GR 5 : Groot-Hertogdom-Luxemburg

19. Ouren - Untereisenbach (25,5 km) : 2 Juli 2000

 

 

We maken vandaag een wandeling door de vallei van de Our, de rivier die ontspringt in de Oostkantons en hier over zijn gehele lengte de grens vormt tussen het Groothertogdom Luxemburg en Duitsland. We zigzaggen nog even langs de laatste huizen van het centrum van Ouren en komen dan in een breder deel van de vallei uit. We leggen nu de laatste kilometer van de GR 5 af in ons Belgenlandje. We passeren de Our nogmaals (de eerste maal toen we het dorp in kwamen) en komen bij de grens aan het Europa-monument uit. We bevinden ons hier op (eigenlijk vlak bij) het drielandenpunt en in 1977 werd hier dit monument onthuld, dat herinnert aan de ondertekening van het ‘Verdrag van Rome’ in 1957 tussen de zes oorspronkelijke landen van de EEG : België, (West-) Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg en Nederland. Er staat een grote monoliet in het centrum van het parkje en verschillende andere errond. We vinden zo rotsblokken met de naam van een Belgische (Spaak), Luxemburgse en Duitse politicus op, maar de anderen vinden we voorlopig niet ! We gaan verder en steken een brugje over de Ribbach (een zijriviertje van de Our) over, en bevinden ons nu dan in het Groothertogdom Luxemburg. We komen al onmiddellijk op een kruispunt terecht en komen nu voor het eerst onze nieuwe bewegwijzering tegen. Hier vinden we geen roodwitte streepjes meer, maar de gele bol van het ‘Sentier de l’ Our’.

Rond 10u trekken we tenslotte voorgoed het Groothertogdom binnen. De eerste kilometers bevinden we ons op asfalt, en dat gaat goed vooruit. Links van ons houdt de vrij brede (soms een meter of 5) Our ons gezelschap, en ze zal dat waarschijnlijk ook de meeste tijd vandaag blijven doen.

Het gaat rustig op en af en we zien even verder aan de duitse kant van de rivier enkel mooie rotsformaties, Königslay genoemd. Na een kleine afdaling langs een weide, waar grote rollen hooi te drogen liggen, komen we rond 10u45 uit bij enkel (oude) huizen. De plaats heet Kalbermillen en één van de gebouwen was vroeger blijkbaar de watermolen van het gehucht Kalborn, dat hier iets verder van de vallei boven op het plateau ligt.Iets voorbij Kalbermillen stappen we de verharde weg af en steken een beekje over.

Na een korte klim komen we terug op een verharde weg uit, die we volgen waarna we over een brugje bij een tweede camping uitkomen bij het plaatsje, Tintesmillen (een ander oude watermolen, zeker) genaamd. Is het de omgeving of iets anders, maar dit ziet er hier veel beter uit dan de eerste. Af en toe steken we een beekje over, en nu en dan vinden we langs de weg lekkere hapjes, zoals bosaardbeien of wilde frambozen. Maar meestal blijft het stug doorstappen, want we hebben afgesproken onze piknik op de Kasselslay te nuttigen, een mooi uitzichtpunt (volgens de topogids) onderweg, maar nog een flink eind stappen hiervandaan.

Op een plaatje langs het pad staat aangegeven dat enkele meters verder een oorlogsmonument te zien is. Na een honderd meters vinden we in een flinke kuil inderdaad een gedenkteken . Het staat hier ter nagedachtenis aan enkele luxemburgse jongeren, die hier tijdens de laatste maanden van de oorlog hun leven gelaten hebben. Er moet hier ooit een bunker gestaan hebben, maar daar zien we – op de put na – niet veel meer van.

We klimmen nog een hellingkje op, steken nog een beekje over en beginnen aan de beklimming van de Kasselslay, een imposante rotsformatie die hier de luxemburgse oever van de Our beheerst. Een fikse klim en enkele tientallen meters hoger, komen we bij een afslag. Hier verlaten we even onze GR 5 om naar het uitzichtpunt zelf te klimmen, waar we tot onze opluchting een bank aantreffen bij een soortement Mariagrotje. Tussen de jonge berken en eikebomen nemen we plaats en bewonderen vanuit deze hoogte de Ourvallei.Er is echter nog een bijkomende reden waarom ik hier onze picknick wil houden. We hebben nu ongeveer 1000 km van de GR 5 afgelegd en dat moet natuurlijk gevierd worden. Een fles witte wijn is daarom hier wel op zijn plaats; daaraan heb ik wel gedacht, maar niet aan een goede kurkentrekker. Het specimen dat ik bij me heb, is ofwel veel te kort, ofwel is het gewoon een slecht exemplaar. De kurk komt er echter niet mee uit, zodat we ons wel verplicht zien hem in de fles te duwen. Een beetje kurksmaak is dan ook het minste wat we kunnen verwachten deze cuvée. Dat belet ons niet de fles leeg te maken, en na een drie kwartier de heuvel terug af te dalen om de gele bollen van de Sentier de l’ Our terug op te zoeken.

Nadat we weerom een beek overgestoken hebben, beginnen we aan een fikse klim, die ons een meander van de Our zal doen afsnijden. Ondanks het feit dat we relatief weinig asfalt te verwerken hebbe gekregen tot nu toe, merken we toch op dit kleine stuk, dat het een echt motorweertje is. Meerdere van die luidruchtige tweewielers kruisen hier ons pad. Bij de grote verkeersbrug zelf, die zich hier over de Our spant, zetten we ons neer op het terras van een café. Vanop het terras kunnen we op de heuvel aan de duitse kant van de Our de resten zien van de 13e eeuwse burcht van Dasburg.

Wat later, boven op het plateau bevinden we ons plots terug tussen weiden en kunnen genieten van enkele mooie panorama’s over het heuvelende landschap. Na wat genoten te hebben van het prachtige uitzicht, is het weer dalen geblazen. Weerom stappen we het bos in, waar we vrij goed moeten uitkijken om de volgende afslag niet te missen.We beklimmen nog een kleine heuvel en met een mooi zicht op een zoveelste meander in de loop van de Our dalen we tenslotte nogmaals af naar de N 10. Deze maal volgen we hem echter maar even, want al snel doen de gele bollen ons weer het struikgewas en de bomen induiken om aan de beklimming van een volgend hoogtepunt van onze dagtocht te beginnen. En het is een stevige klim. We moeten dan ook bijna een 110 m de hoogte in ! Uiteindelijk arriveren we dan toch om 16u45 op het point de vue van de Geislay.

Als we enkele treden verder omhoog gaan, komen we bij een belangrijk kruispunt : de E 3 vervoegt hier onze E 2 (of GR 5). Vanaf nu tot in Remerschen (het meest zuidoostelijke punt van het Groothertogdom Luxemburg) zullen de beide Europese wandelwegen dezelfde weg volgen.. Daarbij komt nog dat de E 3 op dit traject ook de GR Ardennen-Eifel volgt (groene driehoeken, soms op een witte achtergrond), die we eveneens tot in Echternach volgen, waar deze zijn weg vervolgt in Duitsland. We volgen nu de kam, die hier de westelijke oever van de Our domineert. Enige tijd later bevinden we ons in Obereisenbach

Rond 17u50 bereiken we Untereisenbach. Na een weinig rondlopen, vinden we de plaatselijke herberg. Er heeft hier blijkbaar recent nog een flinke brand gewoed, maar het grootste deel van het etablissement, waaronder het café zelf (met terras), blijkt nog intact en open. Schol

 

20. Untereisenbach - Vianden (20,8 km) : 12 oktober 1998

 

Als we op het punt staan te vertrekken, doet een regenvlaag ons even terugtrekken in de auto. We maken dan maar van de gelegenheid gebruik om enkele koeken achter onze kiezen te steken, om zo de eerste uren geen hongergevoel te krijgen. De bui is gelukkig niet van lange duur, zodat we om 10u30 dan toch op weg gaan ... noordwaarts. We zijn nog maar net het dorpje buiten of we krijgen een plensbui van jewelste op ons dak.. Zelfs de overhangende rotsen langs de kant van de weg bieden ons geen bescherming tegen de nattigheid, zodat we tenslotte maar verder stappen, zonder er ons verder iets van aan te trekken. Door even via Duitsland te gaan, kunnen we een meander afsnijden van de Our en vermijden we tegelijk langer langs de drukke verkeersweg te moeten stappen. Na een grote bocht in de weg komen eindelijk de (drie) dorpjes Eisenbach in het zicht : Ober- en Untereisenbach aan de Luxemburgse kant en Ubereisenbach aan de Duitse zijde.

Bij de kerk slaan we rechtsaf en enkele tientallen meters verder zijn we eindelijk waar we zijn moeten : op de GR 5. Een duidelijk aanduiding is er niet te vinden, maar volgens de stafkaart én de topogids ‘moeten’ we goed zitten. En inderdaad , even verder zien we de tekens, die ons verder zullen begeleiden : de gele bollen van de “Sentier de l’ Our”, die langs geheel de oostgrens tot Vianden, de leidraad voor de GR 5 vormen, en tegelijk de groene driehoek op het wit veld, dat het Internationale Wandelpad Ardennen-Eifel bewegwijzert. En we pakken het dan maar direct serieus aan : inderdaad het gaat bergop. Recht de flank van de dalwand op naar het plateau erachter. Hoe hoger we komen, hoe mooier het vergezicht dat we voorgeschoteld krijgen : achter ons kunnen we op de Duitse oever de dorpjes Affler en Preischeid herkennen. Bij het eerste kruispunt, waar twee onooglijke plaatjes (Europeïsche Wanderweg E2 en E3) ons de weg aanduiden, nemen we resoluut de afslag terug richting Ourvallei. We bevinden ons hier op het hoogste punt van onze eerste wandeldag (499 m) en het uitzicht is prachtig. We verlaten even verder het brede bospad, om een kleiner paadje tussen de bomen door te volgen. Dit brengt ons bij een pracht van een uitzichtpunt. Het plekje is wel niet helemaal plat, maar we besluiten toch maar om hierte picknicken in de schaduw van een jong eikeboompje. We hebben hier een bijna ongehinderde kijk zuidwaarts door de vallei van de Our richting Gemünd.

Men stuurt ons hier langs wel erg smalle boswegeltjes, maar dat vinden wij best, en als de bomen wat opzij wijken, biedt er zich telkens weer een prachtig zicht aan. We komen dan op een asfaltweg uit, die ons via enkele bochten tot in Stolzembourg brengt. Het kerkje is een mooi gebouwtje, maar wat opvalt is het feit dat de ‘toren’ er eigenlijk los van staat. Het blijkt dat dit laatste gebouw de doopvont herbergt. Boven het kerkje verheft zich een statige woning. Het zou in de vorige eeuw gebouwd zijn door een engelse dame op de ruïnes van een 12e eeuwse burcht. Op het kruispunt vinden we dan toch waarnaar we telkens zoeken : een café ! We zetten ons binnen aan een tafeltje om de plaatselijke pint te proeven. Een Diekirch (natuurlijk) Grand Cru gaat er wel in. We pakken om 15u30 onze boel weerbij elkaar en stappen nog even stroomafwaarts tot we bij een brug over de Our komen. Blijkt dat we hier bij een historisch niet oninteressant bouwwerk gekomen zijn. In 1944 staken hier op 11 september de eerste gealliëerde soldaten de Duitse grens over, slechts iets meer dan een maand nadat ze uit het bruggehoofd in Normandië gebroken waren.

Boven op de Hamperbierg voorbij een mooie zitplaats met uitzicht op Stolzembourg en de Our, bereiken we de asfaltweg terug, die we via enkele haarspeldbochten volgen, tot we ons weer de bossen in kunnen begeven. We stappen voorbij een hut met een pas aangelegd, door draad afgespannen fris gazonnetje, en komen wat later na een laatste fikse stijging op een verkeersweg uit dicht bij een uitzichtpunt over de Ourvallei. We zijn aanbeland boven op de Neklosbierg of Mont Saint Nicolas. Na een kilometertje laten we de drukke verkeersweg achter ons liggen en kiezen voor een meer rustige verharde weg, die ons enkele tientallen meters lager na enkele bochten bij een pracht van een panorama brengt : het belvédère “Victor Hugo”.. Deze bekende Franse schrijver heeft hier in 1871 even verbleven, en we zullen het geweten hebben. Hij zou volgens de overlevering hier ook menige wandeling gemaakt hebben, en daarom is deze uitkijkplaats naar hem genoemd. Het is er echt indrukwekkend : men heeft hier wat bos verwijderd enkel en alleen om het uitzicht nog meer tot zijn recht te doen komen. Vanaf dit punt zien we in één oogopslag twee van de grote meanders die de Our maakt Enkele mooie schetsen (van V. Hugo) verfraaien de plaats nog meer.

Terug beneden kruisen we het beekje en komen na (weer) een fikse klim uit bij het pitoreske kapelletje ‘Bildchen’ en weerom een machtig uitzicht. We blijven even verpozen op het platform bij het gebedshuisje, en brengen een klein bezoekje binenin. Als we verder gaan, denkende dat het zwaarste achter de rug is, wacht ons even verder echter een onverwachte verrassing. De groene driehoek doet ons een klein wegeltje inslaan zigzag omhoog de berg achter het kapelletje op. Het zijn maar 60 meters, maar het lijken er wel 600. We moeten echt grote passen nemen om het paadje te bestijgen. Na veel gehijg en gesteun, komen we iets voor 18u uit bij (nog maar eens) een schuilhut met uitzicht. We blijven toch niet lang zitten, want de tijd begint nu toch echt te dringen en we zijn er nog niet. Het bos terug in en nu dalen we rustigjes aan naar ons einddoel af. Om 18u10 stappen we tenslotte onder de kabels van de zetellift ( de enige kabelbaan van Luxemburg) van Vianden door. Onderaan komen we uit op de toegangsweg naar de imposante burcht. Hoewel het gebouw voor een deel in de steigers staat, blijft het toch imponeren We dalen de weg verder af en belanden zo ineens voor de deur van de plaatselijke jeugdherberg.

 

21. Vianden - Beaufort (30,3 km) : 13 oktober 1998

 

Tussen Vianden en Echternach bevinden we ons in het hart van dit grote gebied, dat zich uitstrekt langs de oevers van de Our en de Sûre. Onze GR 5 is niet moeilijk terug te vinden : we nemen de draad weer op vlak voor de deur en klimmen langs de resten van de oude stadsmuur, die we hier en daar tussen de plaatselijke groentetuintjes opmerken, naar een uitkijkpunt, vanwaar we een prachtig zicht op de oude stad, de Our en de burcht zouden moeten hebben. De mist echter verbergt het meeste van het panorama. We moeten het slechts doen met het vage silhouet van de burcht, dat toch niets afdoet van het indrukwekkende van dat historische gebouw; het geeft het zelfs een sprookjesachtig aspect.

Een fietspad volgt een kromming in de Our en brengt ons om 10u30 langs het plaatselijke kerkhof, waar een eenzame gemeentewerker de boel in orde probeert te houden tot in het dorpje Bettel. Het is een kleine gemeente met een kerkje en enkele huizen, waarvan het meerendeel boerderijen. We verlaten de Lauterbaach en langzaam aan komt de weg hoger en hoger te liggen, zodat we wat meer zicht krijgen op de omgeving. De witte nevels die onder in de vallei blijven hangen, zorgen voor een speciale sfeer. Onderweg vinden we niet alleen opnieuw vele appels onder de fruitbomen die langs de weg staan, maar ook een enkele maal wat pruimen. Als we na een dikke honderd meter klimmen boven op de Halbaach Bierg uitkomen, waar we geen kalvariekruis tegenkomen, zoals onze topogids ons belooft, zien we in de diepte het gehuchtje Marxberg liggen. Het ligt op een hoogte boven het dorpje Longsdorf - een verzameling boerderijen - , maar zover komen we niet. We draaien om het kerkje heen, zorgen ervoor dat alle viervoeters beginnen te blaffen, en draaien weer naar het oosten. Even later is het dan toch zover, en we laten ons opslokken door het groene monster. In het Kirchboesch, een gemengd loof- en naaldbos, passeren we iets verder een jeep.

We komen even later aan de rand van het bos, waarvandaan we langs de koeien heen in het zuiden reeds de andere kant van de Sûre-vallei kunnen zien. In de valleien zien we meer bebouwing : links van ons ligt Bettendorf op een half uur afstand langs de Sûre en recht vooruit ligt op de andere oever Gilsdorf. Niet alleen omwille van de naam heeft dat plaatsje een zekere aantrekkingskracht voor ons, ook omdat het op de scheiding ligt van twee verschillende gebieden in dit mooie land : het noordelijke Oesling, een voortzetting van de Belgische Ardennen, en het zuidelijke Gutland, een zachter zandstenen massief, dat eerder een voortzetting is van het Franse Lotharingen. We steken bij een rond punt eerst nog het riviertje de Blees over, maar kunnen ons even later bij het plaatsnaambord van het dorp met onze naam vereeuwigen. Om 13u tenslotte steken we over de grote brug de rivier over en stappen Gilsdorf binnen.Even buiten het dorp verlaten we gelukkig het asfalt, en moeten we doorheen de weiden via een veldweggetje, omzoomd door weeral fruitboompjes en meidoornstruiken recht de heuvels op om boven weer in een bos verzeild te geraken: het Bicheboesch deze keer.We merken dat het ondertussen al 14u30 is geworden : toch wel hoog tijd om eens neer te zitten en onze picknick te nuttigen. Hier hebben we tenminste toch een beetje een uitzicht op de heuvels -met-bossen aan de andere kant van de vallei, waar we een twee uur geleden nog doorwanelden.

Na een half uurtje is de innerlijke mens al verzadigd en stappen we weer op. De GR voert ons nu verder kriskras door het grote woud. Soms bevinden we ons onder een dicht naaldwoud, waar bijna geen licht doorsijpelt en er geen begroeiing te zien is, en dan weer stappen we verder onder een lichtgroen dak van een eike- of beukebos. Het is maar goed dat de weg is aangeduid, want met de beschrijving in de topogids alleen als gids zouden we hier niet lang op het goede spoor blijven. Hier en daar versperren omgevallen bomen ons de weg, maar meestal hebben wandelaars er al een alternatieve route rondgestapt. Na een dik half uur komen we dan toch uit bij de rand van het bos, en staan we weer voor een prachtig panorama : het landschap maakt voor ons een duik in de diepte, waar de rivier de Ernz Blanche zich een weg baant naar de Sûre. Aan de andere kant rijst dan weer de valleiwand de hoogte in, bekroond met het volgende bos en met op zijn flank de gekleurde stipjes van ons volgende doel : de huisjes van het plaatsje Eppeldorf. Nadat we nog een wei met enkele buitenlands uitziende runderen (Schotse misschien, hoewel ze geen rokjes droegen) gepasseerd zijn, moeten we aan hoogte prijsgeven. We dalen af in de vallei van de Ernz Blanche naar het gehucht Keiwelbach, dat in heinde noch verre te bespeuren valt, tot we er vlakbij zijn.

Vanaf hier tot ongeveer in Echternach bevinden we ons in het befaamde “Klein Zwitserland”. De streek heeft deze benaming gekregen omdat er zich zoveel prachtige, bergachtige rotsformaties bevinden. En als om die naam alle eer aan te doen, laat het zich op de kaart aanzien dat we weer een flinke klim voor de boeg hebben. Zonder mededogen laat de GR ons de valleiwand loodrecht opklimmen; het modderige veldwegeltje is ook niet van dien aard om de beklimming te vergemakkelijken. We passeren nog een verweerd, oud stenen kruis met een of andere onleesbare inscriptie en komen wat verder voorbij een woning uit op een asfaltweg. Na wat zoeken vinden we aan de overkant de gele bollen terug, die ons al snel in het bos en naar beneden voeren, naar de bovenloop van de Huschbaach. Als we het beekje verder stroomafwaarts volgen, zien we nu en dan links en rechts van ons weer die verweerde rotsformaties opduiken tussen de bomen. We kunnen in de vallei al een glimp van het kasteel van Beaufort opvangen, als we de helling op worden gestuurd. Een korte klim brengt ons tenslotte bij de eerste huizen van het stadje. Hoewel we er dan nog even over doen voor we de Jeugdherberg gevonden hebben komen we om 18u00 stipt dan toch aan bij het mooie moderne gebouw dat de plaatselijke ‘Auberge de Jeunesse’ herbergt.

 

22. Beaufort - Rosport (24,2 km) : 14 oktober 1998

 

Het heeft deze nacht zeker geregend, want er staan flinke plassen op de weg, maar op het moment is het (nog) droog. Er hangt weer wat nevel in de lucht, maar dat kan de tocht alleen maar aantrekkelijker maken. We dalen al snel uit het dorpje in de vallei van de Haupeschbaach af en komen daar bij een meer uit bij het kasteel van Beaufort. We draaien ons even om om de indrukwekkende muren met de spookachtig lege ramen erin te bewonderen. We draaien ons daarom maar vlug om en volgen het pad langs de beek. Grote rotsblokken versperren soms de bedding van het waterloopje zodat het via een kronkel een andere weg heeft moeten zoeken. Ook het wandelpad zigzagt soms langs en bijna over blokken van een imponerende omvang. Vooral de midden- en benedenloop van de Ernz Noire heeft hier de canyonachtige rotsformaties gemaakt, die deze streek - die ook het ‘Müllerthal’ wordt genoemd - het centrum hebben gemaakt van “la Petite Suisse”. Via bruggetjes krijgen we de gelegenheid om het beekje regelmatig eens van de andere kant te bekijken. Iets verder komt onze beek in de Halerbaach uit die we nu in dezelfde richting blijven volgen.

Ik merk dat de profielen van mijn wandelschoenen stilaan aan vervanging toe zijn; soms lijk ik meer achteruit dan vooruit te gaan in de modder, en we zijn nog niet eens in Echternach ! We stijgen doorheen de velden naar ons volgende bos.Een metalen afrastering doet ons geloven dat er hier ooit een mooi uitzicht was, maar nu schiet daar door de ondertussen hoog opgeschoten begroeiing niet veel meer van over. Via smalle wegeltjes worden we door dit aan de dalwand gekleefde loofbos gevoerd. Door een erg smalle en hoge kloof, komen we al snel wat hoger uit bij de rand van het bos. We zien al direct de eerste huizen van ons volgende doel : Berdorf. We blijven even door de velden op hoogte lopen, tot we weerom bij het volgende bos komen, dat op zijn beurt weer de volgende grillig uitgesleten vallei verbergt : dat van de Aesbech of Aesbaach, die enkele kilometers verder even stroomopwaarts van Echternach in de Sûre uitmondt.

Terwijl we (weeral) een appeltje nuttigen dat we onderweg geoogst hebben, dalen we af in het donkere, vochtige woud en onmiddellijk daarop bevinden we ons al in de eerste grot. Volgens de topogids heet deze plaats de ‘Pileschkummer’, wat dat ook mag betekenen. We zoeken voorzichtig onze weg doorheen deze donkere omgeving en komen wat verder automatisch in een nog grotere spelonk, Houllay genaamd. Het blijkt een plaats te zijn waar groepen toeristen en andere organisaties bijeenkomsten houden. Plakaten die hier en daar aangebracht zijn, herinneren aan deze gelegenheden (één ervan vond al 116 jaren geleden plaats). Vanuit de grot dalen we verder af naar de beek en volgen die nu stroomafwaarts. Via bruggetjes veranderen we regelmatig van oever.

We zetten er flink de pas in en komen even later uit bij een grote rots, "Perekop" genaamd. In de rots heeft het water en smalle kloof uitgesleten, die juist breed genoeg is om een mens door te laten, die daar via flink wat trappen tot boven op de rots zelf kan klimmen enkele tientallen meters hoger. We bezien dit echter allemaal vanop een afstand, want ook dit extraatje zit er voor ons niet in. Na een paar kilometer komen we bij een brugje over de Sigelbaach uit, waar een afdak met zitplaatsen ons tevergeefs uitnodigt tot een welverdiende stop. Echternach moet zo vlug mogelijk bereikt worden, want onze doelstelling rond de middag bij het stadje te arriveren, zit er niet meer in. Het zou misschien gelukt zijn als de GR ons er in een rechte lijn naar toe gevoerd had, maar dan zouden we die prachtige natuurwonderen met intrigerende namen als de ‘Brèche du Diable’ (of Teufelsschlucht) en de ‘Gorge du Loup’ hebben moeten missen, en dat kan toch niet ! Dus in plaats van de kortste (en platste) weg te kiezen, volgen we gedwee de gele bollen, en laten we ons door de smalle kloven en steile wanden van de voornoemde rotsformaties leiden. En het is inderdaad de moeite waard.

Op het einde van de glibberige afdaling belanden we tenslotte in de buitenwijken van Echternach. Het is twintig voor één. Hier slaan we links af en komen dan dichtbij de oever van de Sûre uit bij een groot autobusstation. Een busbestuurder legt in zijn beste Letzebuergsch uit dat er inderdaad nog vervoer zal zijn vanuit Rosport, en dat we om twintig na drie ook nog wel een bus op doortocht zullen aantreffen in Rosport, van de lijn Wasserbillig - Echternach. Dat betekent 20 minuten extra en de beslissing is dan ook snel genomen : doorstappen naar Rosport. Helemaal zeker kunnen we natuurlijk ook niet zijn van zijn busurenkennis, dus zullen we toch maar proberen om voor 15u in het laatste dorp toe te komen. We hebben echter geen tijd om ons in het drukke stadscentrum te laten ophouden, maar dalen via enkele trappen af naar de oever van de Sûre, die we nu een heel eind stroomafwaarts gaan volgen. Als we het park door zijn naderen we de brug over de Sûre. Op deze plaats bestond er reeds ten tijde van de Romeinen een oeververbinding.Van de aanwezigheid van een appelboom maken we weerom gebruik om onze fruitvoorraad aan te vullen. Gelukkig dat we onderweg zo de innerlijke mens wat kunnen versterken, want een halfuurtje om halt te houden voor een picknick zit er niet in. Zoals in de vallei van de Aesbaach, wil men ook hier de toeristen werkelijk al het moois van dit landje laten zien, en de gele driehoeken laten ons de moeilijkste doorgangen nemen en de steilste hellingen opklauteren om toch maar niet de interessantste locaties te moeten missen. Men stuurt ons langs rotsformaties met klinkende namen als Veitcheslay en Roudeschleff, en door kloven zoals de Alkummer via paadjes tussen half omgevallen brokstukken waar ik met mijn vrij brede rugzak me soms maar nét door kan wringen. Doorheen de bomen en het gebladerte kunnen we nu en dan een blik werpen op de Sûre, die in de diepte dezelfde richting uitstroomt.Van Rosport is nog niet veel te zien; het zal zeker wat verder in een terreinplooi liggen. Het is 14u45 als we in het centrum een bushalte vinden. Het uurrooster is vrij moeilijk te ontcijferen, dus wenden we ons een straat verder maar tot een inboorlinge op jaren, die ons verzekert dat de volgende bus naar Echternach langskomt om 15u28. Daarop begeven we ons dan richting Sûre-brug, waar we een café-uithangbord ons uitnodigt “Bei John”. We vieren de succesvolle beëindiging van onze tocht met enkele welverdiende frisse pintjes. Slechts enkele minuten te laat komt de bus de hoek om en we zijn even verrast als de bestuurder geen geld van ons wil aannemen, maar iets mompelt van straks te betalen. We schrijven het maar toe aan de Luxemburgse gastvrijheid. Als we een halfuurtje later in het ons bekende autobusstation in Echternach toekomen, staat de bus voor Ettelbrück er al klaar. Via Fouhren en Vianden, maakt de bus nog een zijstap langs Bivels om tenslotte om 16u55 in Stolzembourg op enkele meters van onze auto te stoppen. Daarmee zit onze driedaagse erop.

 

 

23. Rosport - Grevenmacher (30 km) : 8 oktober 1999

 

Onze driedaagse vorig jaar door Oost-Luxemburg was ons zo meegevallen, dat we niet anders konden dan dat nog eens over te doen. Deze keer echter zou de wandeling voornamelijk in het teken staan van de wijnstreek in de Moezelvallei. We zullen er deze keer maar eens goed tegenaan gaan : twee flinke en één doordeweekse etappe, alles bij elkaar goed voor 85,8 km op drie dagen. Het is 9u34 en we doen onze rugzakken om en begeven ons op weg . Al snel vinden we de gele rechthoekjes terug van het pad van de Lage Sûre. En gelukkig moeten we niet té lang asfalt verteren. Bij de eerste, de beste afslag, leidt de GR 5 ons de weg af en het bos in. Na langs enkele weiden gestapt te hebben, worden we al snel helemaal omringd door het frisse groen. Het is een gemengd sparren- en beukenbos.

Na een laatste, fikse klim komen we wat later aan de bosrand uit. We volgen de draad van een afspanning en genieten – niet voor het laatst - van het zicht links van ons over de Sûrevallei heen. Rechts van ons bevindt zich een oude, verwaarloosde boomgaard, waar we toch nog een fors beladen pruimenboom ontdekken. Hoewel de boom hier duidelijk niet in het wild groeit, zal de eigenaar toch enkele pruimen niet gaan missen aan een zo volgeladen boom. Al snel belanden we om 10u30 bij het centrum van het plaatsje. We bevinden ons nu al op het hoogste punt van onze driedaagse, namelijk 330 m boven de zeespiegel. De GR zal ons nog heel wat doen dalen en stijgen, maar boven de 300 m zullen we de volgende dagen niet meer uitkomen. Het dorpje lijkt uitgestorven, want er beweegt zich niets. Een bezoekje aan het plaatselijke heiligdom mag echter niet ontbreken, want Girsterklaus, waar we dus aanbeland zijn, maakt aanspraak op het bezit van het oudste bedevaartsoord in het Groothertogdom. Reeds in 1328 zouden bedevaarders hier het Mariaheiligdom bezocht hebben. Het Romaanse kerkje, waar we nu binnengaan zou hier in de 13e eeuw op de funderingen van een nog oudere gebedsplaats ontstaan zijn.

Langs een bronnetje verlaten we het plaatsje en zetten onze weg naar het zuiden verder. We komen langs enkele grote notenbomen en verlaten wat verder de verharde weg weer om langs een bosrand verder te gaan.We volgen de sterk uitgesneden vallei van de Girsterbaach door het groen stroomafwaarts en nadat we flink wat meters gezakt zijn, steken we de zo goed als droge beek over via enkele glibberige stapstenen. Ondertussen hebben we gemerkt dat het blijkbaar niet echt wil ophouden met regenen, en hebben we onze regenkledij maar aangedaan. Wat verder lopen we weer langs de rand van een bos, en krijgen we links van ons een mooi zicht op het dorpje Girst; zelfs onder deze vochtige omstandigheden blijven de panorama ’s over de vruchtbare akkerlandschappen, met hier en daar wat bosgroen, en de nevelige verten mooi. We verdwijnen weer het bos in en volgen nu stroomopwaarts de Girstergriecht, een zij-arm van het vorige beekje. Weeral staat er slechts een minieme hoeveelheid water op de bodem. Dat wil echter niet zeggen dat we het niet moeilijk genoeg hebben; de regen heeft ervoor gezorgd dat de bosbodem erg glad geworden is, en het bospad is doorspekt met heel wat rotsen, zodat we erg moeten opletten, vooral bij de klimmen en afdalingen, om niet op ons gezicht te gaan.

Langs enkele rotstrappen klimmen we nu uit de vallei van de beek, en komen na wat zigzagwerk boven op het bebost plateau van het Bois de Born uit. Na een bocht in de weg komen we evenwijdig te lopen aan de Sûre, enkele tientallen meters boven het plaatsje Born. De druilerige regen heeft ervoor gezorgd dat elk stukje rots uiterst glad is geworden en we moeten goed opletten als we vooruit gaan. We bevinden ons hier juist boven Moersdorf. Moersdorf vormt een dubbelgemeente met het zojuist gepasseerde Born en wordt met het Duitse Metzdorf op de andere oever van de Lage Sûre slechts verbonden met een loopbrug. Het is ondertussen al bijna 13u geworden dus we beginnen uit te kijken naar een plaatsje om te eten. Het is echter overal nat, en het zal dus niet eenvoudig zijn een convenabel stekje te vinden. We komen even later aan de bosrand bij een picknickbank op jaren uit. Hij staat strategisch geplaatst onder een grote wintereik, die de bank vrij droog heeft gehouden door zijn bladerdak. ‘This is as good a place as can be for a picknick’, dus we besluiten maar om onze maaltijd hier te nemen.

Wat later brengt de Gr ons via een enorme bocht door het Haereboesch een heel eind weg van de Sûrevallei, alvorens ons er weer met een grote zwaai terug naar toe te voeren. Als we de asfalt terug achter ons laten, zien we in de verte boven de vallei van de Sûre de grote brug van de E 44 Luxemburg – Trier als het ware in de nevels boven de rivier zweven. We dalen nu af richting Sûre en komen tenslotte midden in een bos aan de voet van enkele pijlers van het immense bouwwerk terecht. Na enkele meters wijken de bomen weer uit elkaar en komen we uit bij de eerste echte wijnvelden van onze driedaagse. De bewegwijzering doet ons verder een stenen trap afdalen. Wasserbillig is met zijn hoogte van 130 m de laagst gelegen gemeente van geheel het Groothertogdom Luxemburg. We verlaten nu het Pad van de Lage Sûre, om aan het Pad van de Moezel te beginnen. Terwijl een kudde koeien ons met meewarige ogen volgt, slaan wij de weg naar Mertert in . Naast de Schlambaach trekken we weer het volgende bos in. We volgen het beekje en steken het wat verder over om langs de andere oever in tegenovergestelde richting de beekwand te beklimmen. We bevinden ons nu in het bos van Michielslay, een chaotisch loofbos met reusachtige bomen, waarvan de kruinen tientallen meters boven ons zich over onze hoofden sluiten. We komen bij een infobord en lezen dat we ons in het natuurreservaat van Mertert-Manternach bevinden. We volgen nu een flink deel van het natuurleerpad “Pierre Moes”. Eén of andere goede ziel blijkt hier ergens tijdens de vorige eeuw, toen hij met paard en kar, volgeladen met vracht en onderweg naar de watermolen, de gezwollen beek wilde oversteken, verdronken te zijn.

We komen iets na vijven bij Manternach aan. We beginnen dan aan een forse klim, die ons op de bergkam zal brengen die ons van de Moezel scheidt. Het is een fikse klim, maar op het asfalt gaat het goed vooruit en al snel zijn we op het hoogste punt, waar we bij een kruispunt een knoert van een dolmen aantreffen. Hij staat daar langs de weg, beschaduwd door een drietal lindebomen en een eik. Spijtig genoeg stelt de rest van onze dagtocht niet veel meer voor.Langs de plaatselijke wijn-coöperatief komen we inderdaad rond 19u op het pleintje bij ons hotel uit. En niet veel te vroeg, want het is al aardig aan het verduisteren.

 

24. Grevenmacher - Remich (24,4 km) : 9 oktober 1999

 

Eerst moeten we natuurlijk de GR terugvinden, en dat blijkt niet zo gemakkelijk te zijn als het lijkt. De merktekens leiden ons door de straten van de stad langs de plaatselijke jeugdherberg en wat verder vinden we de trappen die ons omhoog leiden naar de Kruiskapel. Via een kruisweg bereiken we het kapelletje, dat gebouwd werd in 1738, op een hoogte ligt aan de rand van Grevenmacher en een prachtig zicht biedt op het stadje en de omgeving. Achter het gebouwtje komen we weer onmiddellijk midden in de wijnvelden terecht, die ons de volgende anderhalve dag gezelschap zullen houden. Hier krijgen we tenslotte ook ons eerste zicht op de Moezel, die we nu tot bij Remerschen in het (bijna) uiterste zuidoosten van het Groothertogdom, zullen blijven volgen.

We blijven op een respectabele hoogte de Moezelvallei volgen en lijken wel op de eerste rij in een theaterbalkon te zitten. Het gaat regelmatig op en af. In een grote bocht dalen we af naar Machtum, dat we al een hele poos in de diepte beneden ons zien liggen. En zo zal het vandaag steeds verder gaan. We blijven wandelen hoog in de valleiwand of op de kam, en dalen dan regelmatig af naar een dorpje dat zich in een valleitje aan de oever van de Moezel gevestigd heeft. Om 11u15 komen we in het centrum van het dorpje aan. Geen winkels, geen café ‘s, geen beweging … Verder zuidwaarts dus, doorheen de volgende wijnvelden naar het volgende plaatsje langs de Moezel, naar Ahn. Tijdens de doortocht door een bos begint het licht te regenen. Als we het centrum van Ahn door zijn, gaat het weer bergop naar de Koeppebierg. We lopen rond de heuvel en krijgen om de hoek weer zicht op kilometerslange hellingen vol wijnstokken en de Moezel, die er zich majestueus doorheen slingert.

Na een tijdje zien we aan de einder iets rood-blauw-wit verschijnen; het is de Luxemburgse vlag, die daar wappert en al snel komt nu ook een kapel in zicht : het is de St. Donaatskapel, die hier op een prachtig uitzichtpunt boven het stadje Wormeldange gelegen is. Tijd om onze picknick boven te halen natuurlijk; met een prachtig panorama voor ons over de Moezelhellingen vol rechtlijnige wijnvelden en het aan onze voeten genestelde plaatsje. Langs een deel van een plaatselijk wijnleerpad, dalen we weerom via trappen af tot op de weg van Flaxweiler naar Wormeldange. Wormeldange laten we wel links liggen, door Wormeldange-Haut moeten we echter wel. We bereiken na een kwartiertje de eerste huizen van Ehnen. De uitzichten zijn natuurlijk weer prachtig, maar de wegeltjes door de wijngaarden beginnen wel op elkaar te lijken. Even na Ehnen draait de Moezel met een grote zwaai even naar het oosten om met één van zijn meanders de vallei hier wat breder te maken. Wij verlaten nu even zijn nabijheid om een omwegje via Greiveldange te maken.

We hebben weer een prachtig zicht op de Moezelvallei, en in de verte kunnen we al ons volgende doel onderscheiden : het plaatsje Stadtbredimus. Wat verder steken we via een brugje de Busserbaach over en beginnen aan onze laatste etappe van vandaag : Stadtbredimus – Remich. Voordat we het plaatsje helemaal uit zijn, bemerken we links van ons weerom een boomgaard met fruitbomen. Deze keer zien we echter geen kweeperen, maar bemerken we wel een mispel; ze lijken hier wel alles te hebben. Voor het laatste stuk vandaag laten we even de wijngaarden achter ons en gaan nog even een boswandeling doen. De GR 5 brengt ons na een korte klim in het Remicherboesch en bij een oud houten kruis stoppen we even. Volgens het opschrift hebben we hier te maken met het ‘Bredemiser Kraïse’, dat eveneens de jaartallen 1755 – 1827 vermeldt. Wat met deze tijdspanne bedoelt wordt ontgaat ons op dat moment. Uiteindelijk komen we op een verharde weg uit, die ons tenslotte aan de rand van Remich brengt.

 

 

25. Remich - Hellange (31,4 km) : 10 oktober 1999

 

Langs de toepasselijk genaamde ‘Chemin des Vignes’ klimmen we weer de valleiwand op. Een lichte ochtendmist legt over alles een fijne, witte deken van vochtigheid, maar we kunnen toch vlot de hele vallei bewonderen tot en met het doolhof van meertjes aan de overkant. Als we één van de vele kleine gebouwtjes passeren, die de wijngaarden hier bevolken, kan ik het niet laten om er een kiekje van te trekken. Achteraf blijkt dat van de honderden wijngaard-bouwseltjes die we deze dagen tegengekomen zijn, ik juist datgene heb gefotografeerd, dat op de cover van onze topogids staat ! Toeval of niet, soms ?

Wellenstein is een zeer mooi plaatsje, dat waarschijnlijk mede door zij ligging zijn vroegere karakter goed heeft kunnen bewaren. Steil omhoog gaat het dan weer de wijnvelden in. Gelukkig passeren we zo nu en dan ook langs een bos, zodat we nog wat anders zien dan alleen maar die lange, golvende rijen wijnranken. Langs de rand van het bos komen we tenslotte uit bij een enorm beeld van een heilige; het is natuurlijk weer St. Donatius, beschermheilige van de wijnbouwers tegen donder en bliksem. In één lange, rechte lijn daalt een stenen trap af naar het dorp Wintrange dat we juist beneden ons zien liggen. De befaamde trap met de 591 treden, of niet ?! ‘Wie heeft er de moed om ze na te tellen ?’ daagt de topogids ons uit. Dat moeten ze ons maar één keer zeggen. En wat blijkt ! We komen op 594 treden uit; men heeft er recent nog een drietal bijgemetst ! Of is er toch een foutje geslopen in onze telling ? Erg veel zin om de trap nog eens op te klimmen om het na te tellen hebben we niet. Enkele pruimenboompjes die we hier volgeladen aantreffen, trekken meer onze aandacht.

Tussen enkele achtertuintjes door komen we dan plots in het centrum van Wintrange uit. Het is 11u05, bijna op schema. Op een minuut tijd zijn we het dorpje doorgetrokken. Na nog een laatste blik achter ons op Wintrange, slaan we de volgende bocht om en komen enkele minuten later uit bij een kruis en een wapperende Luxemburgse vlag. We bevinden ons hier op een belangrijk kruispunt van GR-wegen. Vanaf iets voor Obereisenbach hebben de E2 en E3 broederlijk tezamen gelopen, maar hier scheiden zich hun wegen en hier nemen wij dan ook afscheid van de E3. Deze laatste daalt hier verder af naar Remerschen, raakt eerst nog even het drielandenpunt Luxemburg-Frankrijk-Duitsland en steekt dan via de brug in Schengen de Moezel over om dan door Duitsland verder te lopen naar de Tsjechische grens en verder naar Polen.Wij draaien de Moezel onze rug toe, en trekken nu door de laatste wijngaarden richting Mondorf-les-Bains. We bereiken een weg waarvan de bomen die er langs staan geen eiken, beuken, platanen of esdoorns zijn, zoals meestal in zulk een geval, maar perenbomen; het zijn kleine, niet zo smakelijke peren. Regelmatig is er een ouder exemplaar verdwenen, maar die plaats blijkt dan vrij snel ingenomen door een vers geplante perenboom. We bereiken in een recordtijd het centrum van Elvange dat er doodsverlaten bij ligt, zoals je dat op een zondagmiddag kunt verwachten.

Links aan de einder zien we al de eerste tekenen van de industrie van Noord-Frankrijk : de 4 koeltorens van de Centrale Nucléaire bij Cattenom aan de Moezel iets boven Thionville. Zoals in de meeste andere landen hebben ook de Fransen de vervelende gewoonte hun kerncentrales net naast of nog liever op de grens van hun buurlanden te bouwen (denk maar aan Chooz, of in ons geval Doel). We zullen de rest van vandaag vergezeld blijven van de grote, brede wolken waterdamp aan de zuidelijke kim.Voor we Mondorf-les-Bains zelf binnen trekken maken we eerst nog een omweg langs het Thermaal Park. Mondorf is namelijk, zoals zijn achternaam les-Bains trouwens al doet vermoeden, een kuuroord. We wandelen na de picknick nog even verder door het park en komen plots op een wandelstraat uit midden in het mondaine Mondorf. Het plaatsje ligt langs de rivier de Gander, die de grens vormt tussen het Groothertogdom en Frankrijk. We volgen de rivier en passeren wat verder langs een verlaten douanegebouwtje.

Wat verder steken we het watertje over. We maken gebruik van een ijzeren voetbruggetje en staan in Frankrijk. We bevinden ons op het grondgebied van het franse zusterdorp van Mondorf-les-bains, Mondorff genaamd.Na een beklimming doorheen een aangelegd sparrenbos op een open plek, bereiken we een kapel. Spijtig genoeg is het gebouwtje gesloten, zodat we onze weg maar onmiddellijk verder zetten naar ons volgende doel : het dorpje Aspelt. De modderige, hobbelige zandweg stijgt maar verder, tot we het hoogste punt ervan bereiken als we terug het Groothertogdom binnentrekken. In de verte zien we al het volgende plaatsje op de GR 5 liggen, Aspelt. Het dorp zelf trekken we trouwens ook niet in. Wij zetten onze tocht verder langs een met lindebomen omzoomde weg. Zo passeren we ongeveer een kilometer noordelijk van het dorp Frisange. We komen langs een bos in het gehucht Hau terecht, gelegen op de weg van Frisange naar Luxemburg. We steken de weg over en komen via een grote bocht door de akkers bij het Hënneschteboesch terecht. We komen op een bredere bosweg, die ons wat verder langs een mooi meertje brengt, waar zich blijkbaar heel wat watervogels thuisvoelen. Op een bord naast het water staat dan ook aangegeven, dat je hier niet mag zwemmen, kamperen, vissen, enz… Daar hebben wij in het geheel geen behoefte aan. Nu we ons einddoel naderen, blijven we niet te lang meer treuzelen. De kleine wijzer van de klok is stilaan naar de 5 aan het kruipen, en we moeten een bus halen. Vooruit maar weer !

De torenspits van Hellange komt al in zicht. Uiteindelijk komen we dan toch uit op de weg van Hellange naar Bettembourg, maar daar verlaten we uiteindelijk dan toch de merktekens, die ons de voorbije drie dagen door Oost-Luxemburg hebben geloodst. We lopen de weg af naar het centrum van het plaatsje en staan om klokslag 17u bij de kerk, waar we al snel een bushalte vinden. Al snel zitten we aan een tafeltje achter een frisse pint te toasten op de goede afloop van onze driedaagse.Het waren weer drie heerlijke, welgevulde dagen. We hebben onze GR 5-tocht zo tot op de zuidelijke rand van de Benelux volbracht. De volgende etappes van hieruit zullen ons in het noordelijkste deel van Frankrijk brengen, het vierde land op de route. Hopelijk overschrijden we de grens ergens volgend jaar in 2000.