaats van de roodwitte strepen, die we nu al volgen sinds we Frankrijk binnenstapten, worden we nu de weg gewezen door gele ruiten ! We lopen hier even op een smal pad , dat zich tussen de spoorlijn en de weg naar de Col de la Givrine situeert, en we hebben het hier letterlijk niet erg breed, maar wat verder kunnen we dit precair paadje achter ons laten en kunnen we ons al snel laten opslokken door het frisse groen van het Bois de la Pile. We komen bij een chalet, la Pile-Dessus genaamd, en een wandelpaal, doet ons hier afwijken van het pad en stuurt ons recht het veld in.

En dan laat ons geluk ons op de valreep dan toch nog in de steek : het begint te regenen. Onder een grote spar halen we de regenkledij voor de eerste keer deze week uit de rugzakken. We volgen het nu stilaan modderig wordenden pad en zien in de verte de weg van La Cure naar St. Cergue liggen. We passeren op korte afstand voorbij een hoeve, la Trélasse. De GR blijft ons door de weiden leiden en zo komen we na het oversteken van een asfaltweg terecht in een kleine vallei, waar het pad stilaan meer en meer dalwaarts begint te lopen. Om 11u15 komen we na een korte klim uit bij enkele bijeenstaande huisjes, Couvaloup de St. Cergue genaamd. Van een hoogte van ongeveer 1200 meter aan de frans-zwitserse grens moeten we vandaag afdalen naar 375 meter aan de oevers van het Lac Leman. Na een mooi stukje door het groen bereiken we weer een meer bewoonde omgeving. We zijn nu in la St. Cergue (nog niet het echte St. Cergue), waar we tussen de huizen door de gele ruiten volgen. Voorlopig moeten wij het nog een dikke 10 kilometers volhouden tot aan de oever van het Meer van Génève en dat zal wel lukken, denk ik.

Je zou het niet zeggen als je zo doorheen het frisse groen loopt, maar slechts enkele kilometers ten zuiden van ons bevindt zich één van de belangrijkste verwezenlijkingen van de Europese wetenschap. Op of liever onder de Frans-Zwitserse grens iets ten zuiden van ons bevindt zich de Large Hadron Collider (LHD) van de CERN (Conseil Européen pour la Recherche Nucléaire). We naderen St. Cergue . Om iets na 12u komen we dan in St. Cergue aan en laten de GR even voor wat hij is. Het is niets te warm en van al dat afdalen gaat onze temperatuur ook niet omhog, dus gaan we even een café zoeken om wat bij te komen. In het Maison de Ville aan het rond punt in het centrum vinden we zowel drank als … drukte. Doorheen een gemengd loof- en naaldbos, waar veel Salomonszegel in bloei staat, dalen we nu verder af in de mist, of liever de wolken. We merken dat het pad regelmatig bestaat uit grote steenblokken en begrijpen het als we in de topogids lezen dat we ons hier eigenlijk op een oude romeinse heirbaan bevinden, een oude romeinse weg, die ooit nog Nyon verbond met Parijs.

Onderweg kwamen we plots een hele groep in hun beste tenue gestoken Zwitsers tegen met een flinke kudde koeien. We waren getuige van een jaarlijkse gebeurtenis, die hier plaatsvindt in de lente. Het vee dat in de winter op de vlaktes ten noorden van het Lac Leman verblijft, wordt in de meimaand, via dit zelfde pad naar de grazige weiden boven in de bergen gebracht. Eind september of begin oktober vindt dan de Désalpe plaats, waarbij de dieren, waarvan de belangrijksten grote bellen om de hals krijgen en versierd worden met grote bossen bloemen, weer richting vallei begeleid worden. Dit is de eeuwenoude gewoonte van de “transhumance”. Eindelijk wordt ons een wazig zicht op het Meer van Génève gegund. Achter de huizen van een nieuwe wijk, zien we in de verte no net het fletse water van het meer en daarachter duiken zelfs nu en dan hoge, donkere schaduwen op waarin we de eerste bergen van de Alpen vermoeden. Om 13u45 komen we dan bij een watertrog met fontein langs de weg én een bank. Dat laatste gegeven doet ons beslissen om hier te stoppen en voor onze picknick.

We gaan verder door het centrum van Trélex en bewonderen de oude poorten van de huizen en de mooie beplantingen. Er is niet veel beweging in het plaatsje en we zijn er ook snel door. Aan de zuidkant komen we in een grote vlakte terecht, waar we tussen de akkers door verder gaan. We komen in de buitenwijken van Nyon, vanwaar de GR5 meer een stadswandeling wordt. We lopen de lange, rechte Route de St. Cergue af. Ik kom het pas achteraf te weten, maar het stadje Nyon gaat er prat op een belangrijke rol gespeeld te hebben in één van de boeken van onze Belgische stripicoon Remy Georges alias Hergé, namelijk “De Zaak Zonnebloem”. Op een bepaald moment zijn Kuifje en Kapitein Haddock in Nyon op bezoek bij Professor Zonnebloem en ze bezoeken hem in zijn villa in de buitenwijken van Nyon. Hergé had de gewoonte om veel research te doen voor hij zijn boeken tekende en ook de villa van Zonnebloem had hij getekend naar een echt bestaand huis in Nyon. Zonder het te weten, gaan wij dit voorbij op onze tocht langs de Route de Saint Cergue. Het eindpunt nadert en plots valt de toch wat beklemmende sfeer van een stad weg als we aan de Quai des Alpes staan en het grote blauwe oppervlak van het Meer van Génève voor ons zien. We begeven ons naar de embarcadère van de veerboot , waar we om 15u35 aankomen. Ergens aan de overkant ligt het kleine dorp Saint Gingolphe, waar we bijna 9 jaren geleden ook op de aanlegsteiger stonden om onze eerste stappen in de Alpen te zetten. Het lijkt wel een eeuwigheid geleden. In de verte zien we juist één van de vele boten aankomen, die elke dag hier aanleggen. Wat later zetten we ons op het terras van het café-restaurant Quai 23 om de goede afloop van onze vijfdaagse te vieren.