Zuid Franrijk

 

 

 

 

 

 

 

 

Gele Gentiaan ( Gentiana Lutea)

De gele gentiaan valt op door zijn lengte (tot 150 cm hoog) en zijn felgele bloemen. Deze staan per 3 tot 10 in de oksels van de grote, schelpvormige, gladde bladen. Hij komt voor tot hoogtes van soms wel 2500 m. Hoewel hij als vrij zeldzaam wordt beschreven, omdat hij niet alleen als geneeskruid wordt uitgegraven, maar ook omdat de tot 7 kg zware wortelstok gebruikt wordt voor de bereiding van sterke dranken en likeuren (gentiaanbitter), komen we hem meermaals tegen.

 

 

4. Monnikskap ( Aconitum Vulparia)

Evenals zijn blauwe soortgenoot is de gele monnikskap een flinke plant, die tot 150 cm hoog kan worden. Met zijn vele, gele in trossen geplaatste bloemen valt hij fel op. De bloemen hebben een vrij smalle helm, die duidelijk anders van vorm is als die van de blauwe monnikskap. De bevruchting gebeurt uitsluitend door hommels, maar deze ontvluchten soms hun taak door aan de basis van de bloem een opening te maken en zo bij de nectar te komen. Alleen hommels kunnen dit truukje toepassen, omwille van hun grote kaken. Belangrijk om te weten is wel dat de gele monnikskap zeer giftig is; vooral de wortelstok, maar ook de bladeren, zodat het vee er doorgaans afblijft. Deze plant groeit vooral in vochtige weiden of op hellingen met veel afwatering.

 

 

Alpenaster ( Aster alpinum)

De asters zijn leden van de enorm grote Composietenfamilie (Compositae) of Samengestelde Bloemen. Het belangrijkste uiterlijke kenmerk van deze familie is gelegen in de bloeiwijze : elke ‘bloem’ bestaat uit een aantal kleinere bloempjes, die zelf meestal geen duidelijke kelk bezitten. Ze worden bijeengehouden door een krans van blaadjes, die omwindsel heet. Het geheel heet ‘bloemkorfje’. De Alpenaster gelijkt op een grote, blauwe margriet. De bloeitijd valt van juli tot september. Het is een 5 tot 15 cm hoge overblijvende plant met gaafrandige, , donzig behaarde bladeren. De alpenaster groet liefst in groepjes op een schrale bodems en tegen rotshellingen. Het is een indicator voor kalkrijke bodem en we vinden ze op hoogtes van 800 tot 2800 m. Ze komt voor in alle Europese gebergtes tot in Siberië, maar ook in Noord-Amerika.

 

 

Berghuislook ( Sempervivum montanum)

Dit lid van de Vetplantenfamilie (Crassulaceae) komen we in de Alpen regelmatig tegen. Deze familie bevat planten met dikke, sap-opsparende (=succulente, van succus = sap). Ze groeien meestal op droge plaatsen (duinen, woestijnen, hooggebergte, muren), doordat ze een voedselreserve hebben in hun bladeren. Ze blijven soms zelfs nog doorbloeien, nadat ze geplukt zijn. Het geslacht Huislook (Sempervivum) bezit gaafrandige, vlezige bladen in dichte, bolronde (om de oppervlakte te beperken) rozetten, bloemen met 6 tot 20 kelk- en kroonbladen en 12 tot 40 meeldraden. De uitlopers van de rozetten groeien uit tot nieuwe rozetten; de bloemen zijn rozerood en 2 tot 3 cm groot. Ze blijven meestal tot een dichte tros opeengehoopt. In de bergen komen we vooral 2 soorten tegen : de S. arachnoïdeum (Spinneweb-huislook) en de S. montanum (Berghuislook). We komen deze soort vooral tegen in kalkarme massieven op een hoogte van 1500 tot 3000 m, maar alleen in de Alpen, de Corbières en de Pyreneeën.11. Berghuislook (Sempervivum montanum) : Dit lid van de Vetplantenfamilie (Crassulaceae) komen we hier regelmatig tegen. Deze familie bevat planten met dikke, sap-opsparende (=succulente, van succus = sap). Ze groeien meestal op droge plaatsen (duinen, woestijnen, hooggebergte, muren), doordat ze een voedselreserve hebben in hun bladeren. Ze blijven soms zelfs nog doorbloeien, nadat ze geplukt zijn. Het geslacht Huislook (Sempervivum) bezit gaafrandige, vlezige bladen in dichte, bolronde (om de oppervlakte te beperken) rozetten, bloemen met 6 tot 20 kelk- en kroonbladen en 12 tot 40 meeldraden. De uitlopers van de rozetten groeien uit tot nieuwe rozetten; de bloemen zijn rozerood en 2 tot 3 cm groot. Ze blijven meestal tot een dichte tros opeengehoopt. Er zijn enkele verschillende soorten in deze familie : in onze streken is de S. tectorum (of gewone huislook of dakhuislook) bekend. Ze wordt bij ons, zoals de naam al aangeeft, dikwijls in rotstuintjes en op daken en muren geplant (bijgeloof wil dat ze daar beschermt tegen blikseminslag). In de bergen komen we vooral 2 soorten tegen : de S. arachnoïdeum (Spinneweb-huislook) en de S. montanum (Berghuislook). De eerste soort onderscheidt zich van de tweede doordat er zich meestal een netwerk van vezelige draden (spinneweb) tussen de bladtoppen bevindt. Doordat we deze laatste eigenschap niet bemerken, hebben we hier waarschijnlijk toch met de berghuislook te maken. We komen deze soort vooral tegen in kalkarme massieven op een hoogte van 1500 tot 3000 m, maar alleen in de Alpen, de Corbi7res en de Pyreneeën. Ze zijn wettelijk beschermd. De rozetten worden door stormen of steenval soms losgerukt en rollen dan bergafwaarts, tot ze ergens blijven liggen. Hoe ze ook neerkomen, ze vormen steeds wortel, die zich naar de grond richten en die het rozet later in de goede stand trekken (= vegetatieve voortplanting). De soorten vermengen zich echter gemakkelijk en zo ontstaan kruisingen van 2 en soms zelfs 3 soorten. De latijnse geslachtsnaam ‘sempervivum’ wijst er natuurlijk op dat deze overblijvende planten ‘altijd-levend’ zijn, dat wil zeggen dat ze ook in de winter of bij grote droogte groene bladeren blijven dragen. De soortnaam ‘montanum’ behoeft hier zeker geen uitleg.

 

 

 

1. Smalbladig Wilgeroosje (Epilobium angustifolium)

Met zijn lengte van soms wel 1,5 m en zijn vele bloemen met roze tot roodachtige kelkbladeren, is het niet moeilijk om hem op te merken. Daarbij komt dat hij dikwijls in grote groepen bijeen staat. Hij breidt zich namelijk uit door middel van een dikke, kruipende, houtige wortelstok en kan soms kale plekken in een bos (hij heeft veel licht nodig), die zijn voorkeurplaatsen zijn, helemaal bedekken. Hij vormt voortdurend verticale stengels uit deze wortelstok, zodat andere planten geen kans krijgen om op te komen. Opmerkelijk isook het lange pluis op de zaden, dat ervoor zorgt dat de vruchten over een grote afstand door de wind kunnen verspreid worden.

 

 

 

2. Dodenwaad (Veratrum album)

Maar van één bepaalde plant blijken ze wel af te blijven. Eerst dacht ik dat het de gele gentiaan weer was, maar nu zie ik er ook enkele met de bloem er nog op en het is het Veratrum album of in het nederlands Dodenwaad of witte Nieswortel. De bloemen staan in dit geval in een eindstandige pluim en zijn groenachtig wit. De bladeren trekken op die van de gele gentiaan, maar staan verspreid en niet kruisstandig, en zijn daarenboven licht behaard. Hij kan ook een indrukwekkende 1,5 m hoog worden en bevat giftstoffen (alkaloïden, waarvan de kwaadaardigste het protoveratrine is), die ervoor zorgen dat het vee de plant niet opeet

 

 

 

3. Blauwe Monnikskap (Aconitum napellus)

Een vrij grote blauwviolette bloem trekt onze aandacht; het is een prachtexemplaar van de blauwe monnikskap (Aconitum napellus), ook Casque de Jupiter genoemd in Frankrijk. Vele bloemen staan in een dichte tros bij elkaar boven aan de stengel en het bovenste bloemdekblad heeft inderdaad een beetje de vorm van een helm en de plant kan tot 150 cm hoog worden, hoewel de onze hier maar hoop en al tot een 50 cm komt. Oorspronkelijk was het niet veel meer dan een onkruid, maar het is tenslotte bevorderd tot een sierplant, en terecht. Het bevat echter zeer veel acotinine, dat al sinds de oudheid als gif gebruikt wordt.

 

 

 

5. Europese trollius (Trollius europaeus)

een plant die we al een paar maal tegen zijn gekomen de voorbije dagen. Het is een lid van de ranonkelfamilie (Ranunculaceae), maar in tegenstelling tot vele van zijn familieleden, zoals onder andere de boterbloem, die erg op elkaar treken, is de trollius gemakkelijk te herkennen aan zijn bloem, die vrij bolvormig is en nogal groot (tot 3 cm in doorsnede). Daarenboven gaan de bloembladen niet ver openstaan. De bloem is met zijn 60 cm hoogte één van de grootste ranonkelachtigen en komt in bijna elk gebergte in Europa voor, van Frankrijk tot aan de Kaukasus. De trollius is goed bestand tegen een streng klimaat en is zwak giftig van nature, zodat het vee de plant gerust laat. Waar de naam trollius vandaan komt is nog een raadsel; enkele mogelijkheden zijn : de ‘troll’ uit de noorse sagen, een dialectwoord voor ‘rond voorwerp’ (cfr. drol) of van het latijn ‘trulla’ (= ronde wijnscheplepel)

 

 

 

6. Turkse lelie (Lys martagon)

Het is naar mijn smaak de mooiste plant die we deze vakantie tegengekomen zijn. De dikwijls meer dan 1 meter hoge stengel wordt in de zomer bekroond door vele knikkende, in een losse tros staande, vleeskleurige, gevlekte, rode bloemen, waarvan de openstaande exemplaren doen denken aan een tulband, vandaar de nederlandse benaming. Hij komt voort uit een eivormige, goudgeel geschubde bol (zoals de meeste lelie-achtigen) en komt praktisch alleen in de Alpen voor, tot op een hoogte van 2600 m. De eivormige, gaafrandige bladeren staan in kransen rond de stengel. Daar de bloemen naar beneden hangen, kunnen de insecten er niet op landen om de nectar te bekomen, maar ze worden bezocht door nachtvlinders (o.a. de ‘pijlstaart’), die dus zorgen voor bevruchting.

 

 

 

7. Landkaartkorstmos (Rhizocarpon geographicum)

Hoewel men het ook lager kan aantreffen, komt het vooral voor boven 600 m in het gebergte. Het gele of in dit geval groengele thallus wordt door zwarte lijnen omgeven en het dankt zijn naam aan het feit dat het geheel lijkt op een landkaart

 

 

 

8. Alpenkruisdistel (Eryngium alpinum)

De Chardon Bleu (des Alpes) is een blauwgroene onbehaarde bloem, waarvan de bloeiwijze omringd is door een dichte kraag van stekelige, paarsblauwe schutblaadjes. Normaal komt ze voor tot op een hoogte van 2500 m, maar ze wordt veel geplukt en is nu in veel streken zeldzaam en daarom beschermd.

 

 

 

9. Veenpluis (Eriophorum angustifolium)

De plant behoort tot de plantesoort wollegras van de Cypergrassenfamilie (Cyperaceae). Deze familie verschilt van de Grassenfamilie (Gramineae) door het bezit van een met merg gevulde; driekantige stengel en het ontbreken van een vliezig tongetje bij het blad. In vochtige gebieden (venen, moerassen, …) zoals deze, vormen deze bloemen een opvallende verschijning. De bloeiwijze van het veenpluis bestaat uit een aantal gesteelde, overhangende aartjes. De bloem bestaat slechts uit drie meeldraden en een vruchtbeginsel met stempels; kelk en kroon ontbreken, maar de witte haartjes (die oorspronkelijk het vruchtbeginsel aan de voet omringden) vervangen deze. Tijdens de rijpingsperiode groeien deze laatste zeer sterk in lengte en vormen dan het bekende wolpluis. Aan de deze keer toch ronde stengel staan smalle, platte bladeren die in een driekantige punt uitlopen. De bloeitijd is april-juni en pas in de zomer heft de stengel zich tot een halve meter op en draagt de witte wolballetjes. De plant komt (ook bij ons) steeds minder voor omdat men steeds meer nattige gebieden tot goede weiden wil omvormen door ‘ontwatering’.

 

 

 

10. Stekelige Vederdistel (Cirsium spinosissimum)

De stekelige vederdistel is een flinke, overblijvende plant. Uit een wortelstok ontspringt een gewoonlijk, onvertakte 50 tot 120 cm hoge stengel, die aan de top bezet is met geelgroene, veerspletige doornachtig-getande bladeren. De naam ‘distel’ is een oude volksnaam van indogermaanse oorsprong en kan zowel ‘spits’ als ‘steken’ betekenen. Daardoor vind men de naam ‘distel’ bij alle mogelijke stekelige of prikkende planten. Onder de naam distel behiren wel 4 geslachten : Carduus (distel), Silybum (Mariadistel), Onopordon (wegdistel) en Cirsium (vederdistel). Tot dit laatste geslacht behoort de ook bij ons – tot wanhoop van vele landbouwers – voorkomende akkerdistel (Cirsium arvense). De vederdistel onderscheidt zich van de gewone distel (Carduus) , doordat de haren van de haarkroon geveerd zijn en die van de gewone distel zijn enkelvoudig. De Cirsium spinossissimum is één van de weinige distelsoorten met gele bloemhoofdjes, terwijl het merendeel paarse of purperen hoofdjes heeft. Aan de naam te zien is deze soort wel de ‘meest stekelige’ van alle distels. Desondanks heeft deze zeer weerbare plant toch een bijzondere schoonheid. Zoals de meeste distelsoorten in de graslanden boven de boomgrens bastardeert ze gemakkelijk met andere soorten van zijn geslacht (bv. De viltige vederdistel of Cirsium heterophyllum), en die bastaarden zijn nog vruchtbaar ook. De bevruchting gebeurt door indescten (kevers, vliegen, bijen en vlinders). De bloeitijd valt van juli tot september. We vinden ze meestal in groepen in weiden, puinvelden en bergkloven van 1600 tot 3000 m hoogte. Hier is ze van belang, doordat ze de ondergrond vastlegt. De soort is ontstaan in de Alpen en ook beperkt tot deze streek. De volwassen planten worden door het vee als voedsel gemeden (niet verwonderlijk !) en door de boeren als ongewenst weide-onkruid bestreden. Alleen slakken kunnen de plant soms helemaal opeten.

 

 

 

12. Purperen Gentiaan (Gentiana purpurea)

Deze plant is eveneens een lid van de Gentiaan-familie (Gentianaceae), zoals de gele gentiaan (Gentiana lutea), die we vroeger al ontmoet hebben en ook vandaag nog meermaals zullen tegenkomen. De bloemen van de leden van de Gentiaan-familie hebben meestal een vergroeidbladige bloemkroon. Ze zijn meestal 5, maar soms ook 4- tot 8-tallig en hebben een éénhokkig vruchtbeginsel, waarin aan 2 kanten de zaadknoppen zitten. De bladeren staan kruisgewijs. De meeste gentianaceëen zijn bergplanten en hebben grote, mooie bloemen, die druk door insecten worden bezocht. Alleen hommels of vlinders zorgen voor de bestuiving, behalve bij de gele gentiaan, die als enige van de familie geheel blootliggende honing heeft. Ze zijn over heel de wereld vertegenwoordigd, vooral in de gematigde streken. De Gentiana purpurea is echter veel kleiner dan zijn gele broer (of zuster); ze is slechts van 30 tot maximum 50 à 60 cm hoog (tegenover 150 cm bij de gele gentiaan), en kan slechts echt geïdentificeerd worden , als ze in bloei staat. Want ze trekt erg veel op een andere soort van de familie : de Gestippelde Gentiaan (Gentiana punctata). In de bloeiperiode echter (van juli tot september, afhankelijk van de hoogte) krijgt ze een prachtige bloem, die aan de buitenkant purperrood en van binnen geel is. Verder hebben ze ovale 5 – 7 nervige bladen, waarvan de onderste spits en gesteeld en de bovenste zittend zijn. De bloemen staan in de bladoksels. De kelk is buisvormig en onderscheidt zich van de gestippelde gentiaan, doordat ze aan één zijde gespleten is tot op de basis. Ze bloeit nogal laat (augustus – september) en verspreidt dan een heerlijke geur. De purperen gentiaan heeft een kalkarme, voedselrijke bodem nodig en groeit op alpenweiden tussen 1500 en 2500 m hoogte. Het areaal strekt zich uit in de westelijke Alpen, voornamelijk in Zwitserland en Frankrijk, en in dat laatste land vooral van de Haute Savoie en de Savoie tot in de Vanoise (lac de la Plagne). De Beaufortin (!) en de Chamonix-vallei hebben flinke populaties. In Frankrijk komen er vele hybriden voor, doordat de soort zich vermengt met haar buren, de gele en de gestippelde gentiaan, die de zaden leveren. Deze hybriden vinden we vooral in de Vanoise. De gentianen zijn bekend om hun bittere wortels (bitterroot, Bitterwort) en deze worden in de herfst dan ook veel verzameld en gedroogd. De wortel wordt medicinaal gebruikt als een digestief.

 

 

 

13. De Zwarte Vanille orchis ( Nigritella nigra)*

De Zwarte Vanille orchis (of Nigritella nigra) lijkt eigenlijk in het geheel niet op het klassieke beeld dat we hebben van een orchidee. Het is een eerder kleine bloem (tot 25 cm lang) met een eerst kegelvormig, en later bolvormig aartje (0,5 cm) en talrijke lijnvormige, spitse bladeren. Vooral de donker zwartachtig-paarse kleur van de bloem valt op. Verder zou ze dus ook naar vanille ruiken, maar dat is me niet opgevallen. Zoals de andere orchideeën heeft ook deze orchis een knol als wortel. Ze komen meestal voor op droge weiden en schrale grasvlakten op een hoogte tussen 1000 en 2800 m in de Alpen. Ze bloeien van mei tot in september. Deze plant heeft ook een roze variëteit en in de oostelijke Alpen een roodbloeiende variant (Nigritella rubra). De vanille geur zou ook op de melk van het vee overgaan,als ze deze zouden eten, maar het plantje wordt (gelukkig meestal gemeden door de dieren). Het is een vrij zeldzame bloem.

 

 

 

14. Berg-Nagelkruid (Geum montanum)*

Dit kleine bloempje behoort tot de Rozenfamilie (Rosaceae). Op een niet erg lange stengel (5 – 40 cm) staat meestal slechts één bloempje (2 – 4 cm breed). De bloemen hebben 5 of soms 6 heldergele kroonbladen. De bladeren zijn afgebroken geveerd, de blaadjes getand en de eindblaadjes gelobd. Ze bloeien van juli tot oktober. De vruchtjes vormen met hun behaarde en verlengde stijlen een ruige pruik (in het Duits heet de bloem daarom ‘Petrusbart’). Ze komen vooral op arme steengrond voor, maar ook in weiden, alleen in de Alpen tussen 1000 en 3000 m hoogte. Ze groeien meestal op een beschutte plaats, omdat ze gevoelig zijn voor uitdroging en vrieskoude.

 

 

 

15. Grote Muggenorchis ( Gymnadenia conopsea)*

De bloemen staan in een smalle, puntige en lange (15 cm) aar en zijn roze-paars. Ze zijn welriekend (vooral op de middaguren) en vrij klein (circa 1 cm in doorsnede). Drie bloembladen neigen samen en de andere staan zijdelings of naar beneden gericht. De lip is wigvormig, breder dan lang en met 3 stompe, vrijwel gelijke lobben. Het spoor is draaddun en bijna 2 maal zolang als het vruchtbeginsel. Het lange spoor en de 2 afstaande buitenste bloemdekslippen deden Linnaeus, de bekende Zweedse botanist, aan muggen (konops is het Grieks voor mug) denken De bloemen lokken vooral vlinders en andere insecten met een lange roltong. Wanneer een insect op zoek naar nectar met zijn tong het spoor binnendringt, hecht het pollinium (=stuifmeelklompje) zich met een opzij aan de steel zittend kleefschijfje op zijn kop vast. Wanneer het dier zich uit de bloem terugtrekt, rukt het het pollinium uit en neemt het mee naar de volgende bloem. Het pollinium draait zich dan zo, dat het bij het binnendringen in de volgende bloem op de stempel wordt gedrukt. Er zijn 6 tot 9 bladen, die ongevlekt zijn (bij de mannetjesorchis zijn ze gevlekt). De onderste zijn langwerpig-lancetvormig, gekield en wat gevouwen, terwijl de hoger geplaatste kleiner en smaller zijn. De stengel is 15 tot 60 cm lang. De knollen, vanwaar de orchidee zijn naam heeft (orchis = teelbal) zijn handvormig met 3 tot 6 vingers. We vinden ze terug op grazige plaatsen, in moerassen, duinvalleien en bossen en ze staan in bloei van mei tot juli. Ze komen in heel Europa voor. In Nederland zeldzaam, maar in België komen ze in de kalkstreken nog veel voor. In de Alpen vindt men hem tot in de zone boven de boomgrens.

 

 

 

16. Welriekende nachtorchis (Platanthera bifolia)*

Het is een plant met de voor orchideeën zo kenmerkende prachtig gevormde bloemen, die in mooie trossen aan de top van de stengel staan. De plant zelf is vrij groot (20 tot 50 cm hoog) en heeft een kantige stengel. De 2 bladeren zijn breed eivormig en tegenoverstaand en staan aan de voet van de stengel en de eventueel hoger geplaatste zijn veel kleiner en schubachtig. De bloemen zijn groot en wit tot geelachtig groen en lijken met wat fantasie op een vlinder. 3 bloemdekbladeren buigen helmachtig samen, 2 staan zijdelings gericht en de tongvormige lip hangt ongedeeld en met een bocht 1 tot 1,5 cm naar onderen. De voor orchideeën kenmerkende spoor is zeer smal (draadvormig) en lang en bijna horizontaal gericht. Men kan duidelijk zien dat ze soms tot halverwege gevuld is met vloeistof (nectar). Vooral de bloemen van de P. bifolia geuren in de schemering heel sterk (naar Lelietjes-van-dalen). Door deze geur worden nachtvlinders, vooral uiltjes, aangetrokken, die met hun lange roltong tot aan de top van de 2 cm lange spoor kunnen komen. Men vindt ze bijna overal in Europa tot in Siberië in bossen, op grazige plaatsen en in heiden van mei tot juli.

 

 

 

14. Berg-Nagelkruid (Geum montanum)*

Dit kleine bloempje behoort tot de Rozenfamilie (Rosaceae). Op een niet erg lange stengel (5 – 40 cm) staat meestal slechts één bloempje (2 – 4 cm breed). De bloemen hebben 5 of soms 6 heldergele kroonbladen. De bladeren zijn afgebroken geveerd, de blaadjes getand en de eindblaadjes gelobd. Ze bloeien van juli tot oktober. De vruchtjes vormen met hun behaarde en verlengde stijlen een ruige pruik (in het Duits heet de bloem daarom ‘Petrusbart’). Ze komen vooral op arme steengrond voor, maar ook in weiden, alleen in de Alpen tussen 1000 en 3000 m hoogte. Ze groeien meestal op een beschutte plaats, omdat ze gevoelig zijn voor uitdroging en vrieskoude

 

 

 

 

15. Grote Muggenorchis ( Gymnadenia conopsea)*

De bloemen staan in een smalle, puntige en lange (15 cm) aar en zijn roze-paars. Ze zijn welriekend (vooral op de middaguren) en vrij klein (circa 1 cm in doorsnede). Drie bloembladen neigen samen en de andere staan zijdelings of naar beneden gericht. De lip is wigvormig, breder dan lang en met 3 stompe, vrijwel gelijke lobben. Het spoor is draaddun en bijna 2 maal zolang als het vruchtbeginsel. Het lange spoor en de 2 afstaande buitenste bloemdekslippen deden Linnaeus, de bekende Zweedse botanist, aan muggen (konops is het Grieks voor mug) denken De bloemen lokken vooral vlinders en andere insecten met een lange roltong. Wanneer een insect op zoek naar nectar met zijn tong het spoor binnendringt, hecht het pollinium (=stuifmeelklompje) zich met een opzij aan de steel zittend kleefschijfje op zijn kop vast. Wanneer het dier zich uit de bloem terugtrekt, rukt het het pollinium uit en neemt het mee naar de volgende bloem. Het pollinium draait zich dan zo, dat het bij het binnendringen in de volgende bloem op de stempel wordt gedrukt. Er zijn 6 tot 9 bladen, die ongevlekt zijn (bij de mannetjesorchis zijn ze gevlekt). De onderste zijn langwerpig-lancetvormig, gekield en wat gevouwen, terwijl de hoger geplaatste kleiner en smaller zijn. De stengel is 15 tot 60 cm lang. De knollen, vanwaar de orchidee zijn naam heeft (orchis = teelbal) zijn handvormig met 3 tot 6 vingers. We vinden ze terug op grazige plaatsen, in moerassen, duinvalleien en bossen en ze staan in bloei van mei tot juli. Ze komen in heel Europa voor. In Nederland zeldzaam, maar in België komen ze in de kalkstreken nog veel voor. In de Alpen vindt men hem tot in de zone boven de boomgrens.

 

 

 

16. Welriekende nachtorchis (Platanthera bifolia)*

Het is een plant met de voor orchideeën zo kenmerkende prachtig gevormde bloemen, die in mooie trossen aan de top van de stengel staan. De plant zelf is vrij groot (20 tot 50 cm hoog) en heeft een kantige stengel. De 2 bladeren zijn breed eivormig en tegenoverstaand en staan aan de voet van de stengel en de eventueel hoger geplaatste zijn veel kleiner en schubachtig. De bloemen zijn groot en wit tot geelachtig groen en lijken met wat fantasie op een vlinder. 3 bloemdekbladeren buigen helmachtig samen, 2 staan zijdelings gericht en de tongvormige lip hangt ongedeeld en met een bocht 1 tot 1,5 cm naar onderen. De voor orchideeën kenmerkende spoor is zeer smal (draadvormig) en lang en bijna horizontaal gericht. Men kan duidelijk zien dat ze soms tot halverwege gevuld is met vloeistof (nectar). Vooral de bloemen van de P. bifolia geuren in de schemering heel sterk (naar Lelietjes-van-dalen). Door deze geur worden nachtvlinders, vooral uiltjes, aangetrokken, die met hun lange roltong tot aan de top van de 2 cm lange spoor kunnen komen. Men vindt ze bijna overal in Europa tot in Siberië in bossen, op grazige plaatsen en in heiden van mei tot juli. Het is altijd weer een plezier van zulk een mooie bloemen te ontdekken.

 

 

 

17. Rood Bosvogeltje (Cephalanthera rubra) *

Weer een mooie en tegelijk tere plant, die toch tot een halve meter hoog kan groeien en deze keer een trosje (eigenlijk een losse aar) heeft van maar een bloem of 4 (kan van 3 – 15 gaan). De bloemen hebben een mooie zachtroze kleur en een witte lip, zijn ongesteeld en staan rechtop. De 5 bloembladen openen zich eerst bijna niet, maar neigen samen en blijven spits. Met enige fantasie kan men dan hierin een vogelkop ontdekken. De onderste bladeren zijn langwerpig en de bovenste lancetvormig, maar allen zijn ze zeer spits toelopend. De stengel (het bovenste deel toch) en de vrucht zijn behaard. De 2 cm lange bloemen worden vooral door bijen bestoven, maar de plant vermeerdert zich vegetatief ook sterk door zijtakken aan de kruipende stengel. Men vindt ze niet al te veel op bosweiden en in niet al te lichte bossen, bijna steeds op iets vochtige, luchtige bladaarde op kalkrijke grond. Ze bloeit van mei tot juli en komt bijna in heel Europa voor. Daar het wat warmte nodig heeft, groeit het in het gebergte zelden boven de 1200 m en wordt in het noorden slechts af en toe aangetroffen. De absolute noordgrens is Denemarken en Zuid-Scandinavië, terwijl zijn verspreidingsgebied vooral in het Missellandse Zeegebied en het Nabije Oosten ligt. In de Lage Landen is deze plant verdwenen. Het Rood Bosvogeltje heeft nog enkele zusjes die er ongeveer hetzelfde uitzien; alleen heeft de ene witte bloemen en de ander - om het moeilijk te maken – geelachtig witte bloemen, en daarom ook heet de eerste Wit Bosvogeltje (Cephalanthera longifolia) en de tweede Bleek Bosvogeltje (Cephalanthera damasonium).

 

 

 

18. Paarse Hengel of Bosweit (Melampyrum nemorosum)*

Naast zijn groene bladeren heeft deze plant niet alleen gele bloemen, maar ook nog helemaal bovenaan lichtpaarse blaadjes, alsof er nog een tweede bloem op de plant zit. Het geslacht Melampyrum of Zwartkoren behoort tot de Helmkruidfamilie of Scrophulariaceae. De planten van deze familie zijn meestal kruidachtig en sommige families ervan zijn gedeeltelijk parasiet of halfparasiet, zoals de Ratelaar, maar ook het Zwartkoren. Ze zuigen voedsel uit de wortels van andere planten, meestal grassen. Ze zijn éénjarig. De bloemen van het Zwartkoren zijn geel van kleur en de 2 cm grote bloemkroon is buisvormig en 2-lippig. De bovenlip is oranje, gewelfd en 2-lobbig en de onderlip is 3-lobbig. Er zijn 4 meeldraden. Bij de Paarse Hengel staan de bloemen in paren in ijle, bebladerde trossen naar één zijde gekeerd en zijn de schutbladen gekleurd. De bladen zijn lancetvormig, vaak met 1 of meer uitstekende tanden aan weerszijden van de voet en ze zijn allen gesteeld. De naam komt van het Grieks melas, wat zwart betekent en pyros, wat koren is. Dat sloeg op het feit dat vroeger in de korenvelden dikwijls Melampyrum arvense (Wilde Weit) groeide, waarvan de (zwarte) zaden dikwijls tussen het koren raakten. De 20 tot 60 cm grote plant zelf is giftig voor het vee en wordt door de dieren gemeden. Het zijn voornamelijk hommelbloemen met droog stuifmeel, dat op de rug der bezoekers wordt gestrooid. Ze komen vaak voor in de bergbossen van Centraal-Europa.

 

 

19. Hartbladige Kogelbloem (Globularia cordifolia)

De Globulariaceae (Kogelbloemfamilie) is een nogal kleine familie in het bloemenrijk. Het zijn voornamelijk lage heesters of overblijvende kruiden met afwisselend , enkelvoudige bladeren. De bloemen staan in kleine, ronde hoofdjes (1 – 1,5 cm), en zijn ten dele omgeven door een omwindsel van schutbladen. De bloemkelk is buisvormig en heeft 5 tanden. De bloemen hebben een smalle kroonbuis en zijn tweelippig, waarbij de bovenlip kort of bijna afwezig is en de onderlip 3 lange slippen heeft. Er zijn 4 meeldraden en de vrucht is een éénzadige noot. Hier hebben we met de Hartbladige Kogelbloem te maken, die als een laag struikje (met vele bloempjes) langs het pad tussen de rotsen een plaatsje gevonden heeft om te bloeien. Het is een overblijvende plant met liggende en wortelende takken, waarvan de bladeren in een rozet staan. De korte, rechtopstaande, bijna onbebladerde stengels dragen een bolvormig hoofdje van lichtblauwe of lichtpaarse bloempjes. De bloemhoofdjes zijn circa 1 cm in doorsnede en de bloemkroon is lila-blauw en de schutbladen van het omwindsel zijn eirond of lancetvormig en gewimperd. De rozetbladeren zijn vlezig, kaal, breed spatelvormig met een afgeronde of spitse top. Er zijn practisch geen stengelbladeren en de stengel is tot 15 cm lang. Ze komen vooral voor in de bergen (!) op kalkhoudende, lemige grond en dan vooral op rotsen en puinhellingen tussen 1800 en 2500 m. De Kogelbloem verdraagt droogte erg goed. We hebben ze nog net in hun bloei aangetroffen, want die periode loopt van april normaal tot in juni, maar op deze (grotere) hoogte komt daar nog een maandje of zo bij. Gelukkig !

 

 

 

20. Achtster (Dryas octopetala) *

is een kruipend dwergheestertje (5-10 cm hoog) met karakteristiek stomp-getande, langwerpige, kortgesteelde bladen (tot 2,2 cm lang), die van boven donkergroen zijn met verdiepte nerven en van onderen grijsviltig. Het behoort tot de Rosaceae (Rozenfamilie), maar is toch een speciale klant, want terwijl de meeste familieleden 5-tallig zijn, heeft de Achtster (zoals zijn naam al zegt) 8 (of soms nog meer) kroonbladen en een 7- tot 10-spletige kelk. De kroonbladen zijn wit en tot 4 cm in diameter en bevatten een groot aantal gele meeldraden. De vrucht is een verzameling dopvruchten of nootjes, die uitgroeien tot lange, veerachtige stijlen. De zaden worden dan ook verspreid door de wind. De bloeitijd valt van mei tot in juli. Deze soort komt vooral voor in het Hoge Noorden (Skandinavië) en in het (hoog)gebergte, tot 2500 m. In de prehistorie kwam deze plant ook bij ons voor. Dit werd aangetoond door het vinden van stuifmeelkorrels in de grond en fossielresten van bladeren in diepe veenlagen. Die periode wordt dan ook het Dryastijd genoemd. De Dryastijden, ook toendratijden genoemd, zijn drie fasen aan het eind van de Würm-ijstijd, die plaatsvonden ongeveer tussen 13000 en 8000 voor Christus, toen er in onze streken dekzanden werden afgezet. De plant wordt ook Zilverwortel of Zilverkruid genoemd. De naam Drys is de oude benaming voor eik en verwijst naar de vorm van het blad.

 

 

 

21. Bruinrode wespenorchis (Epipactis atrorubens)*

Hét belangrijkste kenmerk van de wespenorchis is het feit dat de onderlip (labellum) neerhangend is en overdwars ingekeept, zodat er een voor- (epichilium) en een achterstuk (hypochilium), hol als een bakje , ontstaat. De bloemen zijn meestal groen, maar soms ook met bruinrood en wit. In ons geval hebben we duidelijk te maken met bruinrode bloemen en daarom staan we volgens mij bij enkele Bruinrode Wespenorchissen. Deze 25 – 60 cm hoge planten hebben normaal 5 tot 10 eivormig tot breed-lancetvormige bladen, die verspreid langs de stengel staan. De onderkant van de bladen is donker roodachtig gekleurd. Hoe hoger de bladen , hoe smaller. Die stengel is soms wat heen en weergebogen. Het bovenste deel van de stengel is soms wat donzig behaard en wordt donkerder naar boven toe. De bloemen zijn gesteeld en zijn horizontaal, afstaand of hangend. Ze staan in een lange, ijle tros (8 – 18), en zijn goed gescheiden van de stengelbladen. Ze hebben geen spoor en hebben een purperrood tot purperbruine kleur. Alleen het hypochilium is groen met een rode rand en rode vlekjes. De onderlip is korter of slechts weinig langer dan de zijdelingse blaadjes, waartusen de lip neerhangt. Er is één naakte kleefschijf boven de stempel. Het vruchtbeginsel is niet, maar het steeltje is wel gedraaid. Zoals de naam al doet blijken, hebben vooral wespen, maar ook bijen een voorliefde voor deze bloem. Ze zoeken de honing, die glinstert in de achterste kom van de onderlip. Toch kan ook zelfbestuiving plaatsvinden, doordat de stuifmeelklompjes kunnen doorzakken tot op de stempel. De bloeitijd valt van mei tot juli en het zijn echte insectenbloemen, die sterk naar vanille ruiken. De soort komt vooral voor in Midden- en Zuid-Europa, maar ook op enkele plaatsen in de Lage Landen. Ze zijn meestal te vinden op droge, warme groeiplaatsen (rotshellingen) en liefst op kalkrijke grond. Men vindt ze in gemengde en naaldbossen (dennenbegeleidster), ook in dwergstruikgewas en in dwergstruikheidevegetaties in de duinen. In de Alpen tot 2000 m, verspreid voorkomend, in Noord-Europa langs de Atlantische Oceaan tot aan de Noordkaap, verspreid.

 

 

 

22. Muurpeper (Sedum acre)*

Dit mooie plantje is een lid van de Vetplantenfamilie (Crassulaceae). Dat zijn kruiden met meestal vlezige, ongedeelde bladen. De bloemen hebben 5 spitse kroonbladen van een mooie, heldergele kleur. Het is een lage, zodevormende plant met vlezige, driehoekig-eironde bladen. De kleine bloemen zijn slechts 12 mm in doorsnede en de bladen zijn vlezig, zittend en zonder spoor. De 5 – 10 cm lange stengel is kruipend-opstijgend en ze zijn zo talrijk dat ze een dicht tapijt vormen. Het komt ook bij ons vrij algemeen voor op rotsige hellingen, duinen, kiezelbodems, enz... De nederlandse naam dankt de muurpeper deels aan de scherpe smaak van zijn geelgroene bladeren, deels aan het feit dat het graag op oude natuurstenen muurtjes groeit. De plant bevat een giftig alkaloïde en het kauwen op de blaadjes kan braken opwekken. Het is rijk aan vitamine C en is giftig in overmatige hoeveelheden. Volgens het bijgeloof beschermt op het dak geplante muurpeper het huis tegen blikseminslag. Als geneeskrachtige plant werd het vroeger gebruitk voor het stelpen van bloedingen en het genezen van zweren. De bloeiperiode is van juni tot juli en ze komt voor van de Noordkaap (en IJsland) tot in Noord-Afrika en Azië

 

 

 

23. Edelweiss (Leontopodium alpinum) *

: Ik had verwacht dat we die zouden aantreffen ergens hogerop in de bergen op een schier onbereikbare plaats, maar ze staan hier juist naast ons, pal naast het Europese wandelpad ! De Edelweiss komt voornamelijk voor in de Alpen, maar ook in de Pyreneeën, de Karpaten, het noordelijke deel van het Balkanschiereiland en de hooggebergten van Azië (vanaf 1800 m tot op 4500 m hoogte !). Ze behoren tot de Composietenfamilie (Asteraceae). Ze bloeit van Juni tot augustus, is winterhard en wordt ongeveer 20 cm hoog. Het zijn witviltig behaarde planten (als bescherming tegen de kou) met bloemhoofdjes in groepen omgeven door een sierlijke ster van witviltige blaadjes. De bloemkorfjes zijn heel klein en hoewel ze in een soort scherm samengedrongen zijn, vallen ze pas op door de krans van schutbladen. De meeldraden en stamper staan in het hart van de 5 tot 6 goudgele bloemkopjes. Het centrale deel is in een stervorm omgeven met dik viltige bloemkransbladen. Het zijn prima rotsplantjes. De bladeren zijn langgerekt en tongvormig; de onderkant van het blad is sterker behaard dan de bovenkant. De plant bloeit van juli tot begin september. Na de bloei verschijnen er kleine, donkerbruin/zwarte, behaarde vruchten. De plant werd op grote schaal geplukt, omdat het een volksmiddeltje is tegen maagpijn en niet in de laatste plaats ook voor de toeristische commercie. Het werd erg zeldzaam en is een beschermde plant. Tegenwoordig zijn er gelukkig weer flinke aantallen te vinden, zelfs op deze toch bescheiden hoogte. De plant komt van nature voor als enkeling, maar meer nog in groepjes in alpenweiden, tussen rotsspleten en op licht begroeide gruishelligen. De plant houdt van zon en een kalkrijke bodem.

 

 

 

26. Reuzenbovist (Langermannia of Calvatia gigantea)*

: Deze paddenstoel wijkt geheel af van het normale uitzicht dat we hebben van een paddenstoel. Dat komt deels dor het feit dat de reuzenbovist een gastromyceet of buikzwam is. Bij deze soorten ontwikkelen de sporen zich niet op plaatjes of in buisjes (zoals bij de boleten), maar inwendig in het vruchtlichaam. Als de sporen rijp zijn, vormt er zich een gaatje in het omhulsel en daarlangs ontsnappen dan de sporen in de vorm van een wolkje. Deze reuzenbovist heeft zijn naam ook niet gestolen. Hij produceert niet alleen miljarden sporen, maar kan ok vrij groot worden. De reuzenbovist behoort tot de familie van de Lycoperdaceae en is een saprofiet, die uitsluitend op de grond groeit in weilanden, tuinen of bossen. De soort is aan te treffen van de zomer tot in de herfst en hij is vrij algemeen voorkomend, maar ik wist niet dat hij tot op zo een grote hoogtes te vinden was. Het inwendige is eerst wit en vlezig, maar wordt later geelachtig. Als de sporen rijp zijn, wordt het inwendige olijfkbruin en het geheel wordt dan vezelig. Als het vlees nog wit is, is de reuzenbovist eetbaar, maar de paddenstoel neemt nogal gemakkelijk zware metalen uit de omgeving op en de concentratie ervan zou wel wat té hoog kunnen zijn voor ons mensen.

 

 

 

28. Oranje Lelies (Lilium bulbiferum) *

De Lilium bulbiferum is een lid van de (natuurlijk) Leliefamilie (Liliaceae), en bloeit van mei tot in juli. Het is een forse bloem die tot 1 m groot kan worden en heeft trechtervormige bloemen met 6 vuur- tot geelrode, 5 cm lange bloemdekbladen. De drie binnenste bloemdekbladen zijn veel breder dan de buitenste en bezitten een duidelijk honinggroefje. De bladen zijn ongesteeld, smal en staan in spiraal langs de stengel. De bloemen zijn reukloos en groeien afzonderlijk of in groepjes bijeen. Het land van herkomst is hier, de zuidelijke Alpen, en ze komen tot boven 2000 m voor op warme, niet té droge stansplaatsen en op grond, die rijk is aan voedingsstoffen en kalk. Men ziet ze zeldzaam op bergweiden, op stenige hellingen en in struikgewas en bosranden. De Oranjelelie of ook Roggelelie wordt ook reeds lang gekweekt en handhaaft zich in tuinen (zoals bij ons), waarin ze opvalt door haar grote bloemen. Ze plant zich ook voort door broedknolletjes.

 

 

 

30. Zwarte Toorts (Verbascum nigrum) *

De Zwarte Toorts is een tot 150 cm grote, overblijvende plant van de Helmkruidfamilie (Scrophulariaceae). Deze grote plant heeft een rechtopstaande, bovenaan kantige, behaarde en weinig vertakte stengel en een penwortel. De onderste bladeren zijn van boven donker- en van onder lichtgroen, langwerpig-eirond met een hartvormige voet en langgesteeld, terwijl de bovenste kleiner en vrijwel ongesteeld zijn. De bloeiwijze is langwerpigen praktisch niet vertakt (of alleen aan de voet). De 1,2 tot 2,5 cm grote bloemen zijn geel, hebben een rode of purperen ringvlek aan de keel en staan in aarachtige kluwens (groepjes van 5 tot 10). Ze zijn aan de voet paarsrood gevlekt en hebben 5 paars-wollig behaarde meeldraden met niervormige helmknoppen. De stempel is weinig dikker dan de stijl. De vrucht is een kleine doosvrucht. Ze bloeien van juni tot in september en houden van zonnige, open tot grazige plaatsen op droge, matig voedselrijke, zwak zure tot kalkrijke grond. Ze staan in bermen, op dijken, spoorbermen, in ruig grasland, heggen, op puin en kapvlakten, in duinen en tussen struikgewas, langs akker- en bosranden. Ze komen voor van Skandinavië tot in Engeland en van de Pyreneën tot in Centraal-Azië. Bij ons vinden we ze vooral in het Maasgebied en de Ardennen en zijn ze elders vrij tot zeer zeldzaam. Waarom de plant de naam ‘zwarte toorts’ gekregen heeft, is niet helemaal duidelijk, misschien omwile van de donkergroene kleur van de bladen. Het opvallendste kenmerk is wel de purperen wollige beharing van de meeldraden. De planten van dit geslacht (Toorts-Verbascum) bevatten of geen of weinig honing in de bloemen en worden bezocht door insecten die stuifmeel inzamelen of eten. Er bestaan veel bastaarden tussen de verschillende soorten, die meestal onvruchtbaar zijn, maar vaak moeilijk te determineren

 

 

 

32. Aangebrande Orchis (Orchis of Neotinea ustulata)*

Dit lid van de Orchidaceae is overblijvend en wordt slechts 20 tot 30 cm hoog (in het Engels wordt ze naast Dark-winged Orchis ook Dwarf Orchis genoemd). Vandaar dat het zo weinig opvalt ! De vrij dunne, rechte stengel heeft 2 of 3 grondstandige, langwerpige, spitse bladen en een aantal schedevormige, niet gevlekte stengelbladen. De schutbladen zijn eirond tot langwerpig en worden hoogstens zo lang als het vruchtbeginsel. De bloeiwijze is eivormig, maar wordt later van 3 tot 6 cm lang. Voor de bloei is de bloeiwijze bovenaan zwartpaars. De geurige bloemen worden tot 1 cm groot. De helm is stomp en van buiten zwartpurper. De drielobbige, 4 tot 7 mm grote bloemlip is wit of lichtroze met rode puntjes. De middenlob heeft 2 spleten en de spoor is naar omlaag gericht. De bloei valt van mei en juli. Ze groeit op zonnige plaatsen (zuidhelling hier) en op matig droge tot vochtige, matig voedselarme, kalkrijke grond en vooral in heuvel- en berggebieden. We vinden ze terug in heel het Alpengebied tot 1500 m hoog(in het zuiden tot boven 2000 m) en van West-Azië tot Oost- en Midden-Europa tot juist in België, waar ze zeer zeldzaam voorkomt in het Maasgebied en de zuidelijk Ardennen. In Nederland werd ze voor het laatste gezien in 1952 in Zuid-Limburg.

 

 

33. Kortstengelige Wegdistel (Berardia subacaulis)*

Deze bescheiden, maar taaie plant is slechts 5 tot 10 cm groot, bloeit in juli en augustus en behoort totd e Composietenfamilie (Compositae). Ze heeft een korte bloemsteel in het midden van een bladrozet met één van 6 tot 8 cm grote bloemkorfje. Alle bloempjes in het korfje zijn buisbloemen. De bladeren zijn ovaal-rond en dicht behaard. De stengel is onvertakt en dicht, witviltig behaard. We vinden ze op een kalkhoudende, rotsachtige of stenige ondergrond en ze groeit in rotsspleten, op steenpuin en stenige bergweiden, vooral tussen 1800 en 3000 meter hoogte. Ze komen slechts zeldzaam voor vanaf de Zeealpen tot de Mont Cenis. De Berardia is één van de weinige uitgesproken westalpiene plantesoorten.

 

 

 

34. Alpenhoornbloempjes (Cerastium alpinum)*

: Deze slechts 5 tot 20 cm grote bloemen van de Anjerfamilie (Caryophyllaceae) staan in bloei van juli tot in september. De bloemen staan met 3 tot 5 bijeen , zijn kortgesteeld en hebben in de oksels kleine steunbladen met een vliezige punt. De circa 1 cm grote, witte kroonbladen zijn tweeslippig en veel langer dan de kelkbladen. De stengel is rond en evenals de eivormige bladeren wollig behaard. Aan de opstijgende stengel staan tegenoverstaande bladeren. De kruipende hoofdstengel heeft talrijke, korte in een rozet liggende spruiten. We vinden deze plant vooral op niet al te droge, stikstof- en kalkarme steenachtige grond. Ze staan verspreid op steenachtige alpenweiden, op puinhellingen en rotsen in de Alpen tussen 1800 en 2800 meter hoogte. Men kan ook afzonderlijke exemplaren wat lager vinden. Het kleine plantje is bijzonder ongevoelig voor koude en overwintert zelfs op plaatsen waar geen sneeuw ligt en die aan strenge vorst zijn blootgesteld.

 

 

 

35. Alpenleeuwebekje (Linaria alpina)*

Dit 5 tot 10 cm grote één- of tweejarige lid van de Helmkruidfamilie (Scrophulariaceae) heeft liggende of opstijgende stengels en bloeit van juni tot september. De bladeren staan met 3 to 4 in een krans en zijn lancetvormig en gaafrandig. De 2 tot 8 paarse bloemen staan in een dichte tros. De keel van de bloempjes is bijna altijd oranjerood. De tweelippige bloemkroon is door een welving van de onderlip gesloten (gemaskerd), waardoor meeldraden en stamper van buitenaf niet te zien zijn. De bloemen worde 1 tot 1,5 cm lang en de bovenlip is tweespletig. De Alpenleeuwebek verlangt een stenige, vochtige, losse grond, die rijk is aa fijne aarde. Ze groeit op puinhellingen, stevige grasvelden en bergweiden, maar ook op rolstenen in beken en op kiezelbanken. Ze worden door het water soms naar lager gelegen gebieden vervoerd. We vinden ze vooral tussen 1500 en 3000 meter hoogte. Ze komen voor in de kalkketens vanaf de Zeealpen tot aan de oostelijke rand van de Alpen, plaatselijk in kleine bestanden en anders verspreid voorkomend. Het is een typische puinbegroeier, die met buigzame stengels over het puin kruipt. Het verdraagt zelfs een lichte bedekking door puin. Het Vlasleeuwebek-geslacht is giftig voor vee, dat de planten dan ook mijdt.

 

 

 

37. Tripmadam (Sedum rupestre of reflexum)*

Voordat je in de verkeerde richting begint te denken, moet ik even melden dat het hier (natuurlijk) weer over een lid van de plaatselijke flora gaat. Deze relatief kleine (15 to 30 cm) overblijvende plant behoort totd e Vetplantenfamilie (Crassulaceae) en bloeit van juni tot en met augustus. De stengels zijn kruipend, maar de bloeistengels staan rechtop. Voor de bloei zijn ze aan de top omgebogen en ze vormen zoden. De 1 tot2 cm lange bladeren zijn blauwgroen en hebben een bolle onderkant en een zwak gewelfde bovenkant. Ze versmallen aan de top in een stekelpunt en zijn lijnvormig tot langwerpig. De bladeren zijn dicht opeengepakt aan de niet-bloeiende stengels en dode bladeren vallen af. De schermvormige bloemen hebben 6 tot 7 mm grote, heldergele en meestal 6-tallige kroonbladen, die ongeveer zo groot zijn als die van de Muurpeper. Ze zijn bootvormig gevouwen en hebben op de rug een richel. Ze zijn 2 tot 2,5 keer zo lang als de kelkbladen en de helmdraden zijn aan de voet vaak kort behaard. De Tripmadam komt voor op zonnige, open plaatsen op droge, voedselarme, vrij kalkarme, zwak zure zandgrond en stenige plaasten. Veel voorkomende groeiplaatsen zijn rivierduinen, zandige dijken, rotsachtige plaatsen, muren, stenige voetpaden, rotsspleten, bermen, daken en stadswallen. Ze komen voor in Zuid-en Midden-Europa, noordwestelijk tot in de Lage Landen. In de Alpen tot 2000 meter en zeldzaam. Ze zijn bij ons van vrij tot zeer zeldzaam en nemen af in aantal (Rode Lijst). De naam ‘tripmadam’ is afkomstig van ‘tripe de madame’, ofwel trijp, een fluweelachtige kledingstof. Een andere verklaring is ‘trique madame’ wat betekent mollige vrouw. De plant wordt ook wel als salade of soepkruid genuttigd. De soort is erg rijk aan vormen.

 

 

 

38. (Rode) Traliestinkzwam (Clathrus ruber)*

De Traliestinkzwam is een mediterrane soort, die zeer zelden in de Lage Landen wordt aangetroffen. Ze ontwikkelt zich uit een witachtig 2 tot 6 cm groot “duivelsei” met een grove, netvormige tekening. Op een gegeven moment scheurt het ei open en komt er een vruchtlichaam (van 10 tot 15 cm doormeter) in de vorm van een bolvormig scharlakenrood netwerk tevoorschijn. De binnenzijde van de “tralies” is aanvankelijk bedekt met een groenachtige, bijna zwarte, slijmerige sporenmassa. Het verspreidt een aasgeur, die echter niet zo sterk is als die van de ons meer bekende Grote Stinkzwam. De rode kleur van het vruchtlichaam verbleekt later. We vinden ze vooral in de maanden juni, juli en augustus. In Zuid-Europa kan men ze ook ’s winters in naaldbossen op zandige en kalkhoudende bodems aantreffen (bv. op Mallorca, Corsica en Sardinië). Bij ons komt ze voor op humusrijke bodems, in tuinen en andere door de mens sterk beïnvloede standplaatsen (oa. Moestuinen, serres en – off all places – kerkhoven). In tegenstelling tot de Inktviszwam (Anthurus archeri) kan de Traliestinkzwam zich hier niet echt handhaven. Zoals de andere tsinkzwammen rkent men deze ook tot de Buikzwamen, odat hetvruchtlichaam gesloten blijft tot de sporen rijp zijn

 

 

39. Bokkenorchis (Himantoglossum hircinum)*

Menseneter Bombay Deze soort behoort tot de bij ons grootste voorkomende soort orchideeën (Orchideënfamilie, Orchidaceae). Het is een onbehaarde, indrukwekkende plant, die soms tot 80 cm groot kan worden en bloeit van mei tot juli. Ze is onbehaard en heeft wortelknollen en een alleenstaande, opgaande en tamelijk stevige stengel. De 4 tot 6 onderste bladen zijn elliptisch tot eirond en vaak tegen de bloeitijd al gedeeltelijk verdord. De bovenste bladen zijn kleiner en smaller. Ze zijn niet gevlekt. De schutbladen zijn smal en vaak iets langer dan de vruchtbeginsels. De kwalijk (naar bokken) !) riekende bloemen staan in een lange, spits toelopende, veelbloemige aar. De kleine kelk- en kroonbladen vormen een helm, waaronder de 30 tot 50 mm lange, drielobbige lip bungelt. Deze lip is in de knop opgerold en lintvormig. Ze heeft 2 korte ‘armen’ bij de voet en is aan de top meestal 2-spletig en paars gespikkeld. De spoor is kort, kegelvormig en naar beneden gericht. Ze komen in de Lage landen zeldzaam voor in de duinen en het Maasdistrict. Het is een beschermde soort en houdt vooral van half beschaduwde plaatsen op droge oevers, aan bosranden, wegkanten en op kalk.

 

 

 

41. Astrantia of het Groot Sterrescherm (Astrantia major)*Deze mooie, frele, overblijvende bloem lijkt wel een kunstwerkje van kant. Het is een soort van de Schermbloemenfamilie (Umbelliferae), hoewel de door de witte of roodachtig gekleurde omwindseltjes (vaak met een groenachtige punt) omgeven bloemschermpjes doen denken aan een composiet. De kroonbladen en omwindselbladen zijn net zuiver wit, maar enigszins rood aangelopen. De kelkbladen zijn spits en iets langer dan de 5 gekromde kroonbladen. De 5 meeldraden steken buiten de bloemen uit en er zijn 2 draadvormige stijlen aanwezig. De grondstandige bladeren zijn langgesteeld, diep handdelig met een gezaagde rand en de blaadjes zijn gedeeltelijk vergroeid. De eigenlijke bloemschermpjes bevatten zowel tweeslachtige, als mannelijke bloemen en zijn klein en omgeven door witachtige omwindseltjes. De 30 cm tot 1 meter grote stengels zijnalleen van boven, maar weinig vertakt. Ze groeien vooral op voedingsstofarme, kalkhoudende, humusrijke grond en hebben een voorkeur voor alle soorten bossen, maar komen ook voor in kloven en bergweiden. We vinden ze zelden boven de 2000 meter. De bloeiperiode valt in juni, juli en augustus. Ze komen niet voor bij ons. De bestuiving gebeurt door kevers, vliegen en wespen, die meer door de witte omwindselbladen dan door de onaanzienlijke bloempjes worden aangelokt. Voor de wetenschappelijke geslachtsnaam Astrantia bestaan 2 verschillende verklaringen. In de eerste plaats kan hij samenhangen met het Griekse woord “astron”, wat ster betekent en betrekking hebben op de stervormig gerangschikte omwindselblaadjes, die het opvallendste kenmerk van de plant vormen. De naam kan echter ook ontstaan zijn uit het woord Magistrantia, waarmee men vroeger echter een geheel andere plant, namelijk een van de varkenskervelsoorten, mee aanduidde. Bij de meeste schermbloemigen is de bloeiwijze een samengesteld scherm. Dit wil zeggen dat er aan de schermstralen weer kleine schermen zitten, namelijk de schermen van de 2de orde of schermpjes. De Astrantia echter behoort tot de weinige schermbloemigen die een enkelvoudig scherm bezitten. Elke schermstraal eindigt dus in een enkele bloem. De vruchtjes van de Astrantia bezitten ook een eigenaardig kenmerk : op de 5 ribben van de beide deelvruchten zitten blaasvormige, opwaarts gerichte aanhangsels. De Astrantia wordt ook gebruikt als sierplant voor de tuin.

 

 

 

42. Hondskruid (Anacamptis pyramidalis)*

Onze zoveelste orchidee is een 30 tot 60 cm grote, overblijvende, rechtop staande plant , die bloeit in juni en juli. De bladeren zijn stengelomvattend, kaal en lijnvormig-langwerpig. De bovenste zijn klein en schutbladachtig. Zestaan ver van elkaar, zijn lichtgroen en niet gevlekt. De bloemen vormen eerst een kegelvormige (Pyramidal orchid is de Engelse naam) en later een eivormige tot rolronde aar met veel bloemen. Deze zijn van 4 tot 8 cm groot, helder paarsrood tot rozerood (soms wit) en hebben een 6 tot 8 mm lange bloemlip met 3 lobben of spleten en langwerpige slippen. De buitenste zijdelingse bloembladen zijn uitgespreid en de andere 3 samanneigend, zodat ze een soort van helm vormen. Achter op de onderlip bevinden zich 2 rechtopstaande plaatjes (daardoor verschilt ze van de Muggenorchis). Deze dienen om de vlindertong te leiden, opdat de polliniën er met behulp van het kleefplaatje precies op kunnen worden geplakt. De circa 12 mm lange spoor is draadvormig en naar beneden gebogen en even lang of langer dan het vruchtbeginsel. Het Hondskruid heeft veel nectar in de spoor. Hierdoor worden dag- en nachtvlinders aangetrokken. De geur is enigszins muskusachtig. De bestuiving door insecten is bij deze plant zo doeltreffend, dat dikwijls 95 % van de bloemen kiemkrachtige zaden oplevert. Ze houden van zonnige of soms licht beschaduwde plaatsen op matig droge tot matig vochtige, voedselarme, kalkrijke en humushoudende grond. We vinden ze op grazige hellingen, schraal grasland, bermen, langs lichte laantjes, op noordhellingen van duinen en op opgespoten zandvlakten. In de Alpen komen ze zelden voor boven 1500 meter hoogte. Van de orchideeën is het een van de laatst bloeiende soorten. Het Hondskruid komt voor in Zuidwest-Azië, Noord-Afrika, Zuid- en Midden-Europa, noordelijk tot in Ierland, Schotland en het Oostzeegebied. In de Lage Landen zijn ze zeer zeldzam in Zuid-Limburg en in de duinen, in het Maasgebied en de zuidelijke Ardennen. Ze staan op de Rode Lijst in beide landen en zijn beschermd.

 

 

 

43. Witte Affodils (Asphodelus albus)*

De Witte Affodil is een lid van de Leliefamilie (Liliaceae) en ze kan 50 tot 120 cm groot worden. De bloemen vormen wijde trechters, zijn 6-tallig en staan in dichte trossen van meer dan 20 bloemen aan een onbebladerde stengel. De bloeiperiode is van april tot augustus, afhankelijk van de hoogte waarop de plant groeit. De bloembladeren zijn wit met een groene middenstreep. De bladeren zijn grasachtig en wortelstandig. Ze zijn meestal korter dan de bloemstengel, maar wel tot meer dan 50 cm lang en maar 2 cm breed. De bloemstengel is tweedelig geleed door dwarse groeven. De wortel is knolvormig. Ze komen alleen voor in de Zuidelijke Alpenketen en dan nog zeer sporadisch. Men vindt ze vooral op weiden, op plaatsen die in de zomer warm zijn (zoals hier op een zuidhelling), periodisch vochtig en droog en bovendien kalk- en voedingsstofhoudend. Deze decoratieve plant speelt in de plantensymboliek een belangrijke rol. Aan de “Asphodelusweiden’ van het dodenrijk Hades in de Griekse mythologie zou een verwante soort Affodil een fleurig aanzien hebben gegeven.

 

 

 

44. Bergnachtorchissen (Platanthera chloranta of montana)*

Dit 20 tot 50 cm grote, overblijvende lid van de Orchideeënfamilie (Orchidaceae) bloeit in de maanden juni en juli. De plant heeft 2 knollen, een jonge en een oude, waarbij de eerste dient als opslag voor reservevoedsel. Er is maar één rechte stengel en meestal 2 tot 3 glanzende, stompe wortelbladeren, die langwerpig en omgekeerd eirond zijn. De stengelbladeren zijn schubachtig. De bloemen staan in een vrij lange en losbloemige aar. Ze zijn van geelgroen tot vrij wit van kleur. Drie bloemdekbladeren buigen helmachtig samen, 2 staan zijdelings gericht en de tongvormige lip hangt ongedeeld en met een bocht naar onderen. De ongedeelde bloemlip wordt 1 tot 1,6 cm lang en de spoor is knotsvormig, naar de punt toe iets verdikt en 1,8 tot 3 cm lang .Die laatste is bijna tweemaal zo lang als het vruchtbeginsel. De helmhokjes staan bovenaan dichter bij elkaar dan onderaan. Men kan in het eind van de spoor de nectar goed zien zitten. Deze vloeistof neemt ongeveer een vierde van de spoor in beslag. Nachtvlinders zuigen de nectar met hun lange tong uit de spoor en nemen tegelijk stuifmeel mee naar de volgende bloem. De bloemen geuren ’s nachts (naar vanille), maar zijn overdag vrijwel reukloos. We vinden ze meestal terug op zonnige tot licht beschaduwde plaatsen op matig vochtige, matig voedselarme, kalkhoudende, meestal humeuze grond in bossen, struwelen, kalkgrasland, duinpannen en soms in het winterbed van rivieren. Ze komen voor in Zuidwest-Azië, Noordwest Afrika en Europa (in de Alpen tot 1800 meter hoogte), noordelijk tot in Midden-Scandinavië. Bij ons vindt men ze zeldzaam in Zuid-Limburg, het Maasgebied en de zuidelijke Ardennen. Het is een bedreigde en beschermde bloemsoort bij ons. Met enige fantasie lijken de vrij grote, groenachtig witte bloemen van de Bergnachtorchis op een vlinder, wat waarschijnlijk wel zal helpen om de nachtvlinders te lokken die het stuifmeel moeten verspreiden.

 

 

 

45. Roestbladig Alpenroosje (Rhododendron ferrrugineum)*

Deze plant behoort tot de Heidefamilie (Ericaceae). Het is een 50 cm tot 2 meter grote heester met een eindstandig, schermvormig bloemstelsel (3 tot 8 bloemen bij elkaar). De circa 2 cm grote bloemen zijn 5slippig, trechtervormig, donkerrood (zelden lichtrood of wit) en wit behaard. Ze hebben 5 tot 10 meeldraden en een bovenstandig vruchtbeginsel. De vrucht is een doosvrucht. De bloeiperiode is van mei tot augustus. De 2 tot 4 cm lange bladeren zijn ’s winters groenblijvend, langwerpig en leerachtig aan de bovenzijde donkergroen en aan de onderzijde dicht met roestgele klierschubben bezet. De bladrand is ingerold en nooit lang gewimperd. Het Roestbladige Alpenroosje groeit meestal in groepen en daardoor vallen de bloeiende planten al op grote afstand op. Ze groeit vooral op kalkarme, vochtige en humushoudende grond. Afzonderlijke exemplaren vindt men ook in open naaldbossen (zoals hier). In de Centrale Alpen zijn ze algemeen en talrijk vooral tussen 1500 en 2500 m hoogte. In de Kalkalpen zijn ze plaatselijk zeldzaam en erspreid voorkomend. De plant is wel vorstgevoelig en groeit daardoor alleen op plaatsen die ’s winters met een dikke laag sneuw bedekt zijn, zoals waarschijnlijk deze noordwand van de Tournairet. Er bestaat ook een Harig Alpenroosje (Rhododendron hirsutum), dat op iets mindere hoogten ook voorkomt, maar waarvan de bloem een meer klokachtige vorm heeft en de bladeren meer eivormig rond zijn en aan de onderzijde minder geschubd en dus groener zijn. De bladrand is in tegenstelling tot de roestbladige soort licht gekarteld en lang gewimperd. Deze soort groeit eerder op kalkhoudende grond. Daar de beide planten juist tegenovergestelde ondergronden prefereren zal je de ene soort dus aantreffen daar waar je minder kans hebt de andere soort te vinden. Daarom noemt men ze vicariërende soorten (vicaris = plaatsvervanger). De plant is giftig en werd vroeger gebruikt als geneeskrachtig middel.

 

 

 

49. Echte Duizendguldenkruid (Centaurium erythraea)*

Dit is een 8 tot 60 cm grote, tweejarige plant uit de Gentiaanfamilie (Gentianaceae). Ze heeft één of meer rechtopstaande stengels, die bovenaan zijn vertakt. De bladeren vormen eerst een wortelrozet. Ze zijn elliptisch tot omgekeerd eirond, meestal stomp, hebben 3 tot 7 nerven en zijn meer dan 5 mm breed. De stengelbladen zijn eirond tot spatelvormig met 3 tot 5 nerven. De 1 tot 1,5 cm grote roze bloemen vormen samen een losse, afgeplatte schermachtige bloeiwijze van een 10 tot 40 bloemen. Ze zijn 0,9 tot 1½ mm groot, zelden gesteeld en 5-spletig. Ze hebben een 0,9 tot 1½ cm lange buis en eironde, stompe, 5 tot 8 mm lange slippen. De kroonbuis is bij het opengaan van de bloemen langer dan de kelk. De zoom is bijna vlak. De bloemen produceren geen nectar, maar lokken door hun stuifmeel veel insecten aan. Ze bloeien van juni of juli tot september. De vrucht is een tweekleppige doosvrucht. De plant houdt van zonnige, open tot grazige plaatsen op vochtige, matig voedselarme tot matig voedselrijke, zwak zure tot kalkrijke grond. Ze is zoutmijdend. Ze groeit liefst in slootkanten, langs bospaden, bosranden, struikgewas, opgespoten terreinen, spoorwegterreinen, spoordijken, kort afgegraasd grasland van duinvalleien, leemgroeven, kleigroeven, afgestoken greppelkanten, bermen, kapvlakten (op löss) en kalkhellingen. Ze komen voor in noordelijk Europa tot in het Oostzeegebied. In de Alpen meestal afzonderlijke exemplaren en alleen op een hoogte van ongeveer 1000 meter. Ook in Noordwest-Afrika en hier en daar in Zuidwest-Azië, Amerika, Australië en Nieuw Zeeland. Echt Duizendguldenkruid is bij ons vrij algemeen in het kustgebied, het Maasgebied en de zuidelijke Ardennen, elders zeldzaam. Het is bij ons een beschermde plant. De latijnse naam Centaurium is afkomstig van een Griekse sage. Volgens deze Griekse sage gebruikte de Centaur Chiron de plant als geneeskruid en heelde de wonden van Hercules. Later werd de naam veranderd in centum auri = 100 goudstukken of 100 gulden (waardering van het kruid). In het Nederlands werd het getal met een 0 uitgebreid en werd zo 1000. De verklaring is dat de plant zoveel goede eigenschappen bezat dat hij wel honderd goudstukken waard was, of om het nog wat aan te dikken duizend gulden. Erythraea = roodachtig, genoemd naar de kleur van de bloemen.

 

 

 

51. Driedistel (Carlina corymbosa)*

Carlina is de botanische naam van een geslacht van ongeveer 30 soorten kalkminnende, stekelige planten in de Composietenfamilie (Compositae ofwel Asteraceae), in het nederlands Driedistel genoemd. De 10 tot 50 cm grote plant heeft een wit-viltige stengel en lancetvormige, veerspletige bladeren met een stekelige rand. De omwindselbladeren van de bloemhoofdjes sluiten of openen zich afhankelijk van de luchtvochtigheid. De binnenste omwindselbladeren zijn goudgeel en op lintbloemen gelijkend. De hoofdjes zijn geel, 2,5 tot 4 cm middellijn, kort gesteeld en meestal met verscheidenen bijeen in een platte bloeiwijze. De buitenste omwindselbladeren zijn groen, stekelig getand en de middelste wollig behaard. Het geslacht is inheems in Europa, Noord-Afrika en Azië. De grootste soorten-diversiteit treft men aan in het Middellandse Zeegebied. De meest oostelijke soort is Carlina biebersteinii in China. In de Lage Landen komt eigenlijk alleen de soort Carlina vulgaris voor.

 

 

 

52. Fraai Look (Allium pulchellum)*

: Deze plant is een lid van de grote familie van de Liliaceae (Leliefamilie) en daarin van het bekende Allium geslacht met zijn vele, bekende soorten uit onze tuinen, zoals de sjalot, de ui, de prei, bieslook, knoflook en nog andere. Deze soort groeit hier echter in het wild en heeft vrij veel, rode of roodpaarse knikkende bloemen, die in een los, onregelmatig scherm staan. De bladeren zijn grasachtig en zeer smal (ongeveer 1 mm breed). De 20 tot 60 cm lange stengels zijn meestal gebogen en opstijgend en alleen de onderste helft is bebladerd. De bloeiwijze heeft twee schubachtige steunbladen, waarvan één zeer lang is. De bloemstelen zijn verschillend van lengte, dun en omlaaggebogen. De plant gedijt goed op door de zo verwarmde, kalkrijke, tamelijk droge stenige grond. De bloeiperiode valt in de maanden juli en augustus. Ze komt alleen voor in de Alpen op droog grasland, rotsen en steenpuin tot aan 1500 m. In het zuiden komen ze verspreid voor en in het noorden zeldzaam, terwijl ze in grote gebieden geheel ontbreken. Door sommige plantkundigen wordt deze soort beschouwd als een warmteminnende vorm van Allium carinatum (Berglook), die zich onderscheidt door de aanwezigheid van kleine broedbolletjes tusse de bloemen. Deze soort komt in de Alpen tot 2400 m voor en komt ook voor in Jutland en op de Deense eilanden.