GR 5 : Alpen Centraal

 

 

75. Tignes-le-Lac - Col de la Vanoise (27 km) : 18 Juli 2004

We gaan dan nu beginnen aan het hoogste deel van deze lange afstandsroute. Twee jaren geleden zijn we tot in Val d’ Isère geraakt, en de normale route gaat dan verder via de Col de l’ Iseran (2764 m) en de vallei van de Arc naar Modane. Er zijn hier in de Vanoise-streek echter veel varianten, die een flink aantal routes mogelijk maken. Er is de GR 5E, die laag in de vallei van de Arc blijft en er is een geheel andere route, de GR 55 of de hoge route variant. Die verlaat de eigenlijke GR 5 reeds in de buurt van Val Claret (bij Tignes-le-Lac) en sluit er slechts terug op aan iets voor Modane, na recht door het centrum van het Parc de la Vanoise getrokken te zijn. Onderweg overschrijdt die de Col de la Leisse (2758 m) – net lager dan de Col de l’ Iseran - , maar ook de Col de Chavière (2796 m), die niet alleen hoger is dan de Iseran, maar eveneens het hoogste punt van de gehele GR 5 en zijn varianten ! Die col kunnen we dus niet opzij laten liggen. Neen,... we moeten en zullen er over gaan, koste wat kost ! Komt er nog bij dat de GR 55 ons zeker 2 dagen zou doen winnen in tijd. En in Modane zouden we niet stoppen ! We gaan er dan nog drie dagen bijdoen om te eindigen in Briançon. Een mooi eindpunt en tegelijk een goed beginpunt voor onze volgende tocht in de Alpen. Grande Traversée des Alpes ... here we come !!

Een gratis pendelbus brengt ons van Tignes-les-Boisses, waar we in de jeugdherberg overnacht hebben, naar Tignes-le Lac.Als die gratis pendeldienst er niet geweest was geweest, waren we veroordeeld geweest om nog een 5 kilometer te voet te gaan naar Tignes-le-Lac; en dat is niet alleen een dik uur stappen, maar eveneens een 300 m klimmen ! Er zijn wel enkele wolkjes aan de hemel, maar de lucht is voor het grootste deel helderblauw; dat belooft !

Het is de eerste keer dat we zes dagen na mekaar op de GR gaan doorbrengen en we zien er alle drie naar uit. Om 8u45 laten we Val Claret en de beschaving voorlopig achter ons. Na wat zoeken vinden we de roodwitte streepjes terug langs een nu ongebruikte kabelbaan terug en doen onze eerste stappen bergopwaarts. We gaan al onmiddellijk één van de hoogste punten van onze zesdaagse nemen, maar we vertrekken dan ook al vrij hoog : Val-Claret ligt op een kleine 2100 m hoogte en dat scheelt al meteen een slok op de borrel ! We zitten al een flink stuk boven de boomgrens en hoe hoger we klimmen , des te meer zicht krijgen we op de vallei achter ons en de Col du Palet, die we in juli 2002 nog overkwamen. We bevinden ons in de brede vallei tussen de bergen la Tovière (2696 m) en de Rochers de la Petite Balme, de Vallon du Paquis genaamd. Het pad klimt gestaag omhoog en er zijn al verschillende andere wandelaars op pad. We komen na een tijd juist naast het bergbeekje terecht, dat hier de vallei vormt. Aan de andere kant zien we regelmatig roodwitblauwe streepjes op rotsblokken. Het blijkt dat het beekje de grens vormt van het Parc Nationale de la Vanoise. We blijven dat volgen en winnen geleidelijk aan hoogte.

Voor we het weten, wordt het landschap wat vlakker en komen we om 9u45 bij een richtingwijzer uit. We zitten niet op de Col de Fresse (2514 m) zelf. Die zien we links boven ons liggen een paar honderd meter verder, maar iets lager bij een kruispunt van wandelpaden. We blijven even stil staan en kijken rond ons. Het is de eerste van de vele panorama’s, die we hopelijk zullen kunnen bewonderen tijdens onze tocht. In het zuiden domineert de grote massa van Dôme de la Sache het landschap, maar plots zien we in de ijle verte een grote, witte massa opdoemen. Het blijft wat wazig, maar het is onmiskenbaar het silhouet van de Mont Blanc (4810 m) en dat is een verrassing, want we dachten dat we de Witte berg voorgoed achter ons gelaten hadden. We gaan verder en er verschijnen meer en meer sneeuwvelden. Sneeuwmannetjes vervangen nu grotendeels de streepjes om ons de weg te wijzen en gelukkig zien we ook regelmatig voetstapsporen door de sneeuw. Rechts van ons verschijnt stilaan in al haar glorie de top van de Grande Motte (3653 m) en de grote Glaciers de le Grande Motte.

We klimmen rustig verder en moeten nu en dan wel eens uitkijken waar de GR gebleven is. Het feit dat hier en daar roodwitte strepen met een grijze verf oververfd werden , maakt het er niet simpelder op. Maar we weten dat we nog hogerop moeten en onvermijdelijk arriveren we dan toch om 10u30 op het hoogste punt van de dag : de Col de le Leisse (2758 m).En dan komen we bij de volgende afdaling, waar weer een prachtig zicht ons opwacht. Voor ons ligt een azuurblauw meer, dat fel afsteekt tegen de grijze steenslaghellingen errond.

Aan de andere kant van het meer komen we bij een kleine barrage uit. Het pad leidt ons verder en dan zien we plots de refuge de la Leisse (2487 m) liggen. Het zijn nog slechts twee kleine hutjes in de verte, maar van hier kunnen we al zien, dat ze prachtig gelegen zijn op een hoogte boven de vallei van de Leisse. We begeven ons op weg naar het kleine eilandje van beschaving in deze plek ver weg van de bewoonde wereld. Het is 12u15 als we de refuge bereiken en zetten ons aan één van de vele tafels, die tussen de hutten opgesteld staan.Om 13u laten we de prachtig gelegen hutten achter ons en dalen verder af in de vallei van de Leisse. Iets verder vinden we een stevige brug over de Torrent de la Leisse, en verder blijven we dan ook op de linkeroever van de torrent. In vroeger tijden moet hier ooit een enorme gletsjer dit grote dal uitgesleten hebben. Die heeft ervoor gezorgd dat we hier midden door de Vanoise kunnen trekken. Regelmatig horen we de vele marmotten, die hier overvloedig moeten aanwezig zijn, maar zien doen we ze voorlopig nog niet. We blijven maar dalen en komen na een lange bocht uiteindelijk uit bij de bekende Pont de Croé-Vie. Hier bevindt zich een echt kruispunt van GR-wegen. Als we van hieruit nog even zuidwaarts gaan, komen we uit bij de eigenlijke GR 5. Het is een route die vele GR-wandelaars nemen. Ze snijden zo een stuk van de GR 5 af en komen toch via de klassieke route Modane binnen. Maar wij volharden in de boosheid en zijn van plan de GR 55 te blijven volgen.

Het is 14u30 en we gaan beginnen aan onze zwaarste passage van vandaag. Het pad gaat vrij steil omhoog tegen de flank van de Réchasse en al snel zigzagt het tegen de helling op. Het blijft zwoegen en zweten om de bergflank op te geraken.Plots zien we iets bewegen. We kunnen eerst onze ogen niet geloven, maar een 20tal meters voor ons staat een volwassen steenbok op de helling te grazen.Het wilde (?) dier laat zich rustig fotograferen. Het laat ons zelfs rustig dichterbij komen, en op een bepaald moment staan we nog geen 10 meter van het nu toch wel mooie dier met zijn imposante hoorns. De steenbok of ‘Alpijnse ibex’ is een 100 kilo wegend zoogdier met een lichtbruine vacht, dat zich moeiteloos langs de steilste hellingen kan voortbewegen. Begin 20e eeuw waren deze dieren niet meer te vinden in de Vanoise, maar in de jaren zestig werden ze terug in het Nationaal Park uitgezet en sindsdien hebben ze zich in deze beschermde omgeving goed kunnen vermenigvuldigen. Na een vijftal minuten zijn we wel uit-gefotografeerd en ook een beetje uitgerust, zodat we onze weg kunnen verderzetten. We blijven nog een poos stijgen tot we in de verte tot onze verbazing een bunker bemerken. Op de kaart staat er inderdaad een ‘blockhaus’ aangegeven. Ik zie niet goed in waarom men hier in het midden van dit gebergte een bunker heeft gebouwd, maar het militaire denken is niet altijd logisch, dus ...

Uiteindelijk wordt de route iets minder steil en komen we voor een monument te staan, een driehoekige steen met een tekst erop, die ons leert dat er hier ooit 2 Franse officieren omgekomen zijn. We bevinden ons nu in de hoge vallei (ongeveer 2450 m) van de Ruisseau de la Vanoise, een beekje dat ontspringt ergens hogerop richting Col de La Vanoise en via een mooie waterval terecht komt in de vallei van de Leisse. Als we achterom kijken, kunnen we nog net even de lange, gebogen vallei bewonderen, die we in zijn geheel zijn doorgetrokken en dan verdwijnt ze uit het zicht.Na het Lac Rond gepasseerd te zijn, ontmoeten we plots een wandelaar zonder rugzak; wat er volgens ons op wijst dat de hut niet veraf meer kan zijn. En inderdaad, wat verder zien we de gebouwen liggen van de Refuge de la Vanoise onderaan de grijze rots van de Aiguille de la Vanoise (2796 m). Er vallen ondertussen wat meer druppels en als we tenslotte om 16u30 over de drempel van het gebouw stappen, waar een bordje met ‘Acceuil’ ons uitnodigt om binnen te komen, gaan plots de hemelsluizen open. Eerst voorzichtig, maar even later vrij uitbundig lossen de donkere regenwolken hun lading over de Col de la Vanoise. Oef, we zijn hier juist op tijd binnen.

 

 

 

 

76. Col de la Vanoise - Refuge de Péclet-Polset (27km) : 19Juli 2004

 

Vandaag gaan we een flinke afdaling tegemoet en een dito klim. We moeten eerst van onze huidige hoogte van 2517 m naar de vallei afdalen op 1418 m en dan weer omhoog naar een hoogte van 2474 m, dus een dikke kilometer omlaag en omhoog. We laten de hut op de Col achter ons en gaan vlak langs de flank van de Aiguille de la Vanoise de vallei in , die ons naar Pralognan zal voeren. Het is nog wat bewolkt deze morgen, maar de temperatuur is aangenaam en de weg gaat bergaf, dus we genieten met volle teugen. Tussen de rotsen begint ook nu en dan wat groen tevoorschijn te komen, en regelmatig valt ons een roos bloemenkleedje op. Het zijn allemaal kleine bloempjes, die zo dicht tegen elkaar staan, dat het een tapijt lijk. En dan zien we onder ons één van de bekendste plekken op de GR 55 liggen, het Lac des Vaches. Het is een vrij ondiep, groot meer, dat als het ware op de rand van een afgrond ligt, en waar doorheen op een onnatuurlijk rechte lijn grote stapstenen liggen. Het meer moet vroeger op het jaar veel groter zijn, want nu liggen grote stukken droog, maar het blijft natuurlijk een speciaal iets. Zeker met de prachtige bergen, die overal rondom ons weerspiegelen in het water. We werpen nog een blik achter ons op de Grande Casse, die we nog éénmaal kunnen zien in zijn volle glorie met zijn blinkende gletsjers in volle zicht ! En dan duiken we verder de diepte in in de vallei van de Torrent de la Glière.

De vallei is één grote weide en geheel bedekt met gras en bloemen. Al snel vinden we de zwarte Vanille-orchis en de Alpenaster, terwijl het berghuislook ook overal aanwezig is. Iets lager, ter hoogte van enkele min of meer bouwvallige stenen gebouwtjes, de châlets de la Glière genoemd (2030 m), wordt het pad wat breder en verschijnen er ook nu en dan stenen muurtjes langs de velden. Die laatste zijn soms geheel bedekt met Alpenzuring (Rumex alpinus). We steken de Torrent de la Glière nog eens over en worden direct aangemaand de verharde weg te verlaten en ons via een wandelpad verder dalwaarts te begeven. Er zijn ook meer bomen verschenen en al snel lopen we af en toe door stukken naaldbos. Daar komen we nog enkele mooie bloemen tegen, zoals de witte lelie en de grote muggenorchis. Hoe lager we komen, hoe drukker het wordt en dan bevinden we ons plots op een parking. De weg voert ons verder tot bij les Fontanettes (1644 m), een gehucht van enkele huisjes en een soort van café-restaurant. We dalen verder af, laten het wandelpad naar de cascade de la Fraîche links liggen en komen midden in een bos voorbij een prachtig uitzichtpunt over Pralognan uit. We hebben werkelijk een prachtig panorama voor ons liggen van de hele vallei waarin Pralognan-la-Vanoise zich genesteld heeft. Rechtsonder ons ligt het dorp en links van ons zien we de vallei van de Chavière, waar we straks verder zullen gaan.

Via een klein straatje komen we om 11u00 Pralognan binnen. Bij de ‘Bar du Boghor’ vinden we dan tenslotte onze gading en zetten ons neer in de schaduw van enkele bomen met drie halve liters Pelforth bier. We zitten recht tegenover de kabelbaan van de Mont Bochor en er loopt heel wat volk door deze (hoofd)straat. We moeten vandaag nog een dikke 1000 m klimmen, en ik wil dat we op tijd bij onze volgende refuge aankomen. De GR 55 brengt ons tussen de camping van het plaatsje en het Bois de l’ Isertan. De bergbeek Donon de Chavière dondert rechts van ons naar beneden, dus we zijn vrij zeker dat we nog goed zitten. Na een steil stukje klimmen, gaat het weer wat gezapiger aan en zo komen we om kwart voor één uit bij de Pont de Gerlon. Eigenlijk is de vallei op zich een vrij eentonige recht toe-recht aan klim van een 13 km naar de Col de Chavière, maar de omgeving maakt het de moeite waard. We blijven dus de beek volgen, maar nu langs de linkeroever. Wij v komen om kwart na één uit in het gehucht Les Prioux. We hebben sinds Pralognan alweer bijna 300 m geklommen en weten dat er hier een refuge te vinden is en waarschijnlijk ook gelegenheid om onze dorst te lessen in een herberg of café. We hebben een tafel en stoelen, onze picknick, een prachtig zicht op de vallei met de lichte flank van de Petit Mont Blanc (2677 m) en drie frisse pinten voor ons op tafel staan! We merken dat er vanuit het zuidwesten donkere wolken de vallei komen binnendrijven. De kans op een bui is dus niet ondenkbaar, dus maken we voort met onze maaltijd. En inderdaad,we voelen al enkele druppels vallen. Het is echter nog maar een voorbode ! We krijgen nog rustig de tijd om onze spullen bijeen te pakken.

We steken echter de regenjas en de poncho’s niet ver weg, want de lucht is stilaan helemaal betrokken en we vertrekken onder een slecht voorteken. En jawel ... we hebben nog maar net de laatste huizen van het plaatsje achter ons gelaten of de eerste druppels vallen uit de lucht, en we merken al snel dat de bui deze keer niet van korte duur zal zijn. Integendeel ... er volgt een echte plensbui ! Terwijl we onze pas versnellen, vallen dikke regendruppels loodrecht neer. Gelukkig komen we een honderd meter verder op een grote parking terecht, die voorzien is van een echt openbaar toilet. We haasten er ons naar toe en zoeken beschutting in het kleine gebouwtje. Na een kwartiertje schuilen is de zondvloed een beetje bedaard en durven we de deze keer rustigere bui trotseren. We beginnen om 14u20 aan de klim naar ons einddoel, de refuge Peclet-Polset. De lucht blijft lang overtrokken en de donkere wolken blijven voorbijzeilen, voortgedreven door een frisse westerbries.

Het is ondertussen helemaal opgehouden met regenen en de klim naar de refuge begint stilaan op een tocht zonder einde te gaan lijken. Vanaf de laatste brug zijn we nu al meer dan een uur onderweg en er is nog steeds geen hut te bespeuren. We passeren chalet na chalet. Ondertussen hebben we voor ons een duidelijk zicht op ons doel voor morgen : de Col de Chavière. Met 2796 m is het niet alleen het hoogste punt van onze zesdaagse, maar eveneens het hoogste punt waar dan ook op onze GR5 !! Uiteindelijk zien we dan om 16u50 eerst een franse vlag en dan de refuge op een hoogte rechts van ons. We moeten nog eerst langs een sneeuwveld van een flinke meter dik en dan komen we klokslag 17u bij de ingang van de hut aan. En het is een speciale hut, want ze is pas zeer recent gebouwd. Ze is pas in juli 1998 in gebruik genomen . Reeds sinds 1913 stond hier een berghut, maar het oude gebouw brandde af (*). We zitten hier op 2474 m hoogte, maar tussen de rotsen zien we nog veel gras. Het massief van de Aiguilles de Péclet en de Polset domineert de achtergrond, maar de toppen zitten spijtig genoeg nog in de wolken. Ondanks zijn speciale architectuur, die de hut vanop afstand vrij klein doet lijken, kunnen er toch een 80 mensen overnachten. Gelukkig worden we bij het avondmaal niet teleurgesteld; het is deze keer geen spaghetti, maar vooraf een lekkere soep, dan kip met rijst en ratatouille, dan nog een stuk kaas Tomme de Savoie en tenslotte nog een île flottante. Waw, ... dat doet deugd.

 

(*) : een jaar later vernemen we dat de hut recent weer afgebrand is !!

 

 

77. Refuge de Péclet-Polset - Modane (26km) : 20 Juli 2004

 

Vandaag hebben we maar een kleine(re) etappe voor de boeg; alles bij elkaar een 5u40 wandelen ! Daar kunnen we onze dag niet mee vullen; zeker nu we praktisch een uur te vroeg klaar staan om te vertrekken. Daarom gaan we voor we hier echt vertrekken, een bezoekje brengen aan het Lac Blanc, een bergmeer dat hier een 20 minuutjes van de hut af ligt. Tegen de achtergrond van het donkere massief van Péclet-Polset, vloeien vele, kleine beekjes van de gletsjers naar het lichtblauwe meer toe. We voelen niet de behoefte om helemaal tot aan de oever van het water zelf af te dalen. We zijn nog niet helemaal aan de hut geraakt of we zien ons verplicht om onze poncho’s en regenjas aan te trekken.Het pad is niet echt goed zichtbaar, want we bevinden ons tussen de rotsen, met hier en daar een sneeuwveld ertussen. We moeten dus alleen maar onze voorgangers volgen, en een beetje de roodwitte streepjes in het oog houden. Zo gaat het langzaam maar zeker zuidwaarts en bergop. Slechts een 300 hoogtemeters scheiden ons van het hoogste punt van alle GR’s, maar het zullen niet de gemakkelijkste zijn ! We komen meer en meer sneeuw tegen en er waait hier een koude wind. De laatste honderden meters gaat het steil omhoog via een smal en door losse stenen glad paadje, maar dan zijn we er toch om 9u30. We staan op de Col de Chavière op 2796 m boven de zeespiegel, het hoogste punt op eender welke GR in Frankrijk !

Zoals op de Mt Brevent enkele jaren geleden, moeten we ons weer tevreden stellen met een schaarse glimp op onze directe omgeving.Na een 20tal minuutjes laten we de met enkele steenmannetjes versierde col achter ons. Het is even zoeken, want het wolkendek trekt weer even dicht, maar er zijn gelukkig nog sporen in de sneeuw en die brengen ons even later uit de sneeuw op de harde grond, waar we wat minder onzeker kunnen verdergaan. En dan gaat het snel naar beneden. Het pad wordt breder en gaat sterk zigzaggend zuidwaarts. Hoe lager we komen, des te minder dik wordt het wolkendek en des te mooier wordt het zicht dat we voorgeschoteld krijgen. Groene velden strekken zich onder ons uit en worden als het ware in tweeën gesplten door het massief van de Tête Noire.We moeten een beslissing nemen. De GR 55 neemt hier de rechtse weg en komt tenslotte in de vallei van de St. Bernard beek terecht. Dit is de kortste route. Wij gaan echter de linkse variant nemen. Deze zal ons langs de oostkant van de Tête Noire ook op dezelfde plaats brengen. Op een bepaald moment wandelen we door een maanlandschap van grote rotsblokken, die her en der in het rond liggen, alsof ze hier zomaar neergeworpen werden. Hier en daar beginnen we ook terug wat meer bloemen op te merken. Wat er minder afsteekt tegen de achtergrond zijn de marmotten en de berggeiten, die in dit deel van de Vanoise veel voorkomen. Ondertussen is het wel genieten geblazen van het prachtige uitzicht.

Voorlopig echter blijven we nog even zuidwaarts verdergaan, tot we bij de overblijfselen van enkele gebouwen komen. Op de kaart staan ze aangegeven als de ‘l’ Estivat ruïnes’ (op 2184 m). Ik weet niet wie er hier ooit in dit godverlaten oord heeft gewoond, maar een prachtzicht had hij van hieruit wel. Want we kunnen voor het eerst tot helemaal onder in de Arc vallei kijken en zien meer dan een kilometer onder ons de huizen van Modane liggen. Het wordt spijtig genoeg weer tijd om onze regenkledij aan te doen. Na een klein half uur afdalen, komen we uit op de parking bij een refuge. Het is even een speciaal gevoel om weer asfalt onder de voeten te krijgen, maar we zijn het al weer gewoon als we een minuutje later bij de deur van de refuge staan. Deze refuge is één van de toegangspoorten tot het grote Parc de la Vanoise (Porte du Parc). Het ligt op de zuidelijke grens ervan, en hier verlaten we dan ook deze prachtige streek. Het is nu ongeveer 12u ’s middags en waarom zouden we hier niet even iets hartigs eten !? We bestellen dus 3 ‘casse-croûts’ voor ons en zetten ons vol verwachting achteruit in de stoelen. Al snel worden we voorzien van een glas frisse witte wijn, en even later komt een flink bord met ‘la croûte au fromage’ (= pain de seigle, jambon, fromage à raclette en een spiegelei). Daarnaast zet men nog een flinke kom ‘salade verte’ op tafel en als dessert hebben we nog de keuze uit wat ‘fromage’ of ‘le dessert du jour’. En dat alles voor de prijs van € 11,50. Het dient natuurlijk niet gezegd dat we ons buitenmaats tegoed doen aan al dit lekkers en dat er uiteindelijk zo goed als niets op de tafel overblijft (we kunnen er ook niet aan doen, we zijn zo opgevoed !).

Onder een droge hemel vatten we de tocht weer aan. En we zijn voor het eerst sinds Tignes-le-Lac terug op de enige, echte GR 5 ! Al snel laten we het asfalt achter ons en stappen door een soort van arboretum terug de natuur in. We bevinden ons hier in een prachtig sparrenbos met een kleurrijke begroeiing, en het met boomwortels versierde pad slingert zich rustig tussen de bomen door. Ondertussen gaat de afdaling verder en komen we zo rond 13u50 bij een brug uit over en beek dicht bij het gehucht Polset. En dan begint stilaan de eigenlijke, radbrakende afdaling naar de vallei. We bevinden ons nog steeds op meer dan 1800 m, wat betekent dat we nog een 800 meter moeten afdalen op een afstand van maar een paar kilometer. We komen regelmatig langs alleenstaande huisjes, waarin er niet echt leven te bespeuren is; we denken dat het waarschijnlijk vakantiehuizen zijn. En de afdaling gaat onverbiddellijk verder. De temperatuur is ondertussen al gestegen tot een voor ons bijna tropische 25 °C, bijna 20 graden warmer dan deze morgen. Ondertussen zijn we echter al zo ver gedaald, dat we meestal onder het dichte bladerdak van een bos lopen. En nog steeds dalen we verder af naar Modane, waarvan we nu en dan doorheen het lover een glimp kunnen opvangen. Als we tenslotte rond 15u via een brugje de Ruisseau de St Bernard oversteken, zijn we bijna aan het eind van onze trip. De eerste huizen van Loutraz komen weldra in zicht en het dalingspercentage wordt tenslotte ook menselijker.

Er is niet veel verkeer hier in het stadje. Het enige voertuig op wielen dat we hier tegenkomen, ... en voorbijsteken is een rolstoel. We slaan de hoek om en staan dan om 15u30 op de brug over de Arc. We bevinden ons nu op het laagste punt van onze zesdaagse (1066 m) en we zijn aangekomen in de volgende streek van de Alpen : La Maurienne. Deze streek omvat de vallei van de Arc van zijn begin aan de Col de l’ Iseran (Haute Maurienne) tot Albertville, waar de rivier in de Isère stroomt. Modane is één van de grootste plaatsen in dit deel van de vallei. Er beweegt zich niet veel in het centrum en een – al of niet open – café is er al helemaal niet te vinden. Dan gaan we maar verder richting camping ‘Les Combes’, waar ons verblijf voorzien is. Voorzien van alles wat we nodig hebben, trekken we verder Modane uit en komen na een kleine kilometer om 16u00 in een haarspeldbocht bij de ingang van de camping uit. Vanop de camping zien we recht voor ons het Fort ‘Le Replaton’ en flink wat hoger op de top (700 m boven ons) het Fort du Sapey. De versterking werd gebouwd tussen 1886 en 1893 en diende om een eventuele aanval uit Italië via de spoorwegtunnel van Fréjus tegen te houden. Deze tunnel was slechts enkele tientallen jaren eerder gebouwd. Het Fort du Sapey bestreek vanuit zijn hoger gelegen positie de hele Arc-vallei van Lanslebourg tot St. Michel en hield ook een oogje op de Cols de Frèjus en de la Roue. Na een tijdje gaan we ieder op zijn beurt een douche nemen en rond 18u gaan we naar het pseudo-restaurantje en doen ons tegoed aan een portie opgewarmde diepvries-frieten, versierd met enkele zwan-worsten.... niet erg haut-cuisine dus.

 

 

 

78. Modane - Refuge de la Vallée Etroite (28km) : 21 Juli 2004

 

Om 8u30 nemen we afscheid van de camping en even later van Modane, dat in de vallei stilaan uit het zicht verdwijnt.Na enkele minuten komen we uit aan de voet van een betonnen muur. Boven ons denderen vracht- en andere wagens op de A 43 – E 70 richting Italië. Onze zandweg voert ons langs deze wand naar een tunneltje onder de snelweg door. Tegen de betonnen muur staan we even stil bij een kapelletje. We bevinden ons hier op een kruisweg (la route des oratoires), die waarschijnlijk van in Modane tot aan de kapel van Charmaix loopt. We moeten vandaag 1400 m klimmen en het zal er dus op aan komen onze krachten te doseren. Bij een volgende statie (van de kruisweg) gekomen houden we even halt om op adem te komen en genieten van het uitzicht op de zonovergoten vallei. Na nog een kwartier klimmen, bereiken we een asfaltweg. We volgen de haarspeldbochten bergopwaarts en passeren de volgende staties van de kruisweg, terwijl we langzaam aan hoogte winnen.

Eindelijk kunnen we in de derde bocht het asfalt weer verlaten. Het volgende deel van het pad gaat wel erg steil de hoogte in. We kunnen maar stap voor stap vorderen. We komen dan bij een afslag voor een bord te staan. Een richtingwijzer geeft aan dat we dit pad inderdaad moeten volgen om bij de bekende kapel Notre Dame du Charmaix uit te komen. Een hek waarschuwt voor een hindernis verder op het pad. Toch laten we ons niet uit het veld slaan. Vooreerst is er niets ongewoon te beleven. Regelmatig komen we huizen tegen langs het pad en het lijkt wel of we er zonder ongelukken gaan geraken, als we de laatste bocht omgaan en we voor ons de kapel zien ... en een meer dan serieuze afgrond !! Het pad voor ons is in de diepte van de vallei van de voorbijstromende Ruisseau du Grand Vallon verdwenen. Honderd meter voor ons ligt de befaamde kapel, als het ware opgehangen boven de vallei van de beek. Het pad loopt er doorheen. Er zou hier aleen heiligdom gestaan hebben van in de tijd van Karel de Grote. Iets verderop gaan we de brug over de Grand Vallon over en hebben vandaar toch nog een prachtig zicht op de befaamde kapel Notre Dame du Charmaix.

We bevinden ons nu al op een 1500 m hoogte, dus we hebben al 1/3 van het hoogteverschil achter de rug. We dalene langzaam af naar de Ruisseau du Charmaix en bereiken die bij het gehucht Les Herbiers op 1664 m hoogte. Het pad zigzagt omhoog door het bos en af en toe passeren er wandelaars, die de weg naar beneden zijn ingeslagen. Na een klein half uur, zien we plots iets eigenaardigs : een groot rechthoekig gebouw doemt op aan de horizon. Het lijkt wel op een hotel, maar dat is hier naar ons gevoel toch niet op zijn plaats. Dichterbij gekomen, komen we bij de beek plots uit bij een oude bunker. Uit de uitleg op het infopaneel kunnen we opmaken dat dit vroeger (tussen de beide wereldoorlogen) deel uitmaakte van de zogenaamde Alpen-Maginotlinie, een reeks van forten en versterkingen doorheen de Alpen langs de toenmalige Italiaans-Franse grens. De GR 5 leidt ons hier over de brug en doet ons onderlangs de kazerne passeren, en we hervatten onze weg zuidwaarts. We blijven even op hoogte lopen zonder te veel te klimmen, zodat we even op adem kunnen komen. Zo laten we de chalets du Lavoir achter ons en bereiken we iets na twaalven de brug bij de chalets la Losa. De vallei wordt breder en we beginnen stilaan zicht te krijgen op het einde ervan. Aan de overkant van de vallei sluit de grote Crête des Sarrasins de horizon af, maar onze interesse richt zich naar de inzinking in de kam, die ons eerstvolgende doel is, de Col de la Vallée Etroite. Maar eerst gaan we even picknicken. Naast het pad liggen wat rotsblokken; waarschijnlijk overblijfselen van schuurtjes of herdershutjes. Ertussen vinden we wel enkele platte stenen om ons op neer te zetten.

Waarom zouden we niet een halte maken bij de Refuge du Mont Thabor ? We zouden daar nog iets kunnen drinken en onze drinkbussen kunnen bijvullen. We zitten goed op ons tijdschema, maar ligt de hut niet té ver van de Col ? De vallei wordt breder en het uitzicht wordt weidser. Dan zien we in de verte voor het eerst het gebouw van de refuge du Mont Thabor. Het ligt iets rechts van de Col de la Vallée Etroite, en erachter verheft zich als een strenge engelbewaarder de eigenaardige top van de Mont Thabor (3178 m) zelf. Het is hier fijn wandelen, want het echte klimwerk ligt eigenlijk al achter de rug. Het gaat nu lichtjes bergop naar de horizon toe. Tenslotte zijn we aan de laatste hellingen toe en bereiken we om 13u40 de richtingwijzer op de Col zelf (2434 m). Verschillende paden leiden in de richting van de refuge en we nemen maar de eerste de beste. Tot onsnadeel moeten we wel vaststellen dat de hut nog iets hoger ligt dan de col. Komt erbij dat het pad ons eerst nog wat doet afdalen en door enkele sneeuwvelden doet ploeteren. Tenslotte moeten we juist voor de hut nog een fikse helling beklimmen, maar om iets voor twee bereiken we tenslotte de Refuge du Mont Thabor op 2500 m hoogte. Na een frisse pint en een half uur doen we onze rugzakken weer om en keren via de GR 57A terug naar de Col.

Om 14u45 staan we terug op de Col de La Vallée Etroite. Het is een brede pas tussen de Cime de la Planette en het bergmassief van de Mont Thabor. Op de pas zelf bevindt zich een klein, ondiep meertje. Op de Col zelf staat een groot kruis met op de kant van het departement vande Savoie (dat wij nu verlaten) het opschrift ‘Col de la vallée Etroite’ en op de zijde van het departement Hautes Alpes (dat we nu betreden) ‘Passo di Valle Stretta’. We verlaten de pas en dalen af naar het zuiden. Hoewel we hier de taalgrens zijn overgestoken, zien we dat niet echt aan het landschap; het is een verderzetting van de mooie, idyllische alpenweiden van de andere kant van de pas En we moeten weer wat beter gaan opletten, want het is af en toe weer handen- en voetenwerk hier.

Het pad slingert zich tussen de bomen door en tenslotte bereiken we om 16u20 weer een herkenbaar punt op ons traject : de Pont de la Fonderie. Van hier af gaat het stilletjes aan bergafwaarts, zonder té grote hoogteverschillen richting naar het gehucht Les Granges de la Vallée Etroite. We volgen nu de vallei van de ruisseau met dezelfde naam en passeren wat verder een wegwijzer met het opschrift ‘Le Lac Vert’ (‘Il Lago Verde’). Eerst komen we nu en dan een huis tegen, en dan bereiken we het plaatsje. Het is even uitkijken waar zich onze refuge bevindt , want hoe klein het gehucht ook is, er bevinden zich wel 2 refuges : de Rifugio ‘I Re Magi’ en de rifugio ‘Tre Alpini’. Het is de laatste gelegenheid die we zoeken, en ze is snel gevonden. Iets boven het dorp wapperen aan een vlaggestok naast de hut de Franse en Italiaanse vlaggen broederlijk boven elkaar en daar moeten we zijn. Het is klokslag 17u00 als we de oude, maar aantrekkelijke lokalen binnen stappen. De hut dankt zijn naam aan het Derde Alpijnse Regiment van het Italiaanse Leger, dat in deze buurt zijn stellingen had tijdens de Tweede Wereldoorlog. Daarna is het Terzo Alpini wat verfranst geworden tot Tre Alpini, maar het wordt ook Rifugio della Valle Stretta genoemd. Aan de receptie worden we ontvangen door Anna en Riccardo Novo. Op mijn zorgvuldig in het Italiaans voorbereide vraag naar onze gereserveerde plaatsen (‘Abbiamo prenotato tre posti qui ...’), wordt er in (bijna) vlekkeloos gesproken Frans geantwoord. Tot zover mijn jaar avondschool Italiaans. We gaan dan maar verder in onze tweede landstaal en worden met onze bagage door de rondborstige Italiaanse tot in onze kamer begeleid. We krijgen op de eerste verdieping een kamertje van vier voor ons drieën toegewezen. Spijtig genoeg komt onze begeleidster zelf niet binnen, want dat kan namelijk niet. Met ons drieën en onze rugzakken is het kamertje namelijk eivol ! We kunnen ons niet omdraaien of bewegen. We overlopen nog eens de fantastische dag, die we hebben mogen beleven. Het was weer een perfecte GR-dag : een heerlijk zonnetje, een prachtige omgeving, een mooie tussenstop en een deugddoende wandeling, zowel in afstand als in bezienswaardigheden, tenslotte eindigend bij een uitnodigende hut met sympathieke mensen.

 

 

 

79. Refuge de le Vallée Etroite - Plampinet (30km) : 22 Juli 2004

 

De GR 5-route loopt vandaag via de Chapelle des Ames bij Névache in de Clarée vallei naar Plampinet. Wij moeten slechts enkele tientallen meters stappen voor we terug op de GR 5 zitten. De wijzer duidt ons de richting aan naar de Col des Thures, Névache en Plampinet. Via een valleitje (van de Combe de la Miglia of de la Mille) zigzaggen we even later de valleiwand op. In een rustig tempo laten we de prachtige ‘Smalle Vallei’ stilaan achter ons. Af en toe moeten we nog eens een blik werpen op dit idyllische oord : van de grijze berghellingen van de ‘Drie Koningen’ doorheen heel de lengte van de vallei tot aan de stompe, stoere rotsmassa van Le Grand Séru, die als een voorhistorische bewaker de vallei afsluit. Op een bepaald moment komen er meer open plekken tussen de bomen. Het bos wijkt stilaan voor de alpenweiden. Voor ons doemt de donkere, ronde top van de Tête Ronde (2206 m) op en dan zijn we even later boven de boomgrens. De helling wordt ook veel minder steil en het gaat vlugger vooruit. Met het verdwijnen van de bomen, wordt het zicht ook weidser en achter ons blijven de toppen van de drie wijzen ons in het oog houden. Na nog enkele golvingen in het landschap komen we dan uit bij een eigenaardig, cirkelvormig meertje. Aan de rand ervan staat een wijzer : we bevinden ons op de Col des Thures op 2194 m boven de zeespiegel. Hier zitten we terug op de voormalige Frans-Italiaans grens.

Het is 9u15 (een uur na ons vertrek) en we zijn sinds dat vertrek al een 430 m geklommen. Het volgende stuk is eigenlijk een rustige platte wandeling door de weilanden van de brede Col des Thures. We voelen ons als het ware op de prairies van Midden Amerika. Rechts van ons bevindt zich de lichtgrijze muur van de Crête de la Charmette en links van ons zien we het mooie massief van de Aiguille Rouge (2545 m), waar we straks nog nader mee gaan kennismaken. Voor ons zien we de GR 5 een duik nemen in de Combe des Thures, een steile vallei, die hier in de loop der tijden uitgesleten is door de Torrent de Roubion. Ze daalt af naar de vallei van de Clarée, waar Névache ligt en enkele gehuchten. Wij gaan echter niet de dieperik ingaan, want iets verder wijst bij een splitsing een plaatje ons de richting aan van een variant, de GR 5B. En die gaan we nu dus volgen. De variant doet ons verder stijgen op de flank van de Aiguille Rouge en we krijgen stilaan een beter zicht op de Clarée vallei met enkele huisjes van Névache in de diepte. Voor ons rijst de donkere wand van de Rochers de la Sueur op, die de grens vormen met Italië en links van ons kunnen we in de verte de Italiaanse stad Bardonecchia onderscheiden.

De Clarée maakt onder ons bijna een hoek van 90° zuidwaarts en in de verte kunnen we zelfs ons einddoel van vandaag, Plampinet ontwaren. Het padje is soms zeer snel en zigzagt soms al gek langs de helling. Het duurt schijnbaar wel een eeuwigheid, maar na 50 minuten staan we dan eindelijk aan de rand van het asfalt. We zijn aanbeland op de Col de l’ Echelle op 1762 m boven de zeespiegel. Onze weg is niet echt wat je van een GR verwacht, maar we hebben wel wat over voor een échte bergwandeling seffens. Om 12u35 laten we hier de weg en de auto’s terug achter ons en trekken weer de natuur in. De richtingwijzer boven aan de paal wijst ons de richting aan naar de Col de Pertusa, de Chalets des Acles en Montgenèvre. We zitten nu echt op de GR 5B. Bij 250m hoogtewinst blijven we even zitten aan de kant en kijken rondom ons. Wij hebben van hier uit één van de prachtigste uitzichten vanop de GR 5. Ten noorden zien we doorheen een vallei op een kilometer of 5 van ons het stadje Bardonecchia en verder in een cirkel van 360° alpentoppen met grijze hellingen, bespikkeld met groene coniferen.

Voor ons aan de andere zijde van een breed circus zien we de scherpe top van de Rocher de Barrabas (2618 m). Op een kam, die noordelijk van de top Italië inloopt, bemerken we een eigenaardig gevormde rots, waar we trouwens volgens de kaart nog langs moeten passeren. Als we hoger komen, wordt het zicht naar het westen opener en zien we de kam, die van de Rocher over de Pas des Rousses naar een nog hoger top leidt, de Sommet de Guiau (2654 m). Op de kam naar die laatste top toe, komen we tenslotte uit na een laatste, fikse klim. We zitten op ongeveer 2200 m hoogte en kunnen nu ook aan de andere kant van de kam naar beneden kijken in Frankrijk. We zitten hier nu echt op de Frans-Italiaanse grens. We blijven de kam nog even volgen richting Sommet de Guiau en komen zelfs nog een echte grenssteen tegen. Na Nederland, België, Luxemburg, Frankrijk en Zwitserland gaan we nu het zesde land in langs de GR 5 : Italië. Het zijn maar een paar kilometers, maar we zijn er toch maar ! Het is hier weer heerlijk wandelen ! Op deze hoogte van meer dan 2200 m komen we nog regelmatig taaie coniferen tegen. We zitten hier nochtans op een noordelijke helling ! Het pad wordt soms wel erg smal, niet veel breder dan één voet !Ons dorstgevoel wordt met de kilometer groter en mijn tong begint stilaan aan te voelen als een droge lap leer. Iets onder de kam van de col lijkt een waterloopje de helling af te vloeien. Ter hoogte van een hoop rotsblokken zien we enkele personen gebukt neerzitten. Dichterbij gekomen, merken we dat ze de afwas aan het doen zijn. Tot onze grote opluchting merken we dat de GR 5 hier uitkomt bij een natuurlijke bron. We vragen aan de mensen, die juist gaan vertrekken of het drinkbaar water is, en als het antwoord positief is, kunnen we ons geluk niet op. Snel pakken we onze drinkbussen en laten ze vollopen. Het water is niet enkel fris, maar smaakt op beter dan de beste Rochefort of Bordeaux wijn, die ik al geproefd had.

De GR daalt gelukkig voorzichtig af in wijde bochten. We mogen ons nu dus verwachten aan een urenlange afdaling; eerst richting Chalets des Acles (op 1870m hoogte) en dan verder naar Plampinet op 1482 m boven de zeespiegel. Dat wordt dus in het totaal een dikke 800 meter afdalen. We doen het in een rustig tempo. Omdat we nu geen watergebrek mer hebben, stoppen we ook meer om onze dorst te lessen. Stilaan bereiken we de schaduw van grotere bomenbestanden. Het zijn vooral lorken (mélèzes), die hier de dienst uitmaken. Af en toe krijgen we toch nog mooie uitzichten op de imposante grijze flank van de Pointe de Pécé (2733 m) aan de overkant van de vallei van de Torrent des Acles. Links onder ons stroomt de torrent en voor ons uit zien we de plaats waar de vallei uitkomt in de vallée de la Clarée, waarook Plampinet zich bevindt. En dan komen we een tiental minuten later langs een ruïne van een kapelletje (oratoire). We moeten nog een 250 meters afdalen langs deze brede weg, maar we moeten toch oppassen voor de vele stenen en keien, waarmee het pad bedekt is. We zetten er wel de pas in en na 10 haarspeldbochten bereiken we de eerste huizen van het plaatsje. Het is dan nog even zoeken naar de gîte, maar om 17u30 staan we voor het gebouw, de gîte-auberge La Cleida.

 

 

 

80. Plampinet - Briançon (36km) : 23 Juli 2004

 

We hebben vandaag een flinke trip voor de boeg. Als het weer betrokken is, of er is lage bewolking, zijn we verplicht om naar de chalets des Acles te wandelen en de ‘normale’ route van de GR 5 te volgen via Montgenèvre richting Briançon. Maar er is nog een variant : de GR 5C. Die trekt rechtstreeks over de bergrug van de vallei van de Clarée bij Névache over de Col de Granon naar Briançon; een veel directere, maar ook meer geaccidenteerde weg. Gelukkig voor ons is het weer op het eerste zicht prima. De lucht is blauw en de zon staat aan de hemel. We gaan echter niet helemaal terug naar Névache. We hopen na enkele kilometers rechtstreeks op de GR 5C aan te kunnen sluiten iets ten zuiden van de Ville Basse van Névache. We steken de Torrent de Creuzet over en wandelen in de schaduw van de bomen van het Bois Noir westwaarts. Rechts van ons hebben we af en toe mooie zichten op de hoge vallei van de Clarée met zijn vele dorpjes, die zich hier als aan een ketting doorheen de vallei aan elkaar rijgen. Achtereenvolgens lopen we langs Roubion, Sallé, le Cros, Névache Ville Basse en in de verte zien we de Ville Haute ook nog liggen. Alles ligt al in het vroege zonlicht te schitteren met op de achtergrond de grote, grijze gruiswand van la Grande Chalanche (2557 m).

Tenslotte komen we rond 9u30 bij een bruggetje over de ruisseau de l’ Oule , die hier een echte ravijn heeft uitgesleten in de bergwand, de Ravin du Longet. We zitten op 1668 m hoogte en vinden aan de andere kant van de beek de roodwitte streepjes terug, die weer onze leidraad zullen zijn de rest van de dag. Tot onze eerste grote stop, het Lac de Cristol is het een 700 m bergop ! Na een goed uur klimmen, is het steilste gedeelte achter de rug en kunnen we wat meer op adem komen trwijl we stilaan de vallei van de Ruisseau du Cristol binnenwandelen. We lopen even samen verder met en moedige moeder, die één kind aan de hand meetrekt en een ander op de arm heeft zitten. Ze heeft bijna zeker meer gewicht te torsen dan wij ! Nog een paar hellingen door wat laag struikgewas en als we tenslotte rond 11u15 een groene heuveltop bereiken, zien we voor ons het mooie blauw van het Lac de Cristol. We verlaten even de GR en dalen af naar de rand van het bergmeer waar al meerdere groepjes wandelaars zich neergelegd hebben in het malse gras. We hebben niet echt een halte voorzien hier, maar we zijn nu toch al 3 uren onderweg en hebben nog niet echt lang halt gehouden, dus kunnen we net zo goed hier even uitrusten. Ik maak van de gelegenheid gebruik om mijn schoenen en sokken uit te spelen en mijn voeten in het frisse bergwater te steken.

De volgende klim gaat ons bij ons eerste hoogtepunt van de dag brengen : de Porte de Cristol (2483 m). Even verder komen we een koppel tegen, die het wel goed uitgekiend hebben. Ze hebben een ezel mee (een echte !), die hun bagage draagt.Voor ons is er één richting op dit moment ... omhoog. En zoals steeds blijven die laatste honderd meters maar duren. Als je één kam bereikt hebt, blijkt er nog een andere, hogere achter te liggen. Om 12u15 staan we op de smalle Col en kunnen we in de diepte kijken naar de vallei van de Guisane, die bij Briançon de Durance vervoegt. Aan de overkant van de vallei rijzen de indrukwekkende bergen van het Massif des Ecrins omhoog en in de diepte onder ons weten we het dorp Chantemerle liggen. Nu begrijpen we waarom de pas ‘Porte de Cristol’ genoemd wordt ; het is eigenlijk niet veel breder dan een flinke poort. De weg is nu en dan zo breed, dat we met z’n drieën naast elkaar kunnen stappen.Iets na 13.00u naderen we de Col de Granon. En inderdaad, we komen uit op een inzinking in de kam, waarboven een stok blijkbaar de pas zelf aanduidt. Tot ons genoegen bemerken we naast de vele militaire barakken ook een huis met wat parasols ervoor; een plaats om onze dorst te lessen en eventueel onze drinkbussen bij te vullen: de "Buvette du Granon"! De waard verrast ons met drie glazen bier van het ons onbekende merk ‘la Tourmente’, een blond biertje dat hier in de Alpen gebrouwen wordt.

Het is tenslotte al 13u45 als we vertrekken en de col achter ons laten . Natuurlijk passeren we nog even langs de ‘obligatoire’ belvèdére met de al even ‘obligatoire’ table d’ orientation. Na een half uur komen we door wat drassiger gebied en passeren zelfs een gebouwtje. Tot mijn grote vreugde bemerk ik een kraan. Bij nader toezien blijkt er zelfs fris water uit te komen en ik vul dan ook onmiddellijk mijn waterfles. Tot mijn verbazing staan mijn beide broers wat weigerachtig tegenover het alpenwater en betwijfelen de zuiverheid van het goedje. OK dan, dat moeten ze zelf maar weten ... mijn drinkbus is vol ! Van hieraf begint eigenlijk de klim op de Crête de Peyrolle zelf. Eerst is er een stevige klim en dan volgt (denk ik) een rustige wandeling langs de kam. Maar mijn broers zijn na een blik op de eerste klim niet echt enthousiast over het vervolg van de weg. Ze weten van de topogids dat er een alternatief is hier, een variant op de variant van de GR 5. We zien hier een wandelpad vertrekken, dat op dezelfde hoogte een paar honderd meter onder de kam richting Briançon loopt en beide broers hebben al snel hun beslissing genomen : ik mag gerust gaan spelen op de ‘high road’ daar boven op de kam, terwijl zij via de ‘low road’ ook wel verder zullen geraken. Om 14u20 begin ik met mijn beklimming van de crête. Het gaat steil omhoog met af en toe (meer wel dan niet) wat klauterwerk, maar ik ben alleen en kan me goed concentreren op mijn tempo. In de verte zie ik mijn eerste doel : een minuscuul kruisje duidt de plaats aan op de kam, waar zich de Croix de la Cime bevindt. Nog even licht bergop en dan ben ik er; om 14u50 sta ik op de top bij het ongeveer 2,50 m hoge kruis. Alles lijkt van hieraf naar beneden te gaan, maar dat is natuurlijk gezichtsbedrog. En dan zie ik iets bewegen op die grijze oneindigheid. Een smalle wandelweg slingert zich in grote haarspelden richting kam en midden op de helling als vliegen op een grote wand, bewegen zich 2 nietige stipjes omhoog. Ik kijk nog eens goed ... en dan besef ik dat het mijn beide broers zijn. Ik kom tussen de beide Peyrollen nog even op de kam uit en zie de vallei van de Durance.

En dan komen we bij een plaats, waar het pad als het ware plots ophoudt te bestaan. Voor ons duikt de kam de diepte in en zien we voor het eerst de huizen van Briançon liggen, op de plaats waar de valleien van de Guisane en de Durance bijeen komen. In het zuiden zien we de Durance verdwijnen in de verte. Op deze plek kunnen we 360 graden rondom ons zien en pickniken tegelijkertijd. We zijn aanbeland op le Signal de St. Chaffrey of ook genaamd de Serres des Aigles (= arendsklauwen) op 2567 m hoogte. Als we dus na 20 minuten om 16u35 onze spullen bijeengepakt hebben en vertrekken, ben ik echt benieuwd waar dit pad ons gaat brengen. Soms maakt één van ons wel eens een schuiver, maar we blijven toch op het pad. Voor ons op de kam, zien we al een tijdje een ruïne liggen. Een aantal beigekleurige gebouwen, waarvan we niet begrijpen hoe ze hier geraakt zijn. Natuurlijk is het weer een van oorsprong militair bouwwerk. Het is ‘la Fortification de l’ Enrouye’, dat hier op 2313 m hoogte de omgeving domineert. Het dalingspercentage is nu ook flink wat geminderd, zodat we wat sneller kunnen doorstappen.

En zo komen we rond 17u45 uit bij het bekende Croix de Toulouse, een prachtig uitzichtpunt op 1962 m boven Briançon. We zijn al een flink stuk gedaald, maar het einde is nog niet helemaal in zicht. Het Croix de Toulouse ligt boven een vrij steile rotswand, die boven de stad uittorent. Tussen de bomen door begint Briançon stilaan beter zichtbaar te worden. Daar de stad op een kruispunt van wegen ligt en op de weg naar Italië, is het niet verwonderlijk dat het al vroeg een versterkte vesting werd. Ook nu nog kunnen we veel resten van deze versterkingen zien. Boven hadden we al gezien dat de stad uit verschillende delen bestaat. Op een hoogte ligt ‘La Ville Haute’. Deze oude stad is geheel omringd door versterkingen, die nog aangelegd zijn door de grote Vauban en wordt daarenboven nog gedomineerd door een citadel. Beneden de versterkingen strekt zich de nieuwe stad St. Cathérine uit. De afdaling brengt ons tenslotte bij het Fort des Salettes. Dit fort werd in het begin van de 18e eeuw gebouwd om de toegang tot de stad vanuit de richting van Montgenèvre en Italië te beletten. En uiteindelijk is het eindeloze dalen tenslotte achter de rug. Enkele minuten voor zeven komen we via de Chemin des Salettes uit op de Champ de Mars. Nu moeten we nog enkel ons hotel vinden. Na 6 dagen bijna foutloos onze weg gevonden te hebben in alpenweiden en langs bergflanken, over bergbeekjes en heuvelkammen, lopen we toch verloren in deze niet eens zo grote stad. We maken een hele omweg en doorkruisen, denk ik, wel driekwart van Briançon voor we eindelijk rond 19u30 de receptie van het hotel binnenstappen.

 

 

Proloog : België – Briançon : Zaterdag 15 juli 2006

 

Eindelijk is het dan zover ! Na 2 lange jaren gaan we verder op onze weg naar Nice.We gaan met 3 de volgende 6 stapdagen in de Centrale Alpen afleggen. De reis verloopt voorspoedig en rond 18.50u rijden we het dorp Le Fontenil binnen, een voorstad van Briançon. Ik heb hier, een goede kilometer buiten Briançon, op goed geluk drie plaatsen gereserveerd in een gîte, ‘Le Petit Phoque’ genaamd. Na het avondmaal bezoeken we nog even te voet (kwestie van de wandelspieren even los te gooien) de oude stad van Briançon .

 

 

81. Briançon - La Chalpe (27km) : 16 juli 2006

 

Om 8u15 staan we gepakt en gezakt klaar op de brug over de Durance. We moeten eerst nog wat klimmen, tot in het gehucht l’ Envers du Fontenil, want daar loopt de GR 5 eigenlijk door. Na wat velden en een stuk naaldbos, komen we om 8u40 al uit bij de beroemde Pont d’ Asfeld. Deze brug overspant hier de ravijn van de Durance met één boog van 40 meter lang. Ze werd gebouwd in 1734 om als verbinding te dienen voor de vesting van Vauban en de forten en barakken van het leger, die hier ten zuidoosten van de stad op verschillende hoogtes liggen. Als we op de brug zelf staan, merken we hoe diep de kloof hier wel is; het lijkt me wel 100 meter te zijn, maar de gids en het infobord laten ons weten dat het ‘maar’ iets meer dan de helft is, namelijk 56 meter. We trekken via de Porte de la Durance de bovenstad in. De GR blijft ons langs de zuidelijke rand van de oude stad voeren. We krijgen hiervandaan een mooi panorama over dit gedeelte van de Durance vallei voorgeschoteld.We vinden de Place Centrale en kunnen onze inkopen doen. En dat worden dan : een worst van bison(?)vlees, een stuk kaas (Tomme de Queyras) en enkele tomaten. Aan de overkant van de weg vinden we nog een al dan niet warme bakker en zo zijn we op een luttele 10 minuten voorzien van onze pciknick.

Weerom steken we de Durance over en belanden op een rond punt, waar we voor de eerste keer zien dat de Ronde van Frankrijk binnenkort hier voorbij zal komen. Midden op het rond punt staat een reusachtige koersfiets, juist op de plaats waarlangs de wielrenners over 2 dagen de hoogste stad in Europa zullen binnenrijden. Het gaat eerst nog vrij langzaam omhoog langs de kabbelende beek over een lommerrijk pad, maar als we iets verder de beek oversteken gaat het toch wat steiler omhoog. Links van ons zien we op de top van de heuvel het Ancien Fort de Randouillet liggen. Dit was één van de verdedigingswerken, die de omgeving van Briançon moesten verdedigen tegen een eventuele Italiaanse inval. Ik denk niet dat het nu nog enige militaire betekenis heeft, maar het zicht daarvandaan op de omgeving moet fantastisch zijn. Tenslotte gaat het pad verder in dalende lijn en komen we uit het bos tussen de weiden terecht. We zien rechts van ons terug de druk bebouwde vallei, waar de Durance, de Cerveyrette, de Torrent des Ayes en de Guisane samenkomen. In de verte zien we al het begin van de vallei van de Ayes, waar we de volgende uren zullen doorbrengen. Maar vlak voor ons bemerken we eerst het silhouet van la Chapelle St. Pancrace. Het ligt tegen de bergwand aan iets buiten het plaatsje Sachas, waar de GR ons doorheen leidt.

Het is 10u35 en hier begint onze eerste uitdaging : een klim van 1230 meter naar ons voornaamste doel van vandaag, de 2477 meter hoge Col des Ayes. Het gaat onmiddellijk stevig omhoog, doorheen de dennebossen op de flanken van de Cime du Mélézin. We klimmen enkele honderden meters omhoog en kunnen wat later doorheen de bomen de gebouwen van Le Lauzin zien. Aan de overkant van de vallei, zien we de rotsige, soms steile flanken van le Grand Maye stilaan dichterbij komen. Weerom moeten we rekening houden met het verkeer dat nu en dan passeert, maar wat ons meer interesseert zijn de klimmers, die hier op het smalste punt van de vallei, enkele bijna verticale rotsen proberen te beklimmen. Lichtjes klimmend komen we een kwartiertje later om 11u55 aan bij het plaatsnaambord van Les Ayes (of de Chalets des Ayes). Het eerste gebouwtje dat we tegenkomen is de Chapelle Ste Elisabeth, een mooi simpel optrekje met een klokje in de nok. De rest van het gehucht zijn oude gebouwen van steen en hout, die nu omgetoverd worden tot vakantiehuisjes. Terwijl we langs de hoofdweg doorheen het plaatsje slenteren, zien we hier en daar families buitenzitten al of niet rond een barbecue. Wat aan ons oog niet ontsnapt is het bordje met ‘buvette’ erop geschreven. Links van de weg, naast een huisje, staan enkele banken en wat parasols. Daar moeten we zijn !

Om 12u35 is het dan weer tijd om te vertrekken. Aan het eind van het dorp wijst een wegwijzer ons de goede richting : ‘Brunissard par le Col des Ayes’. Na een laatste chalet gepasseerd te zijn , zetten we ons nog even neer op de overblijfselen van een oude chalet. Het is heerlijk hier; we zitten al een tijdje boven de boomgrens en achterom hebben we een prachtig zicht op de hele vallei, die we sinds deze morgen al beklommen hebben. Je kan bijna tot in de vallei van de Durance kijken. Aan de andere kant stijgt het pad stilaan verder naar de col, die we nu ook goed kunnen observeren. Dan is het nog even tandenbijten tot we de paal met het plaatje in zicht krijgen. Nog enkele passen en ... we zijn er ! De eerst col van onze zesdaagse is bedwongen. Het is bijna 15u. Het plaatje kondigt vol trots aan dat we hier op een ‘altitude’ van 2542 m zitten. We bevinden ons hier op de grens van het Parc Régional du Queyras. We laten de streek van Briançon (le Briançonnais, zoals de Fransen dat zo mooi kunnen zeggen) achter ons en beginnen aan de steile afdaling richting Queyras.. Nu en dan horen we wat gerommel van de donder en die lijkt niet alleen vanachter ons te komen. We bereiden er ons al op voor om niet zonder gebruik van onze regenjassen en/of poncho’s deze wandeldag te eindigen. Maar tot nu toe blijft het waar wij zijn droog. Voor ons uit zien we de weg enkele vervaarlijke haarspeldbochten maken onderlangs de bruingekleurde rotsen van de Crête de l’ Alpaliar. Terwijl het nu toch wat meer begint te druppelen, volgen we de het beekje van mensen dat nu steeds sneller en sneller bergafwaarts begint te stromen.

Om 16u50 wandelen we het verregende plaatsje Brunissard binnen. Na een kwartier in ganzepas langs de weg gestapt te hebben, komen we bij ons einddoel, het dorp La Chalpe. Het is hier gelegen in de vallei van de Torrent de la Rivière en we hebben drie plaatsen vastgelegd in het Chalet Viso bij Brigitte en Joel Meunier-Merlioz. We slenteren van de gîte terug naar de hoofdstraat en merken al snel dat men ok hier zijn best doet om de Ronde te verwelkomen. Een supersize bolletjes-shirt siert de gevel van één van de hotels.

 

 

 

82. La Chalpe - Ceillac (30km) : 17 Juli 2006

 

Om 8u20 stappen we buiten en bevinden ons al na enkele meters terug op de GR 5. De vallei ligt nog in de schaduw, maar de bergtoppen en de hoger gelegen weiden schitteren al in de zon. Terwijl we zoetjesaan verder stijgen, bewonderen we het landschap rond ons, de Queyras. Het is eigenlijk een vrij geisoleerde regio in Frankrijk, die gevormd is door het bekken van de rivier de Guil en zijn zijtakken. Een uur lang wandelen we zo doorheen de dennebossen, tot we in meer open terrein komen. De zon heeft ons ondertussen ook bereikt en het zicht is weer prachtig. Voor ons komen enkele huisjes in zicht; dit moet Les Maisons zijn, een originele naam voor een gehucht. Doorheen de velden nu gaat het bergop. In de verte zien we voor ons twee gestalten dezelfde weg wandelen. Na elke bocht komen we wat dichterbij, maar het tweetal lijkt toch onbereikbaar te blijven. Langs bloemrijke weiden en lommerrijke paadjes gaat het verder zuidwaarts en na nog wat klimwerk komen we tenslotte om 9u30 uit bij het Lac de Roue. Het is een artificieel meer, maar het ligt erbij als een plaatje. De bergen erachter weerspiegelen zich als fata morgana’s in zijn rimpelloze water. De lorken op zijn oevers staan kaarsrecht als soldaten op wacht. Hier kun je niet zomaar voorbijgaan, zonder even te genieten ! Ik vind het persoonlijk één van de mooiste plaatsjes langs de GR 5, die we al tegengekomen zijn.

We trekken terug het bos in en wandelen even op dit plateau verder. Het wordt even een boswandeling en we zouden ons ergens in de dennebossen rond onze geboorteplaats Baarle-Hertog kunnen wanen, maar dat gevoel is onmiddellijk verdwenen als we aan de afdaling naar ons volgende doel, Chateau Queyras, beginnen. 500 meters moeten we zakken en dat zullen we geweten hebben. Maar dan zien we tenslotte doorheen de coniferentakken de stad en de vesting van Vauban onder ons liggen. De gemeente Chateau Queyras bestaat eigenlijk uit verschillende dorpjes (oa. Souliers en Ville-Vieille), maar de bekendste is natuurlijk het dorp met dezelfde naam. Op de eenzame heuveltop midden in de vallei ligt een versterkte vesting, waar rond 1700 de bekende militaire ingenieur Vauban zijn stempel nog heeft opgedrukt, en aan de voet ervan bevindt zich het dorp, waar wij ons nu in begeven. Na een korte wandeling bereiken we de plaatselijke fontein. De meeste kerkjes zijn hier vrij klein en bescheiden met een typische klokketoren, waar de klokken vrij zichtbaar in hangen. Meestal is er ook een zonnewijzer te vinden op één van de muren, maar die vinden we overal hier in deze streek. We komen langs een parking en steken de Guil over aan de voet van het fort. Machtig mooi ! Aan de overkant van de brug, worden we onmiddellijk terug de bergwand opgestuurd en het begint met een steile beklimming. Rechts naast ons bemerken we de vallei van de Torrent de Bramousse met aan de andere kant de steile, rotsige wand van de Mont de Bramousse. Achterom zien we het fort van Queyras, dat we juist achter ons gelaten hebben, en we merken dat we er al een flink stuk boven zittten.

Het pad blijft ondertussen soms nog vrij steil verder bergop gaan. Het is ondertussen al bijna 13u00 geworden en we beginnen stilaan honger te krijgen. We spreken af om bij de eerste de beste mooie, beschaduwde plaats halt te houden. En even verder komen we bij een koppel machtige lorken, die langs het pad staan. We gooien onze rugzakken tegen de stam en zetten ons neer in de koele schaduw van deze groene reuzen. Voor ons in de diepte horen of zien we de Bramousse torrent nog maar net. We zitten hier op ongeveer 1900 m hoogte, dus dat wil zeggen dat we nog een 400 m te stijgen hebben. Na de picknick is een korte rustperiode dus best te genieten. Doorheen velden slingert zich het pad steeds verder omhoog doorheen de vallei van de Bramousse. Het wordt een tocht van lange duur en ... steeds bergop. De natuur is mooi en de bossen zijn prachtig, maar ik merk er steeds minder van, want het kost steeds meer moeite om voort te gaan. Nu loop ik voorop en dat gaat wat beter. Als je je eigen tempo kunt stappen, gaat het altijd iets gemakkelijker.Voor ons zien we een eigenaardige bergtop omhoog steken tussen de lorkebomen. Het is een berg met een soort van tweelingtop. Heel markant ! Iets verder komen we bij een plaatje, dat vermeld ‘Fontaine Rouge 2125 m’. Op het kaartje in de topogids vinden we de plaatsnaam terug en zien dat we nog een relatief kleine klim van een 140 meter voor de boeg hebben voor we op de kam zijn. De laatste meters naar boven vereisen nog even wat zoekwerk, omdat er hier meerdere paadjes omhoog voeren.

Nog enkele meters en we zijn er ! Het is 14u50 en het grootste deel van de klim ligt achter ons. Ik kan me voorstellen dat sommige GR 5 wandelaars al denken dat ze er hier al zijn, ... op de Col Fromage dan. Maar niets is minder waar. Als we eens goed rondkijken, zien we links van ons enkele kilometers verder een laagte tussen enkele toppen : dat is dus de Col Fromage. Je zou dus kunnen zeggen dat we hier op een soort ‘Faux’ Col de Fromage zitten. De hoogte hier bedraagt 2263 m, en dat is dus nog een 40 meter lager dan de ‘echte’ col, hoewel je dat op het eerste zicht niet zou zeggen. Van hier uit zijn ze praktisch even hoog. Toch niet dus ! We hebben van hierboven uit wel een prachtig zicht op de vallei van de Riou torrent. Even verder lopen we bovenlangs een enorme witte gruishelling, die tot beneden in de vallei doorloopt, enkele honderden meters diep. Het doet me denken aan Zabriskie Point in Death Valley. Het is wel een gek zicht zo een stuk woestijn tussen de groene alpenweiden. Iets voor de col Fromage komt de GR 58 samen met de GR 5 en samen bereiken we om 15u35 de Col Fromage.

Evenals gisteren beloofde men deze morgen een schitterende voormiddag, terwijl gedurende de namiddag onweerswolken zich zouden samenpakken, die dan in de loop van de avond voor flink wat neerslag zouden zorgen. We dalen nu af naar de vallei van de Cristillan, die zijn oorsprong vindt ergens rechts van ons aan de Italiaanse grens. We hadden al wat gedonder gehoord in de verte en nu zien we dat er zich boven de Italiaanse grens donkere wolken beginnen samen te trekken. Het dreigende geluid komt ook van die kant ! Laat ons hopen dat we het onweer voor kunnen blijven.Terwijl het pad stilaan van zuid naar westwaarts van richting verandert, krijgen we ook meer zicht op onze eindbestemming. Links voor ons zien we de enkele gebouwen van het gehucht Le Villard verschijnen en in de verte kunnen we zelfs Ceillac, ons einddoel vandaag, al onderscheiden ! Zonder veel moeite bereiken we tussen de velden door via een mooi pad rond 17u de gebouwen van het plaatsje le Villard. Het ziet er ook van dichtbij uitgestorven uit. Bij een groot houten kruis gekomen, vanwaar we een mooi zicht hebben op de vallei, lopen we bijna mis. We moeten hier onmiddellijk de weg en de helling af , en zo bijna rechtstreeks het dorpje ingaan. En zo stappen we om 17u20 Ceillac binnen langs de (enige) hoofdstraat. Er zijn hier nog heel wat gebouwtjes van hout gemaakt en ook de kerk met zijn eigenaardige klokkentoren is het bekijken waard Onderweg naar onze slaapplaats .passeren we een kleine supermarkt en ook enkele bakkers, dus dat zit voor morgen wel goed. De gîte waar wij drie bedden gereserveerd hebben, ‘Les Baladins’, bevindt zich aan de andere kant van het (oude) dorp en als we er tenslotte aankomen, is het ondertussen al 17u30 geworden. Wat later zijn de druppels al een flinke regenbui geworden. Het slechte weer dat ons daarnet achtervolgde (vanuit Italië natuurlijk, zouden de inboorlingen zeggen), heeft ons tenslotte ingehaald. We zitten echter droog !

 

 

 

83. Ceillac - Fouillouse (30km) : 18 Juli 2006

 

De tocht van vandaag zou volgens onze topogids 9 uren 20 minuten in beslag nemen, en dan hebben we nog geen rusttijden ingecalculeerd ! Om 8u00 stipt laten we dus Ceillac achter ons en gaan de vallei van de Torrent du Mélezet in. Na een half uur, zijn we in de zonneschijn en bij de afslag van de GR gekomen. Via een brugje steken we de Mélezet over en we beginnen aan het serieuze klimwerk. Doorheen het lariksbos moeten we zigzag omhoog naar ons eerste doel : het Lac des Prés-Sébeyrand. Uiteindelijk wordt de hellingsgraad iets minder en op een vlak stuk komen we bij een houten voetbrugje over de beek. We krijgen ook een beter zicht op de voor ons in de opkomende zon liggende Crête des Veyres, een imposante, gekartelde drakenrug, die ons de weg naar het westen versperd. Er zit al een flinke groep (vroege) wandelaars aan de oever van het Lac Miroir, zoals vele bergmeertjes in Frankrijk genoemd worden. Doorheen een grote vlakte trekken we even later verder de bergen in. Als we even achterom zien, dan zien we Ceillac in de verte liggen blinken in het zonlicht. We hebben toch al een flinke afstand afgelegd tijdens de voorbije 2 uren.

En dan zien we iets bewegen tussen de rotsen naast het pad. Het is een flinke knaap van een marmot en hoewel we maar een 10 meter van hem staan, maakt hij (of zij) geen aanstalten om weg te kruipen. Wat wil je, als je zo dicht tegen de GR 5 woont dan ben je wel wat toeristen gewoon, denk ik. Ik verwacht elk moment , dat het dier zich omdraait en een fooi gaat vragen. Toch niet, dus. Het wordt hem toch wat te gortig als we hem bijna kunnen aanraken en hij verdwijnt dan ook zoals het een Alpenmarmot past in zijn hol. We vervolgen onze weg op het kamerbrede pad en na een tijd bereiken we de kam, die eerst maar niet dichterbij leek te komen. Plots staan we voor een komvormig dal, dat voor het grootste deel wordt ingenomen door het prachtig turkoois water van het Lac Sainte Anne. Het eerste dat we opmerken is een kapelletje en een houten kruis, maar onze aandacht wordt al gauw getrokken naar dat prachtige water en de grijze muur van de Crête de la Font Sancte, die op de achtergrond de horizon totaal afsluit. Eens per jaar, namelijk op 26 juli – dus over 8 dagen – is deze plaats het doel van een pelgrimstocht van de bewoners van Ceillac en Maurin. Het kapelletje zou gebouwd zijn met materiaal dat op de ruggen van de bewoners naar hier gedragen werd.

De route naar Fouillouse is nog lang en we zouden op de Col Girardin zelf wat meer tijd willen doorbrengen. Op de achtergrond domineert nog even de Tête de Coste Belle met zijn 2552 m de omgeving, maar daar zullen we even verder wel boven uit gaan stijgen. Rechts van ons blijft de Crête de la Font Sancte ons vergezellen met zijn vele toppen, waaronder de Pic de la Font Sancte (3385 m) de hoogste is. Recht voor ons uit in de verte zien we al de grijze hellingen, die naar de Col leiden. Eerst gaat het nu nog rustig golvend richting col, maar de laatste honderden meters wordt het natuurlijk weer menens. Gestaag vorderen we en om 11u55 stopt het pad met stijgen en staan we weer op een scheiding van twee grote valleien : de Col Girardin op 2700 m boven de zeespiegel. Een simpele wegwijzer met wat grote keien aan de voet ervan markeert de pas. Zoals gewoonlijk beweert die dat we hier op 2706 m een stuk(je) hoger zitten dan op de kaart. We hebben juist het 2de hoogste punt op de GR 5 bereikt. Voor ons daalt de Ubaye vallei zo scherp de dieperik in, dat we de bodem ervan niet kunnen zien. Wij zetten ons iets boven de col op enkele uitstekende rotsen neer en beginnen te eten. We verlaten nu de Hautes-Alpes en betreden het departement van de Alpes-de-Haut-Provence. Tegelijk verlaten we ook het Parc Régional de Queyras.

Het gaat eerst zigzag steil de berghelling af. Wat verderop komen we langs een enorme kudde schapen, die hier bewaakt worden door enkele honden en ... geen herder. De honden alleen zorgen voor de veiligheid van de kudde. Er zouden hier nog wat wolven rondlopen nu en dan en zodus ... Als we op een bepaald moment langs een kleine heuvel wandelen, zien we er een grote, witte hond op liggen. Het dier kijkt ons even aan en richt dan zijn aandacht verder op de omgeving. Ongelooflijk hoe men die dieren zo kan africhten. We krijgen nu een vrij moeilijke afdaling over een hoop rotsen voorgeschoteld. Door weiden en langs rotsformaties gaat het verder bergaf. Het laagste punt vandaag ligt op ongeveer 1620 m hoogte. Dat betekent dus dat we meer dan 1100 meter moeten dalen. Maar ons eerste doel wordt het plaatsje La Barge, volgens de kaart niet meer dan enkele huisjes op een hoop. Links onder ons zien we de gebouwen van Maljasset en het hoger gedeelte van de vallei doorlopen richting Italië. Juist voor ons, schijnbaar op een boogscheut van ons , komt La Barge in zicht. Inderdaad, het zijn enkele, dicht bij elkaar gelegen gebouwtjes met verroeste, ijzeren daken. Op een plaats langs het pad, waar we even stoppen om op adem te komen, zien we juist naast het pad een drietal bloempjes, die we voor de eerste keer opmerken tijdens ons GR 5 avontuur : de Leontopodium alpinum of het Edelweiss. Ik had verwacht dat we die zouden aantreffen ergens hogerop in de bergen op een schier onbereikbare plaats, maar ze staan hier juist naast ons, pal naast het Europese wandelpad !

En dan begint de lange afdaling. Hier en daar is die wel vrij steil en na een half uur, begint het toch, ondanks onze wandelstokken, zijn effect te hebben op mijn kuiten. Eerst lijkt het wel of de kleine gebouwtjes van La Barge niet dichter komen, maar drie kwartier na de wegwijzer, belanden we eindelijk op de verharde weg, iets ten noordoosten van het gehucht. Het dorpje is volledig uitgestorven en ondanks de doodsheid, heeft het toch iets charmants. En het is niet op de laatste plaats het kerkje dat de oorzaak ervan is. Midden tussen de huisjes staat er namelijk een mooi, wit gebouwtje met een minuscuul klokketorentje en de tekst boven de deur : “Notre Dame des Neiges” Waarschijnlijk is La Barge in de winter erg moeilijk bereikbaar door de sneeuw en de naam is dan ook toepasselijk. En dan moeten we er toch aan beginnen : de ongeveer 8 kilometer lange tocht over het asfalt van de D 25 naar de Pont de Châtelet. Gelukkig is het nog steeds mooi weer, maar ongelukkig genoeg is het ook vrij warm hier. Iets verder steken we via een brug de Ubaye over, maar we blijven maar even op de linkeroever. Ondertussen is het peil in onze waterflessen naar een bedenkelijk peil gezakt. Als we dan om 15u30 het kapelletje naderen en merken dat er ook wat (bewoonde) huizen bij staan, trekken we toch onze stoute schoenen aan en gaan de tuin van een huis binnen, waar we wat beweging zien in de tuin. Een man is er bezig en we vragen of we hier wat drinkwater mogen tappen. De man geeft ons niet alleen de toelating om zoveel fris water te nemen als we willen, maar biedt ons ook nog wat muntsiroop aan om het drinken een frisse smaak te geven.

Als we iets buiten het plaatsje weer een brug oversteken, komt in de verte eindelijk de Pont du Châtelet in zicht. Het is nog slechts een dun stukje metselwerk tussen een enorme rotsmassa, die de vallei in de verte afsluit, maar van hier al kunnen we zien dat het een adembenemend uitzicht moet bieden. De in 1880 (tot 1888) gebouwde Pont du Châtelet overbrugt hier in één boog (van ongeveer 30 meter lengte) de bruisende Ubaye rivier. In de diepte (108 m), zien en horen we de woeste waterloop zich een weg doorheen de rotsen banen. De brug is een beroemd toeristisch gegeven in deze streek We bevinden ons hier op ongeveer 1630 m hoogte (ongeveer zo hoog als ons vertrekpunt vandaag, Ceillac) en we eindigen vandaag in Fouillouse, op 1907 m onze hoogste verblijfplaats deze week. Dus er blijft nog wat te klimmen en dat na toch een vrij zware dag. Met het einddoel zo dichtbij blijven we een vrij hoog tempo aanhouden en komen zo al snel voorbij de ruines la Meire, enkele stenen gebouwtjes, die we links van ons laten liggen. En dat krijgen we wat verder dan ook in het oog : de gebouwen die het plaatsje Fouillouse vormen. We komen enkele meters voor het eerste huis op de asfalt terecht, en dan blijkt dat we zijn waar we moeten zijn, de gîte-auberge ‘Les Granges’ van de familie Bourillon. Het is 16u45 en we zijn dus ver voor ons geplande aankomstuur van 18u20 gearriveerd. Een sympathieke vrouw van middelbare leeftijd (Mevr. Bourillon ?) leidt ons gezwind de trap op naar de eerste verdieping, alwaar zij ons de dortoir toont, die we als onze slaapplaats voor vanavond kunnen beschouwen. We vinden er een stapelbed en 5 éénpersoonsbedden, waarvan er al twee bezet zijn. Logisch dus dat we de 3 andere enkele bedden innemen. Met een zucht trekken we onze wandelschoenen uit en spreiden we ons bedje uit.

En wie komt daar dan het teras opgewandeld : onze Engelse wandelaar van Windsor ! De laatste maal dat we hem zagen was gistermiddag op de Col Fromage. Aan de tafel naast ons herken ik de twee personen, die in hetzelfde dortoir als wij verblijven. Het zijn een donkerharige, jonge vrouw en een jonge Fransman, die elkaar blijkbaar kennen. Het blijkt dat de dame een duitstalige Zwitserse is uit Luzern, die lerares frans is (interessant als je hier komt wandelen). Na al dat gekeuvel is het nog geen 18u30 en we besluiten even door het plaatsje te lopen. Verloren lopen zullen we niet, want Fouillouse is eigenlijk maar één straat.Terug in de gîte volgt er een feestmaal. Eerst worden we vergast op een consommé, dan volgt er een salade verte en een flinke kom rijst met een heerlijke boeuf bourguignon. En om af te ronden volgt er tenslotte nog voor diegenen die toch nog plaats hebben fruitsla of de onvermijdelijke kaasschotel. We trekken we even later met een infusion génépi terug op het terras om nog even te genieten van de frisse buitenlucht.

 

 

 

 

84. Fouillouse - Larche (21km) : 19 Juli 2006

 

Om 8u00 zetten we dan onze tocht verder naar het zuiden.We passeren het kerkhof met boven de poort de pertinente uitspraak : “Passants, souvenez-vous que nous avons été ce que vous êtes et que vous serez un jour ce que nous sommes !” Een gezegde om bij te houden. Geloof het of niet, maar een wandelwegwijzer duidt hier aan dat we op een kruispunt van 2 grote GR wegen staan. Hier verlaat namelijk de GR 6 “Alpes-Océan” zijn broer de GR 5 “Mer du Nord-Méditerrannée”. Aan het eind van het dorp lopen we een brugje over en laten de beschaving weer achter ons. Vandaag wordt het een relatief kleine etappe. Hij is maar 4 uren 30 minuten stappen lang volgens de topogids, maar in die 21 kilometers of zo moeten er wel 2 cols overgestoken worden en in totaal ongeveer een 800 meter geklommen worden en tenslotte nog een 900 meter afdalen. Maar dat zijn zorgen voor straks ! Eerst gaan we ons wat opwarmen met een fikse klim. Gelukkig gaat het zeer geleidelijk omhoog. We bevinden ons nu meer en meer in weiden, waar het nu vrij smalle pad doorheen slingert. Rechts en links van ons komen de 3000 meter hoge toppen dichter bij elkaar en dan zien we in de verte ons eerste doel : de Col de Vallonnet (2524 m).

Op een brugje over de Riou du Vallon stoppen we even om een slokje te drinken en dan beginnen we aan de klim. Links en even voor de col is er nog een flink, groene heuvel, de Tête de Plate Lombarde en enkele honderden meters rechts van de col zien we een andere, iets hogere col. Op de kaart staat hij aangeduidt met de originele naam, Col sans Nom. De GR leidt ons met een grote boog om de Plate Lombarde heen en om 9u45 komen we na een aangename klim aan op de Col de Vallonnet. Als we op een hoogte gaan staan, kunnen we in de verte zelfs ons volgende doel onderscheiden, de Col de Mallemort. Het is een kleine knik in een verre bergkam met net eronder de ruïnes van een oud fort, dat we nog net kunnen zien. We steken enkele keren een beginnend bergbeekje over en komen dan plots voorbij een tweede meer, het Lac du Vallonnet Inférieure. Reeds vanaf de Col de Vallonnet leek de Col de Mallemort binnen handbereik, maar de afstanden in het gebergte zijn zoals geweten bedrieglijk. Rechts van ons zien we een vallei vertrekken richting St. Ours, maar wij lopen in een kleine boog onderlangs de grijze muur van la Meyna (3067 m) verder richting Mallemort. We komen tenslotte op een breder pad, dat ons nu linea recta naar de oude ‘Baraquements de Viraysse’ leidt onder de Col de Mallemort. Achter deze ruïnes rijst dan de Tête de Viraysse (2772 m) omhoog met op zijn afgeplatte top nog een militaire versterking. Het laatste stuk gaat rustig omhoog en rond 11u passeren we de resten van de oude barakken van het franse leger. Men kan er niet binnen want de ingang van de in een vierkant gebouwde versterking wordt afgesloten door een ketting. We stappen dus verder door en beginnen aan de laatste klim van een 50 meter naar de col.

Om 11u15 staan we boven op de Col de Mallemort op 2558 m hoogte. We vragen François, een kamergenoot van in Fouillouse om even een foto te nemen van ons drieën met de ruïnes van de Baraquements op de achtergrond. En nadat hij de foto genomen heeft, zegt hij : “Voilà, 3 ruïnes et une ruïne derrière !” Ik ga nog even naar de top van de Tête de Viraysse om daar eens rond te kijken. Af en toe kan ik , als het pad even de kam aanraakt , in de diepte de vallei van de Ubayette zien liggen in zijn hele lengte en bemerk ik het hoopje huizen dat Larche heet. Het is eigenlijk maar een klein dorp, toch van een kilometer hoogte gezien ! Dan begin ook ik aan de afdaling naar de Col de Mallemort. Die gaat natuurlijk nog vlotter dan de beklimming en na een kleine 20 minuten sta ik terug op de col en halen we onze picknick boven. Om 12u45 breken we terug op beginnen aan de lange afdaling naar Larche. We weten dat we kalm aan moeten doen, want het is een schijnbaar eindeloze tocht, die het uiterste zal vergen van onze kuiten. Doorheen de weiden zigzaggen we de helling af, terwijl we Larche steeds in het zicht kunnen houden. Bij sommige van onze haltes voel ik mijn kuiten trillen.

En dan komen we plots uit bij een groepje mensen. Ik meen ze daarstraks nog gezien te hebben op de col, en ik was nog vol bewondering voor het wat oudere koppel (zeker minstens 70 jaar oud), dat deze beklimming gewaagd heeft. Maar hier heeft het ongeluk dan toch toegeslagen. De oude dame is hier waarschijnlijk ongelukkig gevallen en kan niet meer alleen rechtstaan. Ze wordt ondersteund door twee van haar gezellen. Ze blijkt de weg niet meer te kunnen verderzetten en we bieden aan om te helpen. Ze zeggen dat ze het wel alleen zullen klaren of anders hulp zullen gaan halen in het dorp. We begrijpen wel dat ze andere wandelaars niet willen lastigvallen, maar we moesten het toch vragen, vonden we. Met een "bonne continuation" nemen we afscheid .... achteraf gezien klonk dat misschien wel een beetje cynisch, maar het was echt niet zo bedoeld. We zetten de afdaling nog wat voorzichtiger verder en belanden uiteindelijk iets voor tweeën op de bodem van de ravijn.

Klokslag 14u komen we onder een hete middagzon aan in Larche. Wij hebben plaatsen besproken in de gîte “Grande Traversée des Alpes” ‘Le Refuge’ van Pierre Lombard. Om niet te ver om te lopen vragen we aan de eerste de beste inboorling naar de gîte en die verwijst ons naar het eerste huis over de brug. Achterom vinden we de ingang en na wat zoeken, komen we tenslotte terecht in de eetzaal, waar we de vrouw des huizes vinden in haar keuken. Na een douche gaan we eerst even wat drinken in de gîte-auberge du Lauzanier iets verderop gelegen langs de weg naar Italië. En geloof het of niet , maar we kiezen weer voor de Tourmente (blanche deze keer). Het is nog relatief vroeg in de namiddag, dus nemen we er nog een stuk bosbessenvlaai bij. Op het terras is het nog vrij warm in de zon en we genieten van het zicht op de vallei en de rust rondom ons. Na een dik half uur verlaten we de herberg en kuieren wat doorheen Larche. We komen bij het kerkje en merken dat het een erg modern gebedshuis is. Dit komt doordat het hele plaatsje na de laatste wereldoorlog heropgebouwd is moeten worden. Om te voorkomen dat Larche en ook enkele andere gehuchten in de buurt gebruikt zouden worden als weerstandsnesten of schuilplaatsen voor de tegenstanders of de maquis, besloten de Duitsers alle inwoners te deporteren en alles maar plat te gooien. Het gevolg is dat alle gebouwen die we nu zien in deze vallei na 1944 gebouwd zijn.

Een bescheiden brugje overspant hier het riviertje, de Ubayette, en we lopen even rond in de buurt.We kunnen een mooie foto trekken van enkele Bloeddropjes (Zygaena filipendulae) – een dagactieve nachtvlinder, die ook wel St. Jansvlinder) genoemd wordt - die voedsel aan het zoeken zijn op een bloem van de Alpenzoetklaver (Hedysarum hedysaroides). De maaltijd begint met een enorme bokaal sla . Dan komt de hoofdschotel : aardappelen met wortelen en boontjes en een stuk vis met een looksausje erbij. Dan natuurlijk de onvermijdelijke kaasschotel en tenslotte nog een lekkere crumble. Eén ding is zeker : hier mogen we niet klagen van te weinig eten.

 

 

 

85. Larche - Bousiéyas (26km) : 20 Juli 2006

 

Om 7u50 zetten we ons in beweging. Gisteren heb ik de topogids, die de route beschrijft van Modane tot in Larche weggestoken en nu neem ik het laatste boekje ter hand : “Walking the GR 5 : Larche to Nice”. Ons einddoel komt dus in zicht. En vandaag wandelen we ook het volgende departement binnen, dat van de Alpes Maritimes. Maar daarvoor moeten we eerst de derde hoogste pas van de GR5 oversteken, namelijk de Pas de la Cavale. Hoewel het ‘slechts’ de derde hoogste is, zal straks blijken dat het wel de meest spectaculaire is. Na iets meer dan een uur arriveren we tenslotte bij le Pont Rouge. Op een groot infobord krijgen we de informatie doorgegeven dat we hier het Parc National du Mercantour binnen gaan. Dit park werd in 1979 gesticht om de plaatselijke flora en fauna te beschermen. Schapen zien we al onmiddellijk. Het zijn er wel geen wilde, maar een hele kudde onder begeleiding van een herder met zijn honden. Als een grote, witte golf beweegt de kudde zich voort over de groene alpenweiden. We zijn hier ondertussen alweer op 1907 meter beland en veel bos is er hier niet meer. We moeten nog een 700 meter stijgen tot de Pas de la Cavale !

We zullen voorlopig niet echt onze weg moeten zoeken. Niet alleen is er slechts één pad dat hier de vallei ingaat, maar een lange file wandelaars toont ons de richting die we moeten inslaan. Jong en oud, man en vrouw ... iedereen in de weide omtrek lijkt vandaag richting Lac du Lauzanier te willen wandelen. Langs het naar beneden klaterende beekje moeten we soms van rots tot rots springen. We passeren nog een van de vele ‘cabanes’, die hier onderweg langs het pad staan en na nog wat klimmen komen we na een zoveelste klim op een heuvelrug terecht, vanwaar we een prachtig zicht hebben op het mooie, blauwe Lac du Lauzanier. Het is nog maar 10u15 en daar we meer dan een uur voor liggen op ons schema, besluiten we hier even de rugzakken neer te leggen. Het zou trouwens zonde zijn om hier onmiddellijk te vertrekken, zo rustig en mooi is de omgeving. We laten het kleine kapelletje rechts liggen en we zoeken naar een plekje bij het water We zetten ons neer op het gras in de zon en genieten van één van deze heerlijke momenten en locaties op de GR 5. In enkele seconden zijn schoenen en kousen uitgedaan en zet ik mij op de oever neer met mijn voeten in het water. We kunnen van hieruit de Pas de la Cavale nog niet zien, maar links van de grijze heuvel, La Croix genaamd, kunnen we toch al de Rocher des Trois Evêques onderscheiden.

Het pad tekent zich duidelijk af in de groene weiden, die de bergflank kleuren en zo hebben we dan ook geen moeite om de juiste weg te vinden. Het pad stijgt rustig en we nemen dan ook de tijd om even rondom ons heen te zien. Het Lac is van boven af nog mooier dan daarjuist, maar dat komt misschien omdat het blauw van de lucht er nu mooier in reflecteert. We klimmen verder naar de opening tussen La Croix en de Roche Dégoulouire en we komen in een gebied vol rotsblokken, waar we doorheen klauteren. Een beetje verder krijgen we dan eindelijk een zicht op ons volgende doel : de Pas de la Cavale. Stilaan gaat het na een vlak stuk weer de hoogte in en dan krijgen we ook zicht op het Lac de Derrière la Croix (2428 m). En dan bereiken we om 12u00 stipt de Crête de la Tour, waarop de pas zich situeert. Plots staan we als voor een afgrond. Voor ons strekt zich de Cirque de Salso Moreno uit, een dalvlakte doorspekt met bergmeertjes en waterlopen. Op de pas zelf, die aan de noordkant vrij vlak is, bevindt zich een pracht van een steenhoop en iets verder de ruïne van een soort van bouwsel. We zoeken een strategische plaats op de col uit om wat te eten. Aan de voet van de steenhoop zetten we ons neer op wat rondliggende rotsblokken en halen onze picknick boven. Rechtdoor naar het zuiden bevindt zich op maar een 60tal kilometer in vogelvlucht, Nice en de Middellandse Zee. We naderen echt wel het einde. Maar we zijn ervan overtuigd dat er nog wel enkele heuvels tussen hier en het water liggen. Recht voor ons zien we de kleine, blauwe cirkeltjes, die de Lacs d’ Agnel voorstellen en nog dieper – zo een 600 meter onder ons – zien we verschillende beken zich samenvoegen en verderop de vallei uitlopen om tenslotte buiten ons zicht uit te monden in de Tinée.

Na wat zoeken na de picknick, merken we dat er inderdaad een klein, steil padje in de helling is, dat we dan ook voorzichtig gaan volgen. Rechts van ons hebben we vanop de pas daarjuist al het pad gezien dat doorheen een groene bergwand naar de Col des Fourches leidt. We komen iets lager weer in de alpenweiden terecht en dat verzacht het uitzicht van het landschap toch merkelijk. En zo dalen we de valleiwand af en komen in de Salse Morène vallei, of zoals de oorspronkelijke benaming is : Salso Moreno(*). Het is eigenlijk spaans en betekent zoiets als ‘Bruine saus’ (?) . We passeren juist langs de Lacs d’ Angel en zetten de afdaling verder in de richting van de brede, grijze linten, die in het onderste deel van de vallei gevormd worden door de beken die de steile flanken rondom afwateren. Om 13u40 bereiken we de bedding van de Vallon de la Gipière op 2087 m hoogte. We zijn tijdens het laatste uur dus zowat een 600 meter gezakt ! De strepen van de GR leiden ons de bedding in en over en dan kunnen we beginnen aan de klim naar de Col des Fourches. Het pad was vanaf de Pas de la Cavale al duidelijk zichtbaar tegen de bergwand, maar nu we er juist voor staan, lijkt het plots toch veel langer dan we dachten. Het gaat geleidelijk aan naar boven en we proberen een gelijkmatig ritme tevinden om deze laatste klim van de dag tot een goed einde te brengen.

Na enkele haarspeldbochten op het einde, komen we om 14u15 op de Col des Fourches (2262 m) aan. Gezien het uitzicht echter, besluiten we toch maar even halt te houden hier. Wat ons rest vandaag is alleen nog de afdaling naar onze gîte in Bousiéyas en omdat het weer nog zo goed is, ontdoen we ons van onze rugzakken en zetten ons neer. En hier komen we voor de zoveelste keer weer enkele van die overblijfselen van de laatste oorlog tegen : betonnen bunkers. Op de col zelf staat er één , en verderop richting Mont des Fourches zien we er nog een op de kam staan. De plaatselijke richtingwijzer wijst er ons verder nog op dat op de nabije Cime de Pelousette (2752 m) er ook nog een Fort geweest is. Ondertussen lopen we hier wel een stuk lager verder door naar een groep huizen, die langs de weg staan. Het is echter een spookdorp, of liever nog ... een spookkamp, het Camp des Fourches. Het is een tegenwoordig verlaten militair gehucht, gebouwd in 1896 en bemand gebleven tot in de jaren dertig van de vorige eeuw. Het bestaat uit 25 barakken, waar de soldaten verbleven, die de verschillende forten en bunkers moesten bemannen hier in de buurt . We moeten wel opletten, want het pad is soms maar net zichtbaar tussen het soms toch hoge gras en de grote keien maken het afdalen ook niet gemakkelijker. Na een honderdtal meters dalen komen de daken van de eerste huizen van het gehucht in zicht. Bousiéyas is hier tegen de helling van de Mont des Fourches gebouwd en ligt verspreid over een grote oppervlakte. Het gehucht bestaat voor het grootste deel uit schuren. Tenslotte belanden we na een lange trap afgedaald te zijn om 15u30 toch bij gîte, die we herkennen aan het feit dat er tafels en stoeltjes met parasols buiten staan. Aan de overkant van de weg (dezelfde weg naar de Col de la Bonette, dus) zien we een pittoresk, klein kerkje met een sympathiek klokkentorentje. We nemen een douche en nadat we nog even onze spullen opgerommeld hebben, begeven we ons naar de gîte en installeren ons op het terras in de zon, nadat we enkele pilsjes besteld hebben. Wat we juist te eten kregen, weet ik niet meer, maar er was vast salade en een kaasschotel bij !

(*) : Wat die "salso moreno" betreft. Ik denk dat het "salsA" is daardoor misschien ook "morenA" en dat betekent inderdaad "bruine saus" en zou dan slaan op het bruine water dat naar beneden stroomt in de vallei als het regent en daardoor allerlei debris meesleurt die bruin zou gekleurd zijn. Gelukkig hebben we dat zelf niet moeten constateren omdat het mooi weer was. En waarom die spaanse term ? Blijkbaar moeten er in die (welke?) tijd spaanse huursoldaten gelegerd geweest zijn op die plek om de pas te beschermen. Voilà, dat is wat ik mij nog herinner van wat er op de pancartes geschreven stond ...... !

 

 

 

86. Bousiéyas - St. Etienne-de-Tinée (22km) : 21 Juli 2006

 

Om 7u55 dalen we dan voor de laatste maal de trappen af van onze slaapschuur naar de gîte naar de vallei van de Tinée. En dan beginnen we aan de eerste klim van de dag naar de Col de la Colombière op 2237 m. Doorheen een bos komen we na een tijdje in een meer open gebied en een tijd wandelen we door een prachtig weidelandschap van vele gekleurde bloemensoorten. Voor ons doemt de Crête de la Blanche op en in het midden daarvan duidt een karakteristieke knik ons de col aan. Het is nog een flinke klim, maar we zien hoe het pad doorheen de groengrijze flank van de Cime de la Blanche snijdt. Eerst moeten we nog de vallei van de Issias over en dan gaan we voor de laatste rechte lijn. Na een rustige klim staan we om 8u55, juist een uur na ons vertrek, plots op de col. Achterom kijkend kunnen we nu een flink stuk van het traject zien, dat we gisteren hebben afgelegd : in de verte kunnen we nog de Crête de la Tour onderscheiden met die aparte knik in de kam, die de Pas de la Cavale vormt. Op de voorgrond domineert de Mont des Fourches (2342 m) het centrum van het uitzicht en links ervan zien we onder de Col des Fourches nog de geribbelde helling, waarop we Bousiéyas weten liggen.We beginnen snel aan de lange afdaling naar ons volgende doel, het dorpje Saint Dalmas-le-Selvage.

We komen nu in een brede vallei terecht, langs de wanden waarvan we in een weide boog dalwaarts trekken. We worden eerst een heel stuk zuidoostwaarts geleid, tot we via een haarspeldbocht dicht bij een schuur, terug de vallei worden ingestuurd. Als we nog een bocht omgaan, zien we ver in de diepte dan toch een piepklein kerktorentje opduiken. We steken de hele Vallon de la Combe nu in de andere richting over en passeren het beekje, waarna we via de andere helling van de vallei stilaan verder afdalen naar St. Dalmas. Als we om de hoek van een helling uitkomen, zien we St Dalmas plots veel dichterbij liggen. En dat mag ook wel, want we zijn sinds de Col al bijna 700 meter afgedaald ! Tenslotte komen we om 10u15, na een vrij snelle afdaling (1u15 in plaats van 2u zoals de topogids aangeeft) aan in Saint Dalmas-le-Selvage. Dit dorpje van een 120 tal inwoners ligt voor een deel in het Parc du Mercantour. Het is op 1500 meter hoogte tevens het hoogste permanent bewoonde dorp in de Alpes Maritimes. Als we het dorpje binnenstappen, lijkt het zo goed als uitgestorven. Gelukkig vinden we een klein pleintje met wat schaduw en een fontein met drinkbaar water iets verderop. We laven onze dorst uitgebreid aan het fonteintje. We lopen nog even rond en genieten van de eigen sfeer, die het dorpje uitstraalt. Kleine, smalle straatjes verbinden scheve pleintjes en oude huisjes lijken nog hetzelfde als 100 jaren geleden. Antieke en niet zo antieke zonnewijzers sieren de gevels. Het kerkje bevindt zich in het laagste deel van het dorp bij de rivier. Saint Dalmas ligt eigenlijk bij de samenvloeiing van 2 bergstroompjes, de Sestrière en de Valorgues.

Op een bepaald moment moeten we de half verharde weg af en gaat het via een bospaadje verder de helling op, veel steiler nu. Gestaag klimmen we voort door het bos en bereiken wat verder een half verharde weg en om 11u45 de Col d'Anelle (1739m). We bevinden ons hier eigenlijk op een kruispunt van boswegen, met een prachtig uitzicht zuidwaarts. Het zicht is wel groots. We kunnen hier over de Vallon de Réchaussanc kilometers ver rondzien. En dan zit het klimmen erop voor deze zesdaagse; vanaf nu is het nog alleen maar bergaf naar Saint Etienne-de-Tinée, 600 meter bergaf. We houden nu linksaan en blijven langs de flank van de Cime d’ Anelle de GR 5 volgen. Na enkele honderden meters moeten we de weg verlaten en vervolgen onze weg langs een smaller pad. Doorheen weiden, via stukjes bos en soms langs enkele schuurtjes met hun karakteristieke golfplaten daken, dalen we langzaam maar zeker af. Het is ondertussen al 12u30 en we krijgen honger. En het is niet alleen omwille van de schaduw dat we hier zitten : voor ons in de diepte kunnen we tussen het groen heen de huizen van ons einddoel zien liggen : Saint Etienne-de-Tinée.

Na een klein kwartier staan we weer op en vervolgen onze weg. We zien nu regelmatig in de vallei voor ons de huizen van St. Etienne voor ons opduiken. Maar het duurt nog een tijd voor we er zullen zijn. Het pad zigzagt soms van de helling af en nu en dan wandelen we over onverharde wegen, die er blijkbaar nog maar pas liggen. En dan komen we tenslotte in de bewoonde wereld. We passeren bewoonde huizen en steken nu en dan een asfaltweg over. Gelukkig blijft de GR 5 kleine paadjes volgen tot we als het ware in het midden van St. Etienne terecht komen. We komen uit bij een mooie kerk of klooster, waarvan het dak nog bedekt is met houten (van de hier alomtegenwoordige lork) planken. We zoeken voorzichtig onze weg verder naar het centrum van het stadje. We hebben afgesproken bij de kerk van St. Etienne, maar het is nog maar 13u18 en we hebben slechts rond 15u00 afgesproken met de taxi die ons zal terugbrengen naar Briançon. We hebben dus nog goed anderhalf uur zoek te maken voor we hier gaan opgepikt worden. We zijn het wel snel eens over wat we nog gaan doen : ETEN ! Restaurantjes zijn er hier genoeg en tegenover de kerk op een beschaduwd terrasje zien we enkele tafeltjes staan onder enkele parasols. ‘This is the place to be !’ De voornaamste gerechten op de kaart bestaan uit pasta en dat komt goed uit. We bestellen drie gerechten met pasta : pâte aux Rochefort, pâte aux pistou (met pesto) en pâte aux (natuurlijk) cèpes voor mij. Daarbij voor elk nog een halve liter fris bier. Ondertussen is achter onze rug een Renault Espace toegekomen, die ons bekend voorkomt. Als we dichterbij komen, zien we op de achterruit het logo en het adres van het taxibedrijf ‘Taxi de la Meije”.Nadat we onze spullen in de koffer gestopt hebben, zijn we snel onderweg. En de weg die we moeten afleggen is niet kort. Spijtig genoeg is het avontuur weer voorbij. Nu nog in één stuk thuis zien te komen.