GR5A : Noord-Vlaanderen

12. Oostende - Meetkerke : 15 Oktober 2005 : (30,1 km)

We beginnen aan het eerste deel van onze dagtocht en dat is niet echt het mooiste. We moeten eerst doorheen de haven van Oostende en een soort industriegebied. De Vismijnlaan leidt, zoals we wel kunnen denken naar de Vismijn. De GR loopt nu eigenlijk verder langs de Geul. Vanop de kade hebben we een mooi zicht op enkele grote ferryboten en de stad met de dubbele toren van de 72 meter hoge Sint Petrus en Pauluskerk. We steken het water over via de sluisdeur en belanden zo op de dijk aan de oostzijde van de havengeul. Terwijl we naar het havenhoofd stappen, hebben we weer een prachtig zicht op de stad, die beschenen wordt door de nog jonge ochtendzon. Het is 9u40 en de dijk brengt ons langs enkele oude bunkers en wat verder langs een jachthaventje en dan missen we bijna het kleine pad tussen de duinen door richting Fort Napoleon.

Over de dijk wandelen we noordoostwaarts. We moeten hier even de kust verlaten en worden het binnenland ingeleid, waar we over verharde paden tussen de duinen door verder moeten. We hadden hier wel zoiets verwacht, want Bredene, waarvan we de gebouwen rechts van ons zien liggen, is bekend om zijn naaktstrand en daar gaat men ons niet zomaar door laten struinen. Gelukkig moeten we niet door het zachte zand zwoegen, maar kunnen we een tegelpad volgen. Na een tijdje merken we dat er geen roodwitte streepjes meer te zien zijn. Op een bord zien we dat we bij de ingangsweg naar het naaktstrand zijn uitgekomen. In onze 4 landstalen én het Engels staat aangegeven dat dit strand slechts gebruikt wordt door aanhangers van de Frei Körper Kultur. Hier vinden we ook onze roodwitte streepjes terug en die brengen ons tot bij de drukke verkeersweg, die e nu even moeten volgen. Niet echt ons idee van GR-lopen ! Maar wat wil je : aan onze kust is er ook zoveel te doen. Links het naaktstrand, voor ons een (niet voor het publiek toegankelijk) natuurgebied (De Paelsteenpanne) en rechts de bebouwing.Na enkele honderden meters stuurt een klein paadje ons terug richting zee. Links van ons bevindt zich de manshoge prikkeldraadafsluiting van het reservaat en rechts van ons het duingebied met zijn struikgewas. Prompt vinden we echter de GR tekens terug, en die leiden ons nu voorgoed weg van de Belgische kust. Iets verder laat de GR 5A ons gelukkig het bos in gaan. Jawel, aan onze drukke Belgische kust is er nog plaats voor wat bos en de GR voert er ons in het lang en breed door. Het duinbos van Klemskerke is misschien nog geen honderd meter breed, maar zorgt er wel voor dat we bijna een kilometer kunnen genieten van zijn welkome lommer. Om 12u15 zetten we ons neer op het terras van “Les Brasseurs”.

Nadat we even verder een watertoren voorbij gegaan zijn, stappen we de duinbossen van Vlissegem in. Als we in het oog krijgen dat we bijna het bos zullen uitgaan en de weidse Vlaamse polders gaan intrekken, besluiten we onze picknick te verorberen, terwijl we nog beschermd worden van de wind door de bomen.Daarna gaat het rechtdoor, linea recta het Vlaamse vlakkeland in. Over verharde wegen doorkruisen we het schijnbaar eindeloze vlakkeland, waar Jacques Brel zo mooi over zong, maar waarin niet echt veel variatie zit. Omgeploegde velden, weiden vol grazende melkvee, hier en daar een grote boerderij en daartussen nu en dan een nog ouder ex-boerderijtje, dat nu opgeknapt is en als permanente woonst of buitenverblijf dient. Gelukkig is er ook nog een beetje groen in de vorm van al of niet gesnoeide knotwilgen en hier en daar wat verwilderde slee- en meidoornstruiken. Het weer is heerlijk ! We passeren regelmatig grote hoeven, zoals het Groot Middelhof, het Klein Middelhof, de Grote Schamelweke, en nog andere. We blijven weer op asfalt en hoewel alles hier plat en groen is, is er langs de weg toch nog plaats voor wat bomen en bloemen. En dan zien we nog wat kleur ook. Het blijken enkele Reuzenbalsemienen (Impatiens glandulifera) te zijn. Ten slotte komen we bij een eigenaardig kapelletje. Het lijkt wel midden op een kruispunt te staan.

Om 16u55 bereiken we de Onze Lieve Vrouwkerk van Meetkerke. We hebben de 30 kilometers in een uur minder afgelegd dan gepland.Het is een goed gevulde dag geweest, een mooie dag om afscheid te nemen van onze kust. Nu trekken we terug verder het binnenland in richting Antwerpen, ons begin- en eindpunt van de GR 5A.

 

 

 

 

13. Meetkerke - Brugge : 6 Maart 2005 : 25,5km

 

Om een paar minuten na 9 zijn we onderweg en langs een brede gracht, de Blankenbergse Vaart, leggen we onze eerste honderden meters af. De wegen en paden liggen nog onder een tiental centimeters sneeuw en de koude nacht heeft heel de witte vacht nog wat doen aanvriezen. We zullen over een laag ijs moeten stappen, wat niet echt gemakkelijk is. We bevinden ons nu in het beschermde landschap van de Lage Moere. Nu is het gebied beschermd en even verder ligt er zelfs een natuurreservaat, ‘De Eendenkooi’, waar veel watervogels broeden. Een tiental minuten na ons vertrek uit Meetkerke komen we uit bij een klein kapelletje bij een brug (op de kaart passend aangeduid als Kapellebrug). We passeren wat verderop de overblijfselen van een stenen Poldermolen uit 1811. Dit was vroeger een windmolen, die ongeveer een euw lang (tot in 1903) het water uit de Lage Moere tot in de Blankenbergse Vaart gepompt heeft.

Om 10u20 komen we tenslotte uit bij een brug over een kanaal, de Nieuwwegebrug over het Kanaal Gent-Oostende. En het is hier een drukte van belang : op het water wordt er intensief geroeid; er komen skiffs voorbij, maar ook vierzitters en zelfs een achtzitter. Links van ons merken we in de besneeuwde velden een raar bouwsel op. Het lijkt op een soort van springschans in dit winters landschap, maar al snel hebben we door dat het een brug is ... waar geen weg naar toe leidt ! Hoe mooi het ook is .. toch begint zo een lange, rechte weg langs een kanaal al snel te vervelen, en ik vind het dan ook niet al te erg, dat we even later het jaagpad verlaten. Iets verder zien we nog een ‘bridge to nowhere’ over het spoor liggen. We zijn beland op het grondgebied van Varsenare. In de verte zien we al de spits van de plaatselijke kerktoren en stiekem hopen we daar, zoals in elk echt Vlaams dorp dat zichzelf respecteert, een caféetje aan te treffen voor onze picknick; het is immers ook al 11u30 geworden ! Om 11u50 arriveren we bij de kerk en vinden daar inderdaad een kroeg, die nog open is ook : ‘Het Oud Gemeentehuis’ . Als we binnengaan, moeten we ons even door de drukte heendrummen.

Maar hoe gezellig het ook is in dit dorpscafé, we moeten na een 40 minuten toch ons boeltje bij elkaar pakken, want er blijft nog een flink stuk te gaan. Niet dat we hier zover van Brugge afzitten – in vogelvlucht hooguit een 4,5 kilometer – maar de GR maakt hier ten zuiden van de Breydelstad een flinke omweg doorheen al het groen! Een lange dreef brengt ons stilaan uit de bewoonde wereld terug in de bossen. Het pad slingert wat tussen de kale loofbomen en de groene coniferen door en dan staan we plots voor een speciaal gebouw. Het ziet eruit als een groot landhuis, maar ertegenaan gebouwd zien we een toren met een soort koepel op. We zijn hier beland in het Domein Beisbroek. Iets verderop maakt de GR nog een korte omweg door het bos om ons nog even langs het Kasteel Tudor te laten wandelen. Het is een flink optrekje dat in 1904 werd gebouwd. De zon begint zich ondertussen wat meer te verschuilen achter de wolken, maar de omgeving blijft prachtig. In het Bos van Tillegem belanden we iets verder in het Provinciaal Domein Tillegem. Een wel 10 meter brede brandgang laat ons in de verte een glimp van het kasteel van de voormalige heerlijkheid Tillegem zien. Het GR-pad leidt ons nu via kleine paadjes tussen huizen en de onpersoonlijke, hoge gebouwen van het Hoger Technisch Instituut door richting Brugge. We zigzaggen verder en bereiken iets later de Spoorwegstraat langs de ... spoorlijnen.

Aan de andere kant komen we nu uit op de Vesten van de stad Brugge. De plaats waar de stadsomwalling zich bevond, is nu een lang park geworden en de GR volgt deze groene gordel rond de middeleeuwse stad van zuid naar noord . Iets verder komen we bij het Minnewater. Deze waterplas was vroeger de binnenhaven van Brugge. We komen eerst voorbij de Poertoren, een gerestaureerde 14e eeuwse toren, waar vroeger het kruit (‘Poedertoren’) in bewaard werd. Iets verderop zien we al ons volgende doel, de Katelijnepoort. Voor ons rijst al snel een volgend gebouw op, de Gentpoort. Het volgende doel op onze weg is de Kruispoort, maar voor we daar aankomen, wordt de vest onderbroken door een kanaal, de Coupure. Onderweg hebben we soms mooie zichten stadswaarts over de huizen heen. Zelfs de donkere wolken geven het geheel een speciale atmosfeer. We komen nu op een hoog deel van de vesten, en het is dan ook niet verwonderlijk dat men hier in de loop der jaren enkele windmolens geplaatst heeft. De eerste in de rij is de Bonne Chieremolen, de jongste van de drie (1844-1911). Wat verderop klimmen we even naar de Sint Janshuismolen (1770). Deze is ook mooi gerestaureerd en ook hiervandaan blijven we even over Brugge kijken. De laatste brug is de Nieuwe Papegaai, ook een molen die naar hier gebracht werd van elders (Beveren). En dan komen we iets verder om 18u50 bij de Dampoort uit, ons eindpunt van vandaag.

 

 

 

14. Brugge - Middelburg : 17 Maart 2007 : 26,2km

 

We slaan een zijstraat van de Dampoortstraat in en volgen een asfaltweg langs een kanaaltje, het Zuidervaartje. Amper 5 minuten na onze start lopen we al tussen de velden. Na een kilometer komen we bij een brugje over een ‘sloot’ om aan de andere kant via een veldweg tussen hoge populieren verder te wandelen. Hier kunnen we genieten van de rust van het Vlaamse polderland en ik ben er zeker van dat we straks kunnen kennismaken met de beroemde Damse Vaart. Met een grote bocht komen we even later dan toch dicht uit bij de Vaart. We slaan echter onmiddellijk een kleine landweg in richting Damme. Rechts van ons zien we midden de velden een enorme boerderij liggen. Op de kaart lezen we dat het om de hoeve ‘Blauwe Zaal’ gaat. Rijen verweerde knotwilgen staan als soldaten langs de weg en na een klein half uur krijgen we de toren van Damme in zicht. De route in de officiële topogids zou ons om de plaats heen leiden en zo naar het centrum, maar als we dichterbij de middeleeuwse stad komen, stoppen we even bij een infopaneel, waarop uitleg staat over de Damse stadsvesten. Nu is dit gebied eigendom van de vzw Natuurpunt en die probeert de wallen rond Damme volledig te herstellen. De GR voert ons via een poortje onmiddellijk het reservaat binnen en we zien inderdaad in het veld groene verhevenheden, die waarschijnlijk de plaats aanduiden waar de wallen van de vesten zich bevonden. Via een mooi bangkirai brugje passeren we het Zuidervaartje, dat vroeger deel uitmaakte van de grachten rond Damme.

Links van ons zien we nu duidelijk de Onze Lieve-Vrouwekerk. Wat natuurlijk onmiddellijk opvalt is de stoere, 43 m hoge toren (203 treden) van dit gebouw, maar oorspronkelijk had de toren wel een spits. We slaan linksaf naar het centrum van Damme en komen langs een stenen bouwsel dat een verblijfplaats zou zijn voor vleermuizen.In Damme bewonderen we het prachtige stadhuis en maken kennis met het standbeeld van Jacob van Maerlant. Om 11u30 steken we de verkeersweg en het kanaal over en slaan aan de overkant rechtsaf. Op de brug zien we links van ons de prachtige, witte Schellemolen. Langs enkele pas geknotte wilgen stappen we nog even langs de Vaart. Het is hier heerlijk wandelen tussen de weiden en sloten, en nadat we nog enkele huizen achter ons gelaten hebben, hebben we mooie zichten op lange rijen populieren en knotwilgen, die wat lijn brengen in het vlakke landschap. We slaan rechtsaf en volgen nu het kanaal van Schipdonk. Even verder komen we dan bij de Syfonbrug. We staan hier op een kruispunt van waterwegen. Hier passeert de Damse Vaart onder twee kanalen door, namelik het Schipdonkkanaal en het Leopoldkanaal. Via een smalle brug begeven we ons over de beide waterlopen en komen uit bij het beroemde restaurant het ‘Gasthof Siphon’.

Na een tijdje komen we voorbij een gebouw aan onze linkerkant, het is het ‘kasteel’ van Oostkerke. Wat verder komen we bij een mooi kapelletje uit dat wat verloren staat tussen een rij knotwilgen. Na een honderd meter komen we dan om iets voor 12u30 bij de kerk uit. De zon schijnt bijna loodrecht neer op de kasseien rond het kerkhof, dat zich hier nog altijd bij de kerk bevindt. We laten het pittoreske plaatsje achter ons en pikken de GR terug op even buiten het centrum. Na iets meer dan een kilometer komen we uit op de Krinkeldijk. Dit was ook een van de dijken, die de linkeroever van het Zwin in de 12e eeuw wat moesten in toom houden. Langs grachten en groene velden brengt de weg ons stilaan ook dichter bij ons volgende doel, het dorpje Hoeke. De torenspits van het kerkje kunnen we al in de verte onderscheiden. Dit al 750 jaar oude dorpje is de kleinste deelgemeente van Damme. We komen voorbij een bankje, waarvandaan we een mooi zicht hebben op de Sint Jacobuskerk. Tenslotte bereiken we even verder de eerste huizen van het plaatsje. De meeste huizen liggen hier langs de vaart, terwijl de kerk wat verder weg van het water ligt, wat alleen in de velden.

Aan de overkant van de Damse Vaart, slaan we linksaf en komen op een prachtig groen pad trecht, dat ons tot aan het voormalige Fort Sint Donaas zal gezelschap houden. Tenslotte komen we bij een hoeve aan een verharde weg uit. Het is de St. Donaashoeve. Er ligt hier een kleine onbemande veerpont aan de oever. Door op het kleine platform te gaan staan en aan het wiel te draaien, kan men zo met droge voeten aan de overkant geraken. De pont heeft zelfs een naam, Kobus. We slaan om 14u30 het Moordenaarsstraatje (!) in en verwijderen ons nu van de vaart, die al vanaf Brugge ongeveer onze leidraad geweest is. Via het smalle asfaltbaantje gaan we nu zuidoostwaarts en komen wat verder langs een dijk te lopen. Na een 400—tal meter in de schaduw van de dennebomen vertoeft te hebben, komen we terug in de open lucht en kunnen even verder bij een kruispunt goed de kerk van Lapscheure onderscheiden. We wandelen doorheen de buitenwijken van het rustige dorpje en belanden tenslotte om 15u30 bij de kerk van de Heilige Drievuldigheid. Aan de andere kant van het kruispunt bemerken we een café, ‘St. Cornelius’ genaamd. Na een tijdje komt de baas binnen en antwoordt bevestigend op onze vraag of het café open is. Na een halfuurtje verlaten we het etablissement.

Wij vervolgen onze weg richting Nederland, want voor de eerste keer gaan we en de GR 5A eventjes kennismaken met de nederlandse bodem. We wandelen weer de platte, weidse polders in en nadat we een eenzame boerderij gepasseerd zijn, moeten we ergens langs een veld een minder goed zichtbaar pad in. Dat brengt ons bij een waterloop, wiens flauwe bocht we blijven volgen. Waar de bomen eindigen, bereiken we dan om 16u30 grenspaal 354. Terwijl we rechts van ons zicht houden op de grens met ons vaderland, die zich hier als een smal beekje – de Papenkreek genaamd - door de weiden slingert, wandelen we enkele boerderijen voorbij. In de verte kunnen we voor ons al de toren van Middelburg onderscheiden. Even verderop moeten we scherp linksaf om nog even langs het gehucht Heille, deelgemeente van Sluis, te passeren. Een mooi aangelegd pad eindigt juist aan de grens bij een bank en verandert in een meer landelijk veldweggetje, dat ons na een paar honderd meter om 17u15 in het centrum van Middelburg brengt.

 

 

 

15. Middelburg - Boekhoute :4 Maart 2006 : 30,2km

 

Vandaag wordt het een lange kanaal wandeling langs de Vlaams-Nederlandse grens van Middelburg naar Boekhoute. Het is een poldergebied van kanalen en kreken en van op de zee teruggewonnen land. Om 9u00 staan we klaar om te beginnen aan onze 30 km lange tocht. Als we even later buiten de bebouwde kom komen, zien we dat de velden wit berijpt zijn. Eerst lopen we nog over asfalt, maar al snel moeten we het veld in, langs de‘Eedschen Kerkwegel’.Na wat heen en weer gedraai zien we aan de andere zijde van een (zoveelste) sloot, een grenspaal (nummer 351, geloof ik) staan. We stappen nog even naar het noorden en bereiken de denkbeeldige lijn in het landschap, die de twee landen sinds 1830 scheidt.We stappen eerst langs de verkeerde kant van een huis en beseffen al snel onze vergissing als we in de achtertuin van de woning belanden. Aan de andere kant staat op de hoek van het huis weer een grenspaal (nummer 349), en daar vinden we het Grenspad, dat we inslaan. Het is nog maar 10u en de zon staat nog laag, maar het wordt al stilaan warmer en het is echt aangenaam wandelweer. Langs pas geknotte wilgen lopen we even op de grens.

Wij laten Nederland nu achter ons en richten ons zuidwaarts. Rechts van de weg staat op de gevel van een – nu gesloten – pand het opschrift : “Het Eerste Huis” ! Iets verder komen we uit bij een zoveelste GR-paden infobord. We staan weer op een kruispunt van GR-wandelwegen : de GR 130 komt hier bij de GR 5A. Even later komen we via een lichte bergop op de kanaaldijk terecht. We bevinden ons op de oever van het Leopoldkanaal. Na 20 minuten kanaalwandelen komen we bij de Lievebrug uit. We verlaten even de GR om in het centrum van St Laureins een pleisterplaats te zoeken. Het is 11u20 als we de eerste huizen bereiken en op zoek gaan. We krijgen al schrik dat we door moeten gaan tot in Eeklo, tot we iets verder toch een café open vinden met de naam ‘Concordia’. We bestellen een biertje en we nuttigen al enkele broodjes. Om iets na twaalven besluiten we om op te breken en onze weg te hervatten.

Na weer enkele kilometers kanaal, komen we bij de Sint Margrietebrug. We trekken nu het echte Meetjesland in met zijn kreken en vijvers, zijn drassige weiden en polders. En al snel bereiken we één van die vele lange, smalle kreken die hier het landschap sieren, de Blokkreek. Het zijn niet echt rivieren en ook niet echt meren hier, maar smalle plassen. Vanop een hoogte zien we ons volgende doel al liggen : de Boerenkreek. We komen op een dijk, die we een tijd gezelschap houden tot we bij de volgende brug komen, de SintJansbrug. Hier steken we weerom het water over en laten het plaatsje Sint –Jan-in-Eremo achter ons. Onderweg maken we even kennis met een pracht van een trekpaard dat hier langs de weg in een wei staat. Het dier laat zich gewillig fotograferen en voederen. Recht voor ons zien we aan de andere kant van het kanaal de kerktoren van Watervliet uitsteken. Na een volgende verkeersweg komen we uiteindelijk uit bij de Stenenschuurbrug. De volgende brug. is weerom een Bailey-brug en op de rand ervan bemerken we een wegwijzer van het (nederlandse) ‘Grenslandpad’. Hier scheiden dit pad en de GR 5A de wegen.

Na een paar honderd meter komen we bij een weg die wat hoger ligt : het is de Noorddijk, die hier de grens vormt tussen de Sint Jorispolder (1466) en de Laureinepolder (1503). De paar meter hoogte die we hier winnen, geven ons een mooi uitzicht op de weidse omgeving. In de verte zien we al de kerkspits van ons einddoel van vandaag, Boekhoute. En dan komen we op een kruispunt uit en zien voor ons een café. ‘Het Spoor’ staat boven de deur en voor het gebouw zit een levensgrote pop op een bank. Zou deze herberg ook open zijn voor levende bezoekers ? We doen voorzichtig de deur open en worden gastvrij onthaald. We nestelen ons in enkele zachte zeteltjes en bestellen wat te drinken. De laatste kilometers voeren ons het dorp Boekhoute in. Achter de kerk staat nog één van die laatste vissersboten, de BOU (van Boekhoute) 8 Isabella. Het is 17u30 als we het dorp verlaten. We hebben nu nog maar een paar etappes te gaan voor we “Wandelronde van Vlaanderen” volledig achter de rug zullen hebben.

 

 

 

16. Boekhoute - Zuiddorpe : 24 November 2007 : 30,8km

 

Na even de kaart geraadpleegd te hebben, kunnen we Boekhoute achter ons laten in de wetenschap dat we op de goede weg zitten. Het landschap dat we voorgeschoteld krijgen is ons niet onbekend : een lappendeken van groene weiden en grote en kleine waterlopen, met hier en daar een boerderij of een woning in de verte. Langs een pad dat omzoomt is met populieren, komen we bij een groot infobord uit. Het natuurreservaat “De Grote Geul” is een 14 ha groot natuurgebied, dat hoofdzakelijk bestaat uit een grote plas, waarvan de oevers begroeid zijn met riet. Via een smalle kasseiweg belanden we weer op een bredere asfaltweg, waar we een – spijtig genoeg – gesloten herberg aantreffen. Dan maar weer even asfalt volgen tot we tegenover het Molenhof bij een kleurig versierd kapelletje de Mariapolderdijk inslaan. We steken de Vlietbeek over en volgen die wat verder op een afstand stroomopwaarts richting Assenede.

Rechts van ons bemerken we in de verte al de torenspits van de kerk van Assenede. De GR blijft ten oosten van de kern en nadat we heel de Smoutersdijk hebben afgelopen, draaien we om 10u10 de Groenendijk in. Als we een straat met de onheilspellende naam Duiveleinde instappen, beginnen er zachtjes nu en dan wat regendruppels op ons neer te vallen. Hopelijk blijft het zo, want we beginnen al de eerste gebouwen van Sas van Gent in de verte te zien en daar hebben we onze eerste halte gepland. Om 10u40 laten we Assenede achter ons en trekken Sas van Gent binnen. Onderweg missen we ergens de kans om het bekendste kunstwerk van Sas van Gent te bewonderen, namelijk het standbeeld van de ‘Scheepssleper’. Het is 11u00, tijd voor een korte halte. In het Schippershuis is het nog rustig en we kunnen dan ook op ons gemak enkele tassen koffie en enkele pinten nuttigen. Na een half uurtje staan we terug buiten en is de bescheiden bui weggetrokken.

We komen aan bij ‘de Baeckermat’. Dit is een Zeeuws-Vlaams “streekeigen” erf met een boomgaard, een schapenweide, een bloemenweide en nog van alles wat zo eigen is aan deze streek. We worden gelukkig al vrij snel terug de natuur ingeleid en komen zo in het natuurgebied van de Canisvlietsche Kreek terecht. Door een drassig gebied met jonge beplanting leiden de GR-streepjes ons terug naar de hoge berm van het kanaal Gent-Terneuzen, vanwaar we een prachtig zicht hebben op de brug, waarover we juist nog het kanaal hebben overgestoken. De Canisvliet is een poldergebied, dat ooit een zijarm was van de Honte, een oorspronkelijk brede en ondiepe zeearm, die in verbinding stond met de Schelde. Uiteindelijk komen we terug uit op een verharde weg, die ons enkele tientallen meters verder terug bij de internationale grens brengt. Het is nu 12u50 en we bevinden ons hier aan de rand van Zelzate. Het wordt tijd om wat te eten en bij het eerste gebouw op belgische bodem, toepasselijk “Grenshoeve” genaamd, klampen we een bewoonster aan om even te vragen of er in de buurt een caféetje is, maar ze kan ons niet helpen, zodat we ons verplicht zien het ons gemakkelijk te maken langs de weg en hier maar onze picknick soldaat te maken.

Na een 25 minuutjes pakken we ons boeltje terug bijeen en zijn we weer op weg. We blijven even nog op de grens lopen met ons rechterbeen in België en ons linker- in Nederland en dan komen we bij een brede verkeersweg. Het is de “Tractaatweg’ , die Terneuzen met Zelzate verbindt. Langs de wegkant staat weer één van die indrukwekkende grenspalen, die we al meermaals tegengekomen zijn (nummer 307a) Ongemerkt verlaten we de gemeente Zelzate en stappen we Wachtebeke binnen. Wat later bevinden we ons terug op asfalt en gaat het weer kriskras doorheen akker en veld. Ondertussen duikt nu en dan al de torenspits van het kerkje van Overslag in de verte op tussen de bomen. Om 14u30 komen we uit aan de rand van het dorpje en belanden zo terug op onze nationale grens. Het is in feite één dorp, doorsneden door de nationale grens. Wij zetten onze tocht langs de GR5A, dat hier ook het Grenslandpad is, verder entrekken even later terug Nederland in. Al snel laten we de laatste huizen van (nederlands) Overslag achter ons en trekken via een lange rechte betonweg de polders in. Na een half uur is de Moerbekepolder doorkruist en bereiken we achter het gehucht Rode Sluis terug de grens.

Wij gaan ondertussen verder langs de noordoever van de kreek en zien stilaan de zon al tussen de kale bomen aan de overkant naar de horizon neigen. We verlaten terug de hoofdweg en slaan weerom de richting van onze noorderburen in. Links van ons zien we een rij bomen, die zich ongeveer bevinden ter hoogte van het voormalig fort Moerspui. Het is één van de vele versterkingen, die hier aangelegd zijn op het eind van de Tachtigjarige Oorlog, in dit geval door de Spanjaarden in 1645, ter verdediging van Vlaanderen. We moeten nog een kilometer of zo verder noordwaarts, tot we om 16u45 op een verharde weg uitkomen, de weg van Zuiddorpe naar Koewacht. We zijn net als de zon onder de einder verdwijnt op ons eindpunt uitgekomen. We hebben nog 2 etappes te gaan voor we de “Wandelronde van Vlaanderen” achter de rug hebben. Dat zal waarschijnlijk ergens voor in het jaar 2008 zijn.

 

 

 

17. Zuiddorpe - Meerdonk : 9 Mei 2009 : 33,3km

 

Onder een mild voorjaarszonnetje wandelen we Zuiddorpe uit en begeven ons terug naar het kruispunt, waar we de vorige maal afscheid hadden genomen van de GR 5A. Na een kwartier treffen we de roodwitte streepjes terug aan, die ons de Uilendreef in voeren. De schaduwrijke dreef, die omzoomd is door 2 kaarsrechte rijen populieren, brengt ons bij de eerste van vele voormalige forten. Het eerste fort dat we nu bereiken heet Fort St. Joseph. Van de voormalige versterking is niet veel meer te zien dan de geometrische gracht, die vroeger de redoute omsloot. De GR5A blijft de vroegere Linie van Communicatie volgen naar het volgende fort. Zo komen we aan bij het volgende fort in de linie, het Fort St. Jacob. We volgen de Linie verder oostwaarts nu en komen zo na een tiental minuutjes bij de volgende versterking terecht. Een vlaggetje markeert het centrum van dit voormalige Fort Sint Livinus.

Een dijk brengt ons in een rechte lijn om 10u38 bij het volgende fort in de rij, fort St. Nicolaas. Voorbij een kruispunt komen we op een volgende dijk terecht, deze keer heel toepasselijk Fortdijk genaamd. We wandelen voorbij een volgende waterplas, Grote Gat genaamd. Een zoveelste waterplas brengt wat verandering in het landschap, maar al snel stappen we weer langs een lange rechte lijn bomen naar ons volgende doel : het voormalige fort Ferdinandus. Wij volgen nu een beek oostwaarts. Het is eigenlijk geen natuurlijke waterloop, maar een kanaal : het Zijkanaal naar Hulst. Het is ondertussen bijna 12u en naast het pad komen we bij een mooi afgereden stukje berm, goed voor onze picknick. Na de picknick komen we op een verkeersweg terecht ter hoogte van een brug over het kanaal. De brug draagt de wel vreemde naam : Gdynia Bridge. Dit deel van Zeeuws Vlaanderen werd in september 1944 namelijk bevrijdt door de Poolse 1e Pantserdivisie onder generaal Maczek. We vervolgen onze wandeling aan dezelfde zuidelijke zijde van het kanaal.

Het volgende deel van de GR 5A zal ons in een grote boog doorheen de plaatselijke polders naar de noordkant van het stadje Hulst brengen. Het is een vrij eentonige wandeling, maar brengt ons op een bepaald moment juist langs het ‘Groot Eiland’. Een groot stuk van dit gebied is volledig omringd door water(wegen) en wordt daarom ’t Groot Eiland genoemd. Het is nu een natuurgebied en wij passeren er rakelings langs tussen 2 meertjes, die deel uitmaken van de Oude Vaart. Rechts van ons zien we in de verte over het water voor het eerst de spitse toren van de kerk van Hulst aan de einder.We bevinden ons even later tussen de huizen en om 14u10 bereiken we dan het historisch centrum bij de “Dubbele Poort”. Hulst is één van de best bewaarde middeleeuwse vestingsteden van de Benelux. We worden al onmiddellijk via een paadje de wallen opgeleid. Deze nog volledig gesloten stadsomwalling is 3,5 kilometer lang en wordt slechts op drie plaatsen door poorten onderbroken. Op de stadswal komen we eerst bij een windmolen terecht. We bestijgen de omwalling weer en wandelen verder naar het volgende bastion, het Nassaubolwerk.

Langs de Gentse Poort verlaten we nu de stad. Iets verder slaan we rechtsaf en laten het mooie Hulst achter ons. We wandelen een kilometer langs een afsfaltweg en dans stuurt de GR ons plots het groen in. Zo brengen de witrode strepen ons ongemerkt dichterbij onze landsgrens, die we ter hoogte van grenspalen 278 en 279 ongemerkt overschrijden. Om 17u10 steken we de weg van Kalf naar de Klinge over en komen zo midden in het Vlaamse polderlandschap terecht. Uitgestrekte, vers omgeploegde velden omringen ons en in de verte zien we hier en daar een torenspits opduiken of een lange, smalle rij bomen. Een lange, rechte asfalten verkavelingsweg brengt ons op een T-splitsing, waar we even terug in de richting van de kerk van De Klinge gaan. Om 17u50 komen we dan uit op de dwarsdijk bij de Grote Geul. Het is een smal meer van ongeveer een 800 meter lengte, waarvan we de smalle zijde langslopen. De rand van de waterplas is dicht bezaaid met vissershutjes. We bevinden ons hier op de Krekeldijk en blijven deze asfaltweg een tijdje volgen. Na een dikke 10 minuten komen we bij het natuurhuis Panneweel, een bezoekerscentrum van Natuurpunt. Een toeristische trekpleister hier in de buurt is het Saleghem Krekengebied. Via smalle wandelpaadjes bereiken we tenslotte om 18u20 ons voorlopige einddoel bij de Zandloperstraat. Links van ons kunnen we el wel de torenspits van de Sint Corneliuskerk van Meerdonk zien, maar die ligt zeker nog een 2 kilometer van ons af. We stappen om 18u45 het dorp in.

 

 

 

18. Meerdonk - Antwerpen LO : 1 Augustus 2009 : 27,5km

 

Eindelijk is de dag dan daar : we gaan de GR 5A beëindigen vandaag. De 8e april 2001 zijn we bij de uitgang van de voetgangerstunnel op Antwerpen Linkeroever vertrokken voor onze eerste etappe van de GR 5A naar Temse. Na meer dan 8 jaar gaan we de cirkel rond maken en de Wandelronde doorheen Vlaanderen dicht maken. We hebben er een mooie zomerdag voor uitgekozen, namelijk de eerste van augustus. En we zijn allemaal weer van de partij, zowel de drie broers, Sus, Jan en ikzelf als hun respectievelijke echtgenotes, Liliane, Magda en Greet. Deze laatste zullen vandaag weer een deel van het traject afleggen. Dit heeft tot gevolg dat we afgesproken hebben op een grote laan iets buiten Zwijndrecht. Practisch op de grens van de provincies Oost-Vlaanderen en Antwerpen parkeren we onze wagens langs de weg en rijden even later min één wagen verder naar ons beginpunt bij Meerdonk. We hebben besloten van niet in Meerdonk centrum te vertrekken, waar we de vorige maal gestopt zijn, maar te proberen langs de GR zelf een parkeerplaats te zoeken , namelijk ter hoogte van de plaats waar we die de vorige maal verlaten hebben, bij het St. Jacobsgat. Via een korte omleiding in Verrebroek geraken we toch op ons beginpunt en vinden na wat zoeken plaats om onze auto’s langs de weg te parkeren. De zon staat al aardig te branden in de hemel als we tenslotte rond 10u15 onze wandeling aanvatten. Gelukkig worden we een paadje ingestuurd dat evenwijdig aan de verkeersweg loopt. Na enkele honderden meters komen we voorbij een waterplas, waar al heel wat vislijnen zijn in uitgeworpen. Het zaakje is goed omheind om eventuele indringers de toegang te ontzeggen. Wij vervolgen onze weg richting Antwerpen en belanden wat verder al snel bij de baan naar Verrebroek, die we even verder oversteken om weer op één van die typische verkavelings-asfaltweggetje terecht te komen. Een kaarsrechte baan brengt ons een dikke kilometer verder bij een beekje dat we even volgen. Links voor ons merken we de stompe toren van de Sint Laurentiuskerk en even rechts daarvan ontdekken we vandaag voor het eerst de twee dikke wolken, die door de koeltorens van de kerncentrale van Doel worden uitgebraakt. Zij zullen ons het grootste deel van de dag blijven begeleiden aan de horizon. We bevinden ons trouwens niet zover meer van de havenzone van Antwerpen op de Linkeroever van de Schelde. We steken een zoveelste afwateringskanaal over en krijgen in de verte een bedrijf in het oog. Het bestaat uit verschillende grote schuren of hangars en is omringd door fruitboomgaarden, maar wat ons opvalt is dat de grote daken van de gebouwen – tenminste de naar het zuiden gerichte zijde – volgelegd zijn met zonnepanelen. Dat moet aardig wat energie opleveren ! We merken aan het luider wordende autogeraas dat we ondertussen ook dichter bij de E 34 snelweg van Antwerpen naar Knokke zijn gekomen. We zien voor ons de brug van Vrasene, die ons aan de andere zijde van deze hindernis moet brengen. Om 11u00 gaan we de helling van de brug op. Boven op het bouwwerk hebben we een mooi zicht op de omgeving. We staan hier waarschijnlijk op het hoogste punt van onze wandeling van vandaag. Zoals elk weekend komen we ook hier weer grote groepen wielertoeristen, voorzien van alle soorten fietsmodellen tegen. Wie durft er zeggen dat Vlaanderen niet sportief is ? Aan de andere kant van de betonnen strook, dalen we van de brug af. Maar terwijl Jan en Sus de steile talud van de linea recta aflopen, neme de meisjes en ikzelf het zekere voor het onzekere en volgen de weg tot aan de afslag. Het blijkt dat de beide broers onderaan de helling nog een betonnen gracht hebben moeten oversteken, wat hen niet helemaal zonder kleerscheuren gelukt is. Toch zijn er geen doelijke wonden opgelopen en ons gezelschap zet zijn weg verder, voorlopig nog langs de snelweg. Na een kilometer steken we de kaarsrechte Vrassenebeek over en kunnen tenslotte wat later toch de E 34 achter ons laten. Weer zijn betonnen verkavelingsweggetjes ons deel en de volgende uren zal ons zicht dan ook beheerst worden door weiden, mais- en sukerbietvelden. Af en toe onderbroken door een rij waaibomen en een enkele boerderij. Langs de weg trekt een struik met bescheiden, roze bloempjes onze aandacht. Het blijkt het Harig Wilgeroosje (Epilobium hirsutum) te zijn. Deze bloem behoort tot dezelfde familie als het (Smalbladige) Wilgeroosje (Chamaenerion angustifolium), namelijk de Theunisbloemfamilie (Onagraceae), maar tot een andere soort, hoewel ze een gemeenschappelijke naam hebben. De belangrijkste kenmerken van deze familie zijn dat ze 4-tallige bloemen hebben en vrij smalle, getande bladen. De bloemen bezitten 10 meeldraden en de kroonbladen staan vrij. Ze produceren meestal zeer veel zaden. Het Harig Wilgeroosje is een overblijvende, tamelijk forse (80 tot 150 cm groot) , zeer behaarde plant met wortelstokken en heeft rechtopstaande, vertakte en behaarde stengels. De soortnaam hirsutum betekent behaard en heeft betrekking op de dichte, afstaande, zachte beharing van de stengels. Hij verbreidt zich door middel van vlezige, ondergrondse uitlopers, die aan het begin met schubachtige bladeren zijn bedekt, maar op de plaats waar ze boven de grond komen groene bladrozetten vormen. Zo vormen ze vaak grote kolonies. De meestal tegenoverstaande of soms kransstandige bladen zijn 6 tot 12 cm lang en langwerpig tot lancetvormig, grof getand en zittend en vaak iets stengelomvattend. De helder, rozerode bloemen (15 – 25 mm doorsnede) hebben 4 kelkbladen en 4 langere, uitgerande (met een ondiepe insnijding) kroonbladen en staan in de bladoksels in eindstandige, bebladerde trossen. De opvallende witte stamper, die langer is dan de meeldraden, heeft een kruisvormige, 4-lobbige stempel, waarvan de lobben omlaag gekruld zijn. De bloemen worden gewoonlijk door zweefvliegen en bijen bestoven. In de rijpingstijd van meeldraden en stampers zijn ze zeer variabel. Dikwijls zijn de mannelijke helmknoppen eerder rijp dan de vierlobbige stamper, zodat zelfbestuiving uitgesloten is. Er komen echter ook gevallen voor waarbij beide delen, mannelijke en vrouwelijke, tegelijkertijd rijp worden en zelfbestuiving dus wel mogelijk is. Sommige bloemen bevatten slechts onontwikkelde meeldraden, zodat men in dat geval eigenlijk van eenslachtige bloemen kan spreken. De dunne, behaarde doosvrucht splitst zich na rijping in 4 delen om zo de talrijke, lichte, pluizige zaden te verspreiden. De bloeitijd is van juni tot oktober. We vinden ze vooral op vochtige tot moerassige standplaatsen, zoals oevers van meren of rivieren, moerassen en sloten in heel Europa. Midden in dit landschap vinden we toch ook enkele bunkers terug, die hier ooit neergepoot zijn door oner oostelijke geburen ten tijde van de Eerste Wereldoorlog. Weerom moeten we even opzij gaan staan om een forse groep wielrenners voorbij te laten. Ze hebben blijkbaar plezier in het feit dat we ze even op de gevoelige digitale plaat vastleggen. Iets voor twaalven bereiken we het gehucht Keet. We kijken er even rond of er een caféetje ope is hier, maar worden hierin teleurgesteld. Buiten wat honden en katten beweegt er zich hier niets. Dan zullen we nog wat verder moeten lopen om een plaatsje te vinden om te piknikken ! We volgen de slingerende asfaltweg verder naar het oosten en komen achtereenvolgens langs een grote manege, ‘De Singelhoeve’, en op een kruispunt langs een aardig caféetje, ‘In den Biekorf’, maar ook bij dit laatste etablissement vangen we bot ; de deur is gesloten en de rolluiken hangen halfstok ! We zien ons verplicht onze weg te vervolgen richting Gaverland en te hopen dat we daar onze dorst zullen kunnen lessen. Want het is ondertussen toch al vrij warm geworden en de asfaltlaag onder onze voeten, maakt her er niet frisser op. Uiteindelijk komen de erste huizen van Gaverland in zicht. Gaverland ligt tegen Beveren, wat de laatste gemeente in Oost-Vlaanderen is die we moeten doorkruisen. Via de Gaverland (?)straat komen we om 12u45 bij de verrassend grote Kapel van Gaverland uit. Ik moet bekennen dat ik, ondanks mijn katholieke opvoeding, van deze plaats nog nooit gehoord heb. Gaverland is nochtans een vrij bekend bedevaartsoord en dat al sinds 1511 ! Toen werd hier, zoals dat meestal gaat bij bedevaartsoorden in ons Vlaanderen, een miraculeus lievevrouwebeeldje gevonden onder een lindeboom. De kapel die we nu zien is uit het midden van de 19e eeuw, maar als bedevaartsplaats is Gavere dus al veel langer bekend. Terwijl de meisjes op zoek gaan naar een café dat open is en een groep naar hun piknik hongerende wandelaars wil ontvangen, gaan wij even de kapel binnen om het interieur te bewonderen. Het is er devoot stil en aan de linkerkant van de ingang branden er al heel wat kaarsjes. Het Mariabeeld boven het altaar is omringd door vele lichtjes en trekt onweerstaanbaar de aandacht. Zoals altijd hangt er een vreemde sfeer in zo een gebouwen, die de aanwezige toch met respect naar de hem omringende omgeving doet kijken. Na enkele minuten staan we terug in het warme zonlicht en merken dat onze wederhelften aan de achterkant van de kapel Taverne “De Linde” ontdekt hebben, en zich al op het terras geïnstalleerd hebben.met een drankje ! We aarzelen niet om zelf ook een verfrissing te bestellen en krijgen toelating van de aardige eigenares om onze boterhammen op te eten op het terras. Gezien we nog voor onze geplande tijd zijn, profiteren we van onze zitplaatsen in de zon en de frisse drank om onze halte hier wat langer te maken dan voorzien. Het is dan ook al snel 3 kwartier later , als we tenslotte ons boeltje bij elkaar pakken en verder gaan. Tegenover de ingang van de kapel leiden de GR streepjes ons een parkje in. Deze kapelweg leidt ons middels een kaarsrecht asfaltbaantje naar een andere baan, waarlangs we dan de buitenwijken van Melsele kunnen bewonderen.Ook hier wordt er nog flink bijgebouwd. Langzaamaan wordt de bebouwing minder dicht en worden we weer omringd door meer groen. Langs de wegkant is het de mooie paarse kleur van de Grote Kattestaart (Lythrum salicaria), die mijn aandacht trekt. Deze plant behoort tot de eerder kleine Kattestaartfamilie (Lythraceae). De voornaamste kenmerken van deze familie zijn het fet dat de planten vierkante stengels hebben en meestal 6-tallige, soms zeer kleine bloemen. De Grote Kattestaart zelf is een tamelijk forse (soms tot meer dan 2 meter hoog), grijs behaarde plant, die in pollen groeit. De stengels zijn stijf, rechtopstaand , alleen bovenaan vertakt en hebben 4 of meer lijsten. De bladen zijn eirond tot lancetvormig, getand, zittend en staan tegenover elkaar in 3-tallige kransen, hoewel de bovenste soms verspreid staan. De wetenschappelijke soortnaa salicaria is afgeleid van het Latijnse woord salix, dat wilg betekent en betrekking heeft op de wilge-bladachtige vorm van de stengelbladeren. De helder paarsrode bloemen, 10 tot 15 mm in doorsnede, staan in kransen die lange aarachtige trossen vormen. Elke bloem heeft een buis- of klokvormige, geribde kelk met bijkelk, 6 smalle, langwerpige kroonbladen en gewoonlijk 12 meeldraden in 2 groepen van 6 op verschillende hoogtes in de uitgeholde bloembodem. Er vertoont zich hier verschijnsel dat men trimorphie noemt. Van de 12 meeldraden zijn er dus 6 korter dan de overige, terwijl de stijl weer van beide in lengte verschilt : op sommige planten is hij lang (langstijlig), en dan zijn er 6 middelmatige en 6 korte meeldraden. Op andere planten is de stijl middelmatig (middelstijlig) en dan zijn er 6 lange en 6 korte meeldraden. Op weer andere eindelijk is de stijl kort (kortstijlig) en zijn er 6 middelmatige en 6 lange meeldraden. Daar alle bloemen op dezelfde plant eenzelfde plaatsing van stijl en meeldraden hebben, en de bestuiving gebeurt door insecten, moet die dus gebeuren met zaad van een andere plant met bloemen, waarvan de stijl als het ware op dezelfde hoogte staat als de meeldraden van de te bevruchte bloemen. Dit verschijnsel heet dan weer ‘legitieme bestuiving’. Het verschijnsel wordt ook ‘heterostylie’ genoemd en voorkomt dus doeltreffend zelfbestuiving en bevordert kruisbestuiving. Zeer veel verschillende insecten bezoeken de bloemen, maar de legitieme bestuiving wordt meestal tot stand gebracht door bijen, hommels, vlinders en zweefvliegen. De helmknopjes der lange meeldraden zijn groen en die van de korte en middelmatige geel. Het 2-hokkig vruchtbeginsel is bovenstandig. De vrucht is een veelzadige doosvrucht. De bloeiperiode loopt van eind juni tot begin september. Ze komen algemeen voor op vochtige plaatsen op het Noordelijk Halfrond, maar ook in Australië. We komen ondertussen ook dichter bij het grote havengebied van Antwerpen op de linkeroever van de Schelde. In de verte zien we dan ook de hoogspanningslijnen en de fabriekstorens, die rond de dokken zijn opgetrokken. Tussen ons en dit gebied snijdt de E34 Knokke-Antwerpen nog doorheen het landschap. Wij blijven nu verder evenwijdig aan dit betonnen lint lopen. Gelukkig zien we er voorlopig niet veel van. Het landschap is open en groen en er is omzeggens geen verkeer op het asfaltweggetje dat ons dichter bij ons einddoel brengt. Nadat we onder een spoorweg zijn doorgewandeld, komen we wat verder bij een plaats, De Halve Maan genaamd, terug in de provincie Antwerpen. De Halve Maan is nu een grote waterplas, maar was vroeger een soort van slotgracht rond één van de verdedigingswerken van de fortengordel rond Antwerpen. Tussen 1871 en 1880 werd hier door de bekende ingenieur en militair Brialmont een linie van verdedigingsgrachten, afgewisseld met forten en verdedigingsposten (schansen of lunetten genoemd) aangelegd in het landschap. Deze maakten aan deze kant van de Schelde deel uit van het ‘Verschanst Kamp Linkeroever’ als onderdeel van de Vesting Antwerpen. De Half Maan was eigenlijk niet meer dan een ‘lunet’, een omwald uitsteeksel van de defensieve dijk, dat naar de vijand gericht was. Enkele jaren geleden kocht de gemeente Zwijndrecht de oude verdedigingsdijk aan de Halve Maan en het geheel is nu een Beschermd Landschap. Natuurlijk heeft zich hier ook een visclub gevestigd en vele lijnen zijn uitgeworpen in het kalme water. Om 14u30 verlaten we het verdedigingswerk via een brug over het kanaal en stappen terug de velden in . Nog steeds wandelen we evenwijdig aan de E 34, maar buiten het feit dat we aan de andere kant ervan de fabrieken en bedrijven kunnen zien, hebben we er niet veel last van. Iets voor we bij een bosje komen, passeren we een grote serre, waarbinnen we nog vele tomaten aan de planten zien hangen . We wandelen dan door het bos en komen even later weer op een pad juist langs de snelweg. We moeten even een oprit omzeilen, maar beseffen dat we uiteindelijk toch dichter bij ons einddoel komen, als we bij de rand van Het Vliet komen. Het Vliet is een oud poldergebied, dat rond de Tweede Wereldoorlog werd opgevuld met baggerspecie uit de Schelde. Geleidelijk ontwikkelde zich een waardevol biotoop met berken op de droge gedeelten en wilgen in de vochtige lagergelegen delen. Het gebied werd als landschap beschermd in augustus 1980. Het is wel even uitkijken, maar aan de overkant van een grote, open plek vinden we de GR-streepjes toch terug en komen uit op een smal paadje dat ons een bos in leidt. En zo dicht bij de wereldstad Antwerpen belanden we als het ware in een oerwoud. Vooral brandnetels en grote hoeveelheden Donzige Klit (Arctium tomentosum) bemoeilijken ons de doorgang. Deze laatste plant is tweejarig en behoort tot de Composietenfamilie (Compositae of Asteraceae). Ze komt van nature voor in Eurazië. De Klit wordt van 30 tot 150 cm hoog, men mede daardoor zien we soms alleen de hoofden van onze medewandelaars boven het groen uitsteken ! De bladeren zijn hartvormig en de onderste kunnen tot 50 cm lang worden. Aan de onderkant zijn ze meer of minder dicht, viltig behaard. De donzige klit bloeit van juni tot augustus. De ongeveer 3 cm hoge en 2 – 4 cm brede hoofdjes staan in een tuil en zijn spinnewebachtig behaard, maar ook bijna kale komen voor. De buitenste omwindselblaadjes zijn groen met een haakvormige top en smaller dan de binnenste omwindselblaadjes, die lintvormig en paars zijn met een korte, rechte stekelpunt.. De bloempjes op het hoofdje bestaan uit buisbloempjes. De plant komt voor op vochtige, voedselrijke kleigrond. In 1941 verbaasde een zekere Georges de Mestral zich erover hoe moeilijk hij de klitten, dwz de zaadjes van de Donzige Klit, uit zijn kleding en uit de vacht van zijn hond kreeg, die zich daar verzameld hadden tijdens hun dagelijkse wandeling. Hij ontdekte dat de klitten overdekt zijn met kleine haakjes, waarmee ze zich vastgrijpen in kleding en vacht en zo de zaadjes verspreiden. De Zwitser ziet er mogelijkheden in en ontwikkelt na veel tijd en met veel moeite een sluitingssysteem dat hij in 1951 patenteert. Hij noemt zijn uitvinding Velcro (een samentrekking van velours = fluweel en crochet = haakje) en klittenband is onder die naam nog steeds bekend. Na een tijd het slingerende pad gevolgd te hebben en zo goed en zo kwaad als het kan onze benen beschermd te hebben tegen de vele aanvallen van de ontelbare brandnetels, komen we op een minder begroeid deel uit en om 15u35 bereiken we de grote dubbele Dwarslaan, waar we deze morgen één van onze auto’s achtergelaten hebben. Hier eindigt de wandeling vandaag voor onze echtgenotes. Ze hebben een mooie 20 km achter de rug en dat is goed geweest. We rekenen trouwens nog op hen om niet alleen de andere auto te gaan ophalen in Meerdonk, maar ook om er een op Antwerpen Linkeroever achter te laten ergens dicht bij de uitgang van de St. Annatunnel en daarenboven om deze avond nog voor een lekkere, culinaire afsluiter van onze omzwervingen over de Wandelronde van Vlaanderen te zorgen. Ondertussen gaan wij, mannen, met z’n drieën nog de laatste 7 kilometers afwandelen naar het eindpunt. Nadat we de meisjes uitgewuifd hebben, verlaten we de doodlopende Dwarslaan weer en slaan een wandelpad in dat ons langs een soort van fitness-centrum en wat verder een bedrijfsgebouw op de Blanceflourlaan brengt. We zijn nu verplicht om die bijna een kilometer lang te volgen omdat die ons wat verder via een brug over de drukke R1 ringweg brengt. Snelrijdend verkeer schiet onder ons door richting kust en elders. Van het hoogste gedeelte van de brug zien we in de verte al de Onze Lieve Vrouwekathedraal van Antwerpen zijn ranke toren in de lucht steken. Het einde nadert nu toch wel snel. Maar de GR zou de GR niet zonder nog even een omwegje te maken. We gaan dus niet linea recta door naar die lonkende torenspits, maar bij een groot kruispunt weten we dat we de grote grasvlakte van de Middenvijver gaan opgestuurd worden. We hebben er dan nog geen besef van, maar achteraf komen we te weten dat de eigenlijke GR 5A hier al een geruime tijd een ander parcours gekregen heeft. De eigenlijke oorzaak van dat alles is de Oosterweelverbnding. Het hele groene gebied hier op de Linkeroever van de Schelde, moet door deze verbinding geherorganiseerd worden. In de loop der voorbije jaren werd het verkeer op het snelwegcomplex rond de stad Antwerpen steeds maar drukker en drukker en met de regelmaat van een klok stonden duizenden auto’s stil in kilometerslange files. Een oplossing drong zich op. Niet alleen het verkeer rond de stad moest vlotter worden, maar ook de stad zelf en de haven moesten beter bereikbaar worden. Na lang studiewerk kwam de Beheersmaatschappij Antwerpen Mobiel (het BAM) met de volgende oplossing op de proppen : de Expressweg E34 (en daardoor ook de E 17), zou door middel van een tunnel onder de Schelde (Oosterweeltunnel) en een brug over het Straatsburgdok (de Lange Wapperbrug) verbonden worden met de Antwerpse Ring (R1 ) ter hoogte van Merksem. Het traject van heel dit bouwwerk zou door een deel van het St. Annabos lopen en omwille van deze werken, had men dus de GR 5A van route veranderd. En dit niet alleen door het St. Annabos zelf, maar ook verderop door de Middenvijver. Mijn topogids van Deel Noord van de Wandelronde van Vlaanderen is van 2003 en in de loop van 2007 en 2008 is er ondertussen heel wat veranderd op de Linkeroever rond de Middenvijver ! De Middenvijver is eigenlijk een opgespoten gebied van 60 hectaren en dat werd nu heraangelegd met waterpartijen als compensatie voor de aanleg van de Oosterweelverbinding. Als we de Blanceflourlaan via de roodwitte streepjes verlaten komen we uit op die enorme groene grasvlakte van de Middenvijver, waar we niet direct het vevrolg zien van onze GR. Op ons (verouderd) kaartje in de topogids, zie ik al onmiddellijk dat we ver ten oosten van de (oude) GR 5A op de grasvlakte terecht gekomen zijn, maar we blijven nog even de streepjes volgen tot we ze niet meer vinden. Wat nu ? We besluiten tenslotte om maar linea recta de grasvlakte over te steken van zuid naar noord en aan de andere kant de GR streepjes terug op te zoeken. Terwijl we rechts van ons de woningblokken van Antwerpen Linkeroever boven de bomen zien uitsteken, begeven we ons naar de kleine bosjes en alleenstaande bomen, die het midden van de Middenvijver bevolken. We beseffen al gauw dat we nu wel helemaal van de GR zijn afgedwaald, maar geen nood .. we weten waar we zijn en aan de andere kant vinden we het roodwit wel terug (dachten we toen nog !) Op de grasvlakte liggen hier en daar mensen te baden in de zon en boven onze hoofden zijn modelvliegtuigjes hun rondjes aan het vliegen. Tenslotte komen we aan de noordkant uit bij een mini-duinengebied. Het zijn zandheuvels die ten zuiden van de Donkersbeek liggen. We moeten een beslissing nemen of we nu west- of oostwaarts gaan en omdat ik nog steeds van de gedachte uit ga, dat de GR 5A op haar oorspronkelijke plaats ligt, slaan we hier linksaf en gaan we verder weg van de nu geldende gewijzigde route. Die bevindt zich helemaal aan de oostelijke rand van de Middenvijver. We wandelen dus over het mulle zand langs de zuidelijke oever van de beek en wanen ons bijna terug in de duinen van onze eigenste Noordzee. Ook als we bij een infopaneel komen waar wat uitleg over de recente werken aan de Middenvijver uitgelegd staan, blijven de roodwitte streepjes afwezig. We besluiten maar verder het water te volgen en te trachten naar het noorden te gaan richting Charles Decosterlaan, want daar moet de GR 5A (de oorspronkelijke route tenminste) ergens zijn ! Een grote groep dagjesmensen zijn vergezeld van een hele meute honden en die laatsten zijn zich aan het vermaken in het water. We volgen langs een mooi wandelpad de waterrand en bereiken tenslotte dan toch een pad dat in de richting van de Charles Decosterlaan loopt. Langs het pad fleuren grote groepen felgeel Jacobskruiskruid (Senecio jacobeae of Jacobaea vulgaris) de omgeving op. Dit veelsoortig geslacht behoort tot de grote Composietenfamilie (Compositae). Deze familie onderscheidt zich door zijn samengestelde hoofdjes, die meestal een groot aantal kleine bloemen bevatten. Het Jacobskruiskruid is een forse (30 tot 120 cm groot), vaak polvormende, soms behaarde en soms vrijwel kale, overblijvende (of soms tweejarige) plant met een rechtop staande naar te top toe vertakte, bruinrode, gegroefde stengel. De donkergroene, verspreid staande bladen zijn langwerpig en bochtig veerdelig met stompe, afgeronde, onregelmatig getande slippen en een stompe eindlob (bij het Viltig Kruiskruid (Senecio erucifolius) zijn de zijslippen en de eindlob spits); de onderste bladen (soms in een rozet) zijn gesteeld en vaak tegen de bloeitijd verdord, terwijl de bovenste kleiner, sterker gedeeld en met de voet stengelomvattend zijn. De helder gele, margrietachtige bloemhoofdjes, 15 – 25 mm doorsnede, staan in grote, vertakte, vlakke trossen of tuilen bij elkaar. Ieder bloemhoofdje heeft 60 tot 80 buisbloemen en 12 tot 25 lange, uitstaande straal- of lintbloemen. De weinige lijnvormige omwindselbladen zijn identiek, overlappend en zwart gepunt. De vruchten van de buisbloempjes zijn behaard, maar die van de lintbloemen zo goed als kaal. De plant is een pioniersplant en verspreidt zich snel dordat een volwassen plant 75.000 tot 200.000 zadjes kan produceren, die op open plekken in het gras of de berm gemakkelijk kunnen ontkiemen. De zaadjes worden door het zaadpluis met de wind meegevoerd. Het Jacobskruiskruid komt bij ons en in heel Europa behalve het Hoge Noorden algemeen voor. We vinden ze vooral terug in overbeweid grasland, langs wegen en dijken, bosranden en op open zand (zoals hier) in de duinen (op deze laatste plaats meestal zonder straalbloemen). Als weide onkruid kan het soms lastig worden, omdat het door het vee wordt gemeden. Het bevat alkaloîden die bij paarden tot ernstige , met leverbeschadigingen verbonden vergiftigingen hebben geleid. Ook in gedroogde toestand (hooi) blijft de giftige werking kennelijk bewaard en dan wordt de plant niet meer aan zijn geur door de dieren herkend en gemakkelijker opgegeten. De bloeitijd loopt van juni tot in oktober. De plant dankt zijn naam aan het feit dat hij rond St. Jacob (25 juli) bloeit. Vroeger was dat de dag dat men over het algemeen met het maaien van de onbemeste graslanden begon, wat slechts éénmaal per jaar gebeurde. Een kruiskruidsoort die veel op het Jacobskruiskruid lijkt is het bij ons plaatselijk algemene Smalbladig of Viltig Kruiskruid (Senecio erucifolius) (zie hierboven). Nog een verschil tussen de beide soorten is de wortel : bij het Jacobskruiskruid dringt de wortelstok als een penwortel recht naar beneden in de aarde door, terwijl de wortelstok van het Smalbladig Kruiskruid onder de grond voortkruipt. Maar wie graaft er nu om te determineren een plant uit ? Men kan dus beter kijken naar de smallere slippen van de veerdelige bladen om te wten dat men met het daarnaar genoemde ‘Smalbladig’ Kruiskruid te maken heeft. Om het nog wat moeilijker te maken, noteren we ok nog even dat de beide soorten kruisen als ze nast elkaar voorkomen. En ja hoor, tenslotte komen we rond 16u22 op de drukke Charles Decosterlaan uit. Aan de overkant leidt een breed pad ons verder noordwaarts, maar nog steeds moeten we onze bekende roodwitte richtingwijzers missen. Langs een groot gebouw wandelen we voorzichtig verder het bos in en dan kunnen we een zucht van verlichting slaken. Aan onze rechterzijde prijkt er plots een GR-teken op een boom. Het wijst ons een pad aan dat hier recht het St. Annabos ingaat. Gelukkig maar, want de zon begint erg te steken op mijn kale hoofd en ik verlang al even naar wat schaduw. Het Sint Annabos was oorspronkelijk een polderlandschap, waar de mens land won op de Schelde, toen die nog een enorme vlaktestroom was. Reeds vanaf 1150 wordt hier zo land gewonnen op het water. Het gebied werd vervolgens sinds 1894 in de loop der jaren opgehoogd en in afwachting van het bouwen van meerdere appartementsblokken en om de grond te ontwateren werd in 1950 een bos aangeplant, voornamelijk van populieren. Het bos is ondertussen al wat verouderd en de grond is arm aan mineralen Op het ogenblik dat wij er nu dus doorlopen, is er nog volop sprake van de Oosterweelverbinding en zou de befaamde tunnel, die daar deel van uitmaakt hier ergens onder de grond verdwijnen om ter hoogte van het Noordkasteel op de rechteroever terug boven de grond te komen (vandaar dus dat we veronderstelt worden van hier niet te zijn, maar de omleiding te volgen , die zich meer naar het oosten bevindt. Sorry, jongens !) . Men zou dus het bos na de bouwwerken helemaal terug vernieuwen en herinrichten. Ondertussen weten we dat door het recente referendum het befaamde Oosterweel-project afgeschoten is, dus wat nu met het St. Annabos ? (Maar daar wisten we de 1e augustus 2009 nog niets van.) Op dit moment zijn we al blij dat we uiteindelijk toch de (oude) GR teruggevonden hadden, en maar gelukkig ook, want de roodwitte strepjes leiden ons hier kriskras door het dichte bos. Ik denk niet dat we zonder die leidraad de juiste weg zouden gevonden hebben. We merken wel dat het pad hier en daar wel erg overgroeid geraakt is, en soms moeten we een omgevallen boom ontwijken door even de wildernis in te gaan. Met het zonnige weer in het vooruitzicht hebben we alle drie een korte broek aan, en dat hebben we nu geweten, want de ondergroei in het St. Annabos bestaat voornamelijk uit ... brandnetels !! De Grote Brandnetel (Urtica dioica) behoort niet verwonderlijk tot de Brandnetelfamilie (Urticaceae). Hiertoe behoren voornamelijk kruiden met ongedeelde bladen en vaak brandharen. Ze hebben mannelijke en vrouwelijke bloemen, die zelden op dezelfde en meestal op verschillende planten (tweehuizig) staan. Het belangrijkste kenmerk van deze plant is natuurlijk dat ze brandharen hebben op de stengels en bladen. Het netelmechanisme van de plant is eenvoudig. De brandhaar heeft een als ampul opgezwollen voet, die in een verdikking van de bladopperhuid staat. Naar de top toe wordt de haar dunner en gaat dan na een scheve, zeer dunne zone in een scheef opgezet knopje over. De top is met kiezelzuur versterkt, de rest van de haarwand met kalk. Als het kopje wordt aangeraakt, breekt dit af en de scherpe, scheve spits komt vrij. Deze prikt in de huid en het natriumformiaat, het eiwit histamine en de prikkelstof acetylcholine komen in de wond en veroorzaken het branderige gevoel. Als men dus de plant aanraakt, breken de punten van de brandharen, die men overal op de brandnetel aantreft, af waardoor een zuur vrijkomt dat de brandende pijn en jeukbulten veroorzaakt. De 50 tot 150 cm lange stengels zijn vertakt of onvertakt, met kruipende wortelstokken. De bladen zijn kortgesteeld, getand, tegenoverstaand en lancet- tot hartvormig. De 4- tot 5-tallige mannelijke en vrouwelijke bloemen zitten dus meestal op verschillende planten, de mannelijke in een lange, hangende aar en de vrouwelijke in kleine trosjes. De mannelijke bloeiwijzen staan opwaarts of horizontaal gericht na de stuifmeelafgifte. De mannelijke bloem heeft 4 bloemdekbladeren en 4 meeldraden. Voor de verspreiding van het stuifmeel worden de meeldraden naar binnen gebogen gehouden totdat ze volkoen rijp zijn. Dan worden ze met een ruk losgelaten, waardoor het stuifmeel in de lucht wordt geworpen en op de in de buurt zijnde vrouwelijke bloemen terechtkomt. De vrouwelijke bloeiwijzen hangen na de bevruchting naar beneden en elke bloem heeft 4 ongelijke bloemdekbladeren. De vrucht is een kleine dopvrucht. De Grote Brandnetel is een overblijvende plant, terwijl zijn zusje de Kleine Brandnetel (Urtica urens) een eenjarige plant is met een kleiner blad, die op drogere platsen voorkomt. Bij ons komt de plant zeer algemeen voor op stikstofrijke plaatsen. De bloeitijd is van juni tot in september. De brandnetel is niet alleen een vloek voor de landbouwer ... en onze blote benen, maar men gebruikte vroeger de bast van de plant om er stof uit te weven. Jonge planten werden (en worden nog) gegeten en de grote Brandnetel diende ook als medicijn. We moeten er toch door, dus we zetten er flink de pas in en wandelen in snel tempo verder. Na het bos wandelen we nog even door een soort van park en tenslotte komen we via een parking terug in de beschaving uit. Nog enkele meters en we staan na een lange omzwerving door geheel Vlaanderen terug aan de brede Schelde. Het is 16u50 en we zetten ons even neer op de groene oever van de stroom. De drukte achter ons op de Wandeldijk deert ons niet echt en we leggen ons even neer op onze rug en laten onze benen even uitrusten. Onze Jan tovert uit zijn rugzak nog een blikje frisdrank en die wordt dan ook in een mum van tijd soldaat gemaakt. Aan de overzijde van het water kunnen we de industriezone van Antwerpen bewonderen, maar er is ook wat groen te zien ter hoogte van het Noordkasteel Domein. Een politieboot vaart voor ons langs, terwijl een grote duwboot zijn vracht stroomafwaarts stuurt. Na een kwartiertje pakken we ons boeltje terug bij elkaar en beginnen aan onze laatste etappe. We volgen de wandeldijk, terwijl links van ons op het witte St. Annastrand nog heel wat mensen aan het zonnen zijn. Zo komen we bij de befaamde molen, die hier al vele jaren staat en oorspronkelijk vanuit Limburg naar hier gebracht is. Het is ondertussen een befaamd herkenningspunt geworden op de Linkeroever. Niet alleen dat, maar vanaf hier maakt de Schelde ook nog een bocht van meer dan 90 graden en stroomt dan zuidwestwaarts verder. Al snel komen we voorbij de jachthaven, waar trouwens mijn schoonbroer zijn zeilboot legt elke winter. Nu is hij er echter niet, want de rest van het jaar heeft hij zijn ligplaats in Bruinisse in Zeeland. Aan de overkant van de stroom begint zich de skyline van Antwerpen zelf meer en meer te manifesteren. Het eerste gebouw dat ons opvalt is de rode monoliet van het Museum aan de Stroom of het MAS. Het werd gebouwd op de plaats van het verdwenen Hanzehuis (een huis dat van 1564 tot 1568 gebouwd werd in opdracht van de Duitse Hanzesteden en vooral diende als opslagplaats voor handelswaren) en ziet eruit als een reusachtig pakhuis. De bedoeling is dat het natuurlijk geen stapelhuis is in de oude zin van het woord , dus van goederen, maar een stapelhuis van het verleden, van objecten, van verhalen over de stad en de mensen die er woonden en nog wonen. Iets verder steekt het neo-gothische Loodswezengebouw van 1895 ook al zijn ranke toren in de lucht. Na rond de jachthaven te zijn gewandeld komen we terug wat dichter langs de Scheldeoever . We merken dat we bijna ons eindpunt bereikt hebben, als respectievelijk de St. Pauluskerk, de Boerentoren en de prachtige, imposante OLV kathedraal in zicht komen. De GR voert ons nog wat door enkele parkjes langs de linkeroever en brengt ons tenslotte bij een brede panoramafoto, waar we een mooi overzicht hebben van de stad aan de andere kant van de stroom. Zo kunnen we ook nog de Politietoren en de ingang van de St. Anna voetgangerstunnel aan de stadskant van de Schelde onderscheiden. Het tweelinggebouw van die tunnel op deze oever hebben we dan ondertussen ook bereikt en darmee is de Wandelronde Vlaanderen eindelijk gesloten. Het is 17u30. We nemen nog enkele foto’s onder de oude GR-richtingwijzer, die zoals we merken in de loop van de voorbije 8 jaren wel wat van zijn glans verloren heeft. Sommige letters zijn nog maar amper te ontcijferen. We stappen nog enkele meters verder naar de Taverne Retro Café en zetten ons even op het terras neer om naar goede gewoonte het einde van de tocht te vieren met een frisse pint. We merken ondertussen dat het hier op de Beatrijslaan een drukte van jewelste is. Er lopen en fietsen hier heel wat sportievelingen heen en weer. Dit weekend wordt hier het Antwerpen Ironmen weekend georganiseerd. Dat brengt hier heel wat drukte met zich mee en de meisjes hebben dat geweten. Met veel moeite hebben ze wat verder op de Blanceflourlaan nog een parkeerplaats kunnen vinden voor mijn Ford. Dit weekend worden hier meer dan 1000 triatleten uit heel de wereld verwacht , waronder de volledige Belgische top. De eigenlijke Antwerp Ironman of de Marc Herremans Classic (een halve triatlon) vindt eigenlijk morgen plaats (en zal voor de derde keer op rij gewonnen worden door Marino Vanhoenacker bij de mannen en door Sofie Goos bij de vrouwen). Vandaag is er hier op de Linkeroever een Iron Kid voor de kinderen, een Iron Relay voor bedrijven en groepen en een Iron Sprint. We zien regelmatig min of meer vermoeide atleten en atletes voorbij ons terras komen lopen. Het zwemgedeelte speelt zich af in het Galgenweel. Rond 18u betalen we de rekening en gaan we op zoek naar de auto, die we in een gezonde staat weervinden op de afgesproken plaats. Via de Kennedytunnel rijden we in 20 minuutjes terug naar de Hoge Akker in Kontich kazerne, waar we in de tuin een prachtig opgediende tafel aantreffen, waar we ons tegoed doen aan een heerlijk avondmaal. Tijdens de maaltijd overlopen we nog eens de voorbije 8 jaren en de vele, mooie uren die we wandelend doorgebrach hebben doorheen ons moie Vlaanderenland. Je moet de schoonheid van de natuur niet altijd ver weg gaan zoeken. Terwijl bij wijze van spreken in je achtertuin er ok nog zo een mooie dingen te zien zijn ! Vlaanderen is één van de dichtst bevolkte streken op aarde, maar de GR verantwoordelijken en al die mensen die ten velde hun best doen om ons wandelaars het mooie van onze streken te doen zien, zijn in dat laatste volgens ons heel goed in geslaagd. Proficiat ! Het was zeker de moeite waard !!