Noord Frankrijk

 

 

 

 

 

 

 

 

23. Witte Rapunzel ( Phyteuma spicatum)

Het bloemengeslacht rapunzel behoort tot de Klokjesfamilie (Campanulaceae). Deze familie omvat vooral veel bergplanten van het Noordelijk Halfrond. De kleine bloempjes van deze soort zitten in een langwerpig of bijna rond groepje. Bij de witte rapunzel (men heeft ook een zwarte (P. Nigrum) en een bolrapunzel (P. Oebiculare) zijn de bloempjes geelachtig wit en zitten in een aar van 4 tot 8 cm lang. De onderste bladen zijn duidelijk gesteeld, 0,5 cm of meer breed en niet gegolfd. Ze zijn breed-hartvormig, dubbel gezaagd en hebben evenals de middelste een hartvormige voet. Ze groeit op beschaduwde plaatsen en komt voor van Midden-Europa tot in West-Rusland. Ze kan bloeien van mei tot in augustus en is in de Lage Landen vrij zeldzaam. De plant is overblijvend en 5-tallig (kelkbladen, meeldraden, vrucht). Ze kan van 30 tot 70 cm hoog worden. De wortel is vlezig verdikt en spoelvormig, heeft een functie als opslag van reservevoedsel en wordt soms als groente gegeten. De witte rapunzel komt vooral voor in loofwouden en gemengde wouden. Ze heeft een voorkeur voor een vochtige, voedselrijke humusbodem. In tegenstelling tot de meeste andere soorten van haar geslacht komt ze niet alleen voor in de Alpen en zijn voorgebergten (zoals de Jura), maar ook in het laagland

 

 

Wilde Akelei ( Aquilegia vulgaris)

Hij is te herkennen aan de speciale vorm van de prachtige, vooroverhangende bloemen met hun felpaarse kleur. De akelei behoort tot de veelsoortige Ranonkel- of Boterbloemfamilie (Ranunculaceae). Een gemeenschappelijk kenmerk is dat velen giftige bladen en vruchten hebben. Die vertoont namelijk een typische bouw : in het midden bevinden zich 5 kroonbladachtige honingbladen en daarbuiten de 5 eigenlijke bloemdekbladen. Deze laatsten hebben elk een lange, aan de top gekromde spoor en vooral dit element is erg kenmerkend voor deze plant. De latijnse naam aquilegia komt van aquila (= arend), wat zou verwijzen naar de op arendsklauwen gelijkende, gekromde sporen. De plant is vrij zeldzaam in de Lage Landen en komt vooral voor in open loofbossen, langs de wegkant en in bergweiden . De bestuiving gebeurt vooral door hommels, die een zeer lange tong hebben, en zo ondanks de lange spoor toch de honing kunnen bereiken.

 
 

 

4. Kale Inktzwam (Coprinus atramentarius)*

Deze paddestoel is een lid van de uitgebreide Coprinus-familie. Deze familie van plaatjeszwammen (Agaricales) hebben zwarte sporen en bij vele soorten is de hoed lang en smal met dichtopeenstaande plaatjes. Ook de manier van sporenverspreiding is eigenaardig. De plaatjes versmelten en worden vloeibaar, eerst aan de rand van de hoed en dan verder binnenwaarts. Dit proces van zelfdestructie gaat verder tot er niets meer overblijft dan een zwarte steel. De meeste coprinus-soorten zijn eetbaar, maar indien ze samen met alcohol genuttigd worden (tot zelfs 48 uur erna) zijn ze giftig. De Kale Inktzwam heeft een 4 tot 8 cm brede, asgrijze, overlangs geplooide, kale hoed. De kruin is soms fijn beschubd. De steel is witachtig, onderaan wat dikker en iets beschubd. We vinden ze van mei tot november in loof- en naaldbossen, parken, tuinen, wegbermen, in bundels groeiend of alleenstaand. Ze zijn vrij algemeen. Meestal groeien ze op hout, maar dat kan onder de grond verborgen zitten, zodat het lijkt dat de paddestoel op de bodem groeit !

 

 

 

5. Stobbezwammetje (Kuehneromyces mutabilis)*

Het belangrijkste kenmerk dat deze soort onderscheidt van gelijkaardige soorten, is de speciale tweekleurigheid van de hoed. Ze is in vochtige toestand kaneelbruin, met doorschijnende lamellen, en later bij het droger worden bleker tot okerkleurig, maar nog lang met een waterige donkere rand. De klokvormige, maar daarna breed gewelfde hoed (die dan een verhoogde top kan hebben) kan tot 6 cm breed worden en is gewoonlijk olijfgeel tot okerbruin van kleur. De plaatjes zijn breed aangehecht en de sporen zijn diep roestbruin van kleur. De 3 tot 7 cm lange steel heeft een vliezige ring en is daaronder vlokkig beschubd. Het sporenpoeder is ook roestbruin en kan men soms op onderliggende hoeden terugvinden, daar ze meestal erg dicht opeen staan. Ze komen meestal in groten getale voor op dood hout (vooral op boomstronken) van loofbomen (vooral wilgen en linden), en dit gedurende een groot deel van het jaar, namelijk van mei tot november. Het stobbezwammetje is een saprofyt en is eetbaar, maar alleen de hoed, want de steel is behoorlijk taai. Toch houdt het plukken ervan voor consumptie een risico in, want er bestaan verschillende erg gifitge soorten, die er erg op lijken, zoals onder andere het Bundelmoskopje (Galerina marginata). Het stobbezwammetje komt algemeen voor in onze streken.

 
 

 

6. Peksteel (Polyporus badius)*

Deze soort heeft een gladde, kastanjebruine, soms tot 25 cm brede hoed, die cirkel- tot waaiervormig is. De buisjes met zeer kleine poriën, zijn eerst erg wit, later geelachtig, en lopen langs de steel af. De korte steel is van 1 tot 6 cm lang, bleek van boven maar (later) zwart in de onderste helft (vandaar de nederlandse naam pek-steel). Men vindt ze van mei tot september in vochtige loofbossen op dood hout van wilg, populier of es en het is een witrotter. Ze is niet giftig, maar ook vrijwel niet eetbaar, omwille van haar extreme taaiheid. Het is een vrij zeldzame paddestoel

 

 

 

13. Gewone Brunel (Prunella vulgaris)*

De Gewone Brunel, ook wel het Bijenkorfje genoemd, is een lid van de Lipbloemenfamilie (Labiatae) en is een vrij algemeen plantje van grasland, oevers, wegbermen en lichte bossen. De plant prefereert een enigszins vochtige bodem boven een droge. De geslachtsnaam van de plant is een latinisering van de gewone naam; de betekenis ervan is echter onduidelijk. De 5 – 30 cm lange plant heeft kruisgewijs tegenoverstaande bladeren. Ze zijn langwerpig-eivormig, gesteeld, gaafrandig en gekarteld. De schijnkransen vormen een lange, dichte schijnaar. De blauwpaarse bloemen zelf zijn 8 - 15 mm lang. De bovenlip is helmvormig en de bovenlip afstandig; de kelk is tweelippig en ongeveer half zo lang als de kroon. De bloeiwijze is onmiddellijk boven het bovenste bladpaar geplaatst waarbij de bloem duidelijk een eind boven dat bladpaar is geplaatst. Het is een vrij algemeen voorkomende bloem. Oorspronkelijk was het waarschijnlijk beperkt tot Europa, maar tegenwoordig is het over de gehele wereld verspreid. Het verspreidt zich onder andere door uitlopers. Het Bijenkorfje bloeit van mei tot oktober . Het was vroeger een geneeskruid; men maakte er een gorgeldrank van tegen keelontsteking

 
 

 

14. Dotterbloem (Caltha palustris)*

De dotterbloem (Caltha palustris) heeft een voorliefde voor van water verzadigde bodems (natte hooilanden, sloten, oevers, brongebieden, rietlanden en broekbossen). De plant heeft een gele bloem, bestaande uit 5 diepgele, vettig glanzende kelkbladen en vele gele meeldraden (tot 100 toe), maar heeft geen kroonbladen. De bloem kan tot 4 cm in doormeter worden. De bladeren zijn niervormig, glanzend en fijngekarteld, waarbij de onderste langgesteeld en de bovenste zittend zijn en de stengel is hol. De bloemen scheiden veel honing af en worden dan ook veel bezocht door talloze insecten. Rijpe zaden blijven op het water drijven, zodat deze soort zich langs een waterloop snel kan uitbreiden. De dotterbloem behoort tot de ranonkelfamilie (Ranunculaceae) zoals de boterbloem (waar ze trouwens wat op lijkt) , de Europese trollius, de anemoon en de bosrank. Evenals de boterbloem is ze enigszins giftig en het vee graast er voorzichtig omheen. De plant kan tweemaal bloeien per jaar.

 

 

 

18. Gewone Salomonszegel (Polygonatum multiflorum)*

Deze mooie bloem behoort tot de leliefamilie, waartoe ook de hyacint en het lelietje-van-dalen behoren. De salomonszegel heeft echter geen bol als overwinteringsorgaan, maar een dikke, vlezige wortelstok, waarmee ze de winter doorkomt. De geslachtsnaam Polygonatum heeft trouwens betrekking op deze wortelstok, die bestaat uit opvallend veel, vlak bij elkaar zittende knopen. Zijn nederlandse naam dankt zij aan de zegelvormige afdruk, die de afgestorven scheuten achterlaten op de wortelstok Zijn bloemen staan in kleine trossen van 2 tot 5 in de bladoksels, en de kelk- en kroonbladen zijn tot een lange, klokvormige, 6slippige buis vergroeid, die in het midden iets is ingesnoerd. De lange, overhangende stengels dragen talrijke eivormige, ongesteelde bladeren en worden soms tot een meter lang. De plant bloeit in mei-juni en omwille van smalle bloemingang gebeurt de bestuiving uitsluitend door insecten met een lange roltong, daar alleen zij bij de honing kunnen komen. De oorspronkelijk rode bessen, worden later zwartblauw. De plant bevat saponinen, stoffen die in hoge conentraties voor de mens giftig kunnen zijn.

 

 

 

22. Vogelnestje (Neottia nidus-avis)*

Het Vogelnestje is een lid van de Orchideeënfamilie (Orchideaceae), maar dan een wel zeer speciaal exemplaar. Deze keer is er geen prachtig gekleurde bloemtros of ingenieuze kleurenschakeringen, zoals bij de bijenorchis. Niet alleen de bloem, maar de gehele plant heeft een onopvallende geelbruine kleur. De stengel heeft enkel onderaan wat schubvormige bladen van dezelfde kleur en de bloem staat zoals bij de meeste orchideeën in een aarvormige tros, maar over heel de plant is geen vierkante centimeter bladgroen te ontdekken, en dit omwille van de eenvoudige reden dat hij dit niet nodig heeft. Er is dus geen fotosynthese, dus kan de plant op zeer lichtarme plaatsen groeien, daar hij zijn voedingsstoffen op een andere manier krijgt. Hij bekomt die van de schimmel Rhizoctonia neottiae. De schimmeldraden dringen binnen in de nestachtig vervlochten wortels (vandaar de naam vogel-nestje = nidus-avis) en worden daar in bepaalde cellen verteerd. Terwijl geweten is dat de meeste orchideeën waarschijnlijk in symbiose leven met bodemschimmels, is deze soort – samen met nog één andere, de nog zeldzamere koraalwortel (Corallorhiza innata) – eigenlijk een saprophyt. Ze leeft dus van dode, organische stof, die ze met behulp van de wortelschimmels dan inwendig verteert. Tenslotte moeten we nog vernoemen dat ze zich vermeerdert door middel van zaad, maar ook door knopen en dat het in onze streken een zeldzame, beschermde plant is.

 
 

 

27. Bloedweizwam (Lycogala epidendrum)*

Het heet wel zwam, maar dit schepsel heeft eigenlijk niets te maken met paddenstoelen of zwammen. De Bloedweizwam wordt zelfs helemaal niet tot het schimmelrijk gerekend. Het is namelijk een slijmzwam (myxomyceet). Deze worden echter ook door schimmelbiologen (mycologen) bestudeert. Er zijn ongeveer 500 soorten slijmzwammen en dit zijn organismen die zich van alle andere levensvormen onderscheiden. Ze ontstaan uit sporen en ontwikkelen zich tot een plasmodium, om te eindigen in een gefixeerd stadium met vruchtlichamen, waarin zich de sporen ontwikkelen, waarmee ze zich voortplanten en verspreiden. Het plasmodium is een kruipende, zich met micro-organismen zoals bacteriën, schimmelsporen en hyfen, voedende plasmamassa en laat meestal een parelmoerachtig, glanzend ‘kruipspoor’ met voedselresten achter. Een aantal slijmzwammen heeft een wat omvangrijker en compact, vooral felgekleurd plasmodium. Het plasmodium van de wereldwijd zeer algemeen voorkomende Bloedweizwam of Gewone Boomwrat is oranje tot vermiljoen of karmijnrood tot karmijnroze van kleur, maar wat we hier zien zijn de ongesteelde vruchtlichamen (aethalia). Ze staan in kleine groepen en maken soms onderling contact. Doordat ze roze van kleur zijn en bol- of kussenvormig worden ze vaak (vooral in Nederland) ‘Blote-billetjeszwam’ genoemd. Ze zijn van 3 – 15 mm in doorsnee en kunnen in een later stadium ook beige of donkergrijs zijn met schubjes. De sporen worden binnen de wand of het peridium van het vruchtlichaam gevormd. Het omringende vlies barst en scheurt open, waarna de bijna ronde, meestal gestekelde of wrattige minuscule sporen zich in rood- of purperbruine wolkjes via regendruppels en met de wind verspreiden. Ze staan op rottend hout, schors en afgevallen takken of op de grond naast stronken.

 

   

30. Bosaardbei (Fragaria vesca)*

De Bosaardbei behoort tot de Rozenfamilie (Rosaceae), die voornamelijk uit bomen, struiken of kruidachtige planten bestaat, waarvan vele fruitdragend zijn (o.a. braam, mispel, kweepeer, peer, appel, enz ...) Ze hebben gewoonlijk veel meeldraden en tenminste twee afzonderlijke stampertjes. Ze hebben ook steunblaadjes aan de voet van de bladsteel. De bloemen zijn normaal tweeslachtig en 4- of 5-tallig. Wat bij de aardbei eigenaardig is dat de bloembodem kegelvormig is en opzwelt na de bloei. Ze wordt sappig en is in het oog lopend rood : het vormt een ‘schijnvrucht’, die door de vogels graag gegeten wordt. Zodoende worden de eigenlijke vruchtjes, namelijk de droge, éénzadige dopvruchtjes op de schijnvrucht, verspreid. De Bosaardbei is overblijvend, 5 tot 30 cm groot en heeft vele, ver kruipende uitlopers boven de grond, die aan de knopen wortelen en daar nieuwe planten vormen. De stengels dragen 3 tot 10 losse bloeiwijzen, die bestaan uit 1,5 cm grote, witte bloemen met 4 tot 5 elkaar rakende kroonbladen. De bloemsteel is behaard en de bladeren zijn driedelig met 3 ovale, grof-getande, bijna zittende blaadjes, heldergroen en zijde-achtig behaard van boven en bleek blauwgroen en behaard aan de onderzijde. De aardbei zelf is 1 à 2 cm groot, bolvormig en helderrood met vele kleine groene dopvruchten. De rechtopstaande stengels zijn weinig langer dan de bladeren. De bloeitijd valt van mei tot juni en men kan de plantjes vinden in bossen, kreupelhout en ruige weiden. Ze is in Midden-Europa en ook in de Lage Landen zeer algemeen. Met het kweken van aardbeien is men pas in de 18e eeuw begonnen. De gekweekte rassen met hun (veel grotere)’schijnvruchten’ stammen af van kruisingen met enkele Amerikaanse soorten. Maar ook de in het veld groeiende soort kan soms heel goed smaken. Eigenlijk komen er 3 soorten Fragaria voor in Midden-Europa : de Grote Bosaardbei (F. Moschata), die de pittigste schijnvruchten heeft; de Groene Aardbei (F. Viridis), die wat flauw smaakt en de Bosaardbei (F. Vesca).

 

 

 

31. Wit Bosvogeltje (Cephalanthera longifolia)*

De Cephalanthera is een heel eigen geslacht in de familie van de Orchideeën (Orchidaceae) door de vorm van zijn bloemen, omdat de lip minder duidelijk in 2 delen is gescheiden en de overige bloemdekbladen klokvormig naar voren samenneigen. De bloem blijft ook meestal gesloten. Van dit geslacht bestaan er in West-Europa 3 soorten : het Rode Bosvogeltje (C. Rubra, het Bleek Bosvogeltje (C. Damasonium) en het Wit Bosvogeltje. Het Wit Bosvogeltje is een overblijvende, rechtopstaande en onbehaarde plant die 15 tot 60 cm groot kan worden, korte wortelstokken heeft en alleenstaande of meerdere stengels; deze hebben aan de voet 2 tot 4 schubvormige bladeren, die witachtig zijn met een groene punt. De tot 18 cm lange bladen staan verspreid langs de stengel, zijn donkergroen, lancet- tot lijnvormig en toelopend met een iets overhangende top. De schutbladen zijn meestal korter dan het vruchtbeginsel, dat gedraaid is. De geurende (?) witte bloemen staan in aren van 8 tot 20 stuks, waarvan het bloemdek toegespitste bladen heeft en bevatten geen nectar. De 3-lobbige lip (10 – 16 mm lang) steekt naar voren uit en is middenin vernauwd met oranje of gele ribbels. Het Wit Bosvogeltje komt zowel in België als Nederland (Wadden, Kempen, Oost-België) vrij zeldzaam voor en is een beschermde soort. Ze prefereert half-schaduwrijke loof- en vaak beukenbossen, vooral op kalkrijke bodems tot 2000 m hoogte. De bloeiperiode valt voornamelijk van mei tot in juni.

 

 

 

34. Mannetjesorchis (Orchis mascula)*

De Mannetjesorchis is één van de Orchis- of Standelkruid-soorten, die in West- en Midden-Europa voorkomen. De elegante mannetjesorchis bezit een stevige, purperbruine, 15 – 40 (60) cm lange, verticale stengel. De 7 tot 12, 10 cm lange bladeren variëren van breed tot smal. De onderste zijn breed-lancetvormig en zijn op of boven het midden het breedst en vormen min of meer een rozet. Ze zijn gewoonlijk glanzend-groen en donker purperrood gevlekt, maar kunnen ook ongevlekt zijn (!) De bovenste zitten schedevormig aan de stengel. De soms talrijke (10 – 50), lichtpaars tot violet gekleurde bloemen vormen een lange, losse en cilindrische aar. Bij de bloem zelf is de drielobbige lip (met brede zijlobben en een langere middenlob) de landingsbaan voor insecten, die voor de nectar in de naar boven gekromde spoor komen en daarbij met hun kop tegen de polliniën stoten. Deze 8 – 12 mm grote lip is centraal lichter gekleurd en heeft daar roodachtige puntjes. De 11 – 21 mm lange spoor heeft een stomp uiteinde en is ongeveer even lang als het vruchtbeginsel. De 2 zijdelingse, buitenste bloemdekbladen zijn meestal afstaand en teruggeslagen. De overige, met uitzondering van de lip, vormen een soort helm. De Mannetjesorchis is in Hoog-België plaatselijk vrij algemeen, maar elders in de Lage Landen erg zeldzaam. Verder is ze in heel Europa te vinden, behalve in het Hoge Noorden. De bloeitijd is van april of mei tot juni. Ze heeft een voorkeur voor biotopen met kalkhoudende bodems met het liefst een humusrijke bovenlaag en komt voor tot op een hoogte van 3000 meter. Vanwege de teelbalachtige vorm van de knollen worden ze overeenkomstig de middeleeuwse leer der signatuur als afrodisiacum beschouwd. Het griekse woord orchis betekent teelbal

.
 

 

36. Gevlekte Orchis (Dactylorhiza maculata)*

Deze orchidee heeft een verwarrende naam. Er zijn namelijk heel wat orchideeën met gevlekte bladeren, maar alleen deze soort is naar dit kenmerk genoemd. Niet elke gevlekte orchidee is dus een Dactylorhiza maculata. Deze soort behoort dus tot het geslacht Dactylorhiza of Handekenskruid , omdat de wortel handvormig is. Het is een 15 – 60 cm lange, verticale, slanke plant met langwerpige tot lancetvormige bladen, die gekield zijn en spits toelopen. De massieve stengel is bovenaan soms iets hol en is onder de aar geribd. De 6 tot 20 bladeren zijn gewoonlijk matig dicht bedekt met bijna ronde vlekken en bereiken de aar niet. De bovenkant van de bladeren is meestal blauwachtig-groen en de onderkant heeft vaak een zilverachtige weerschijn. De witachtig over bleekroze tot lichtpurperen bloemen (20 tot 50) staan in een vrij brede bloei-aar, die eerst spits toeloopt (piramidaal) en tenslotte cilindrisch wordt. De buitenste bloemdekslippen (sepalen) staan duidelijk af, terwijl de binnenste (sepalen + petalen) elkaar raken en het zuiltje omhullen. De lip is ondiep drielobbig, breed driehoekig met grote, ronde zijlobben. De middenlob is klein en korter dan de beide zijlobben. De gehele lip is getekend met stipjes, streepjes en lusvormige lijntkes. De spoor is ¾ maal zolang als het vruchtbeginsel, soms iets langer, tamelijk dun (1,5 – 2,5 mm dik) en naar het eidne geleidelijk dunner wordend. De bestuiving gebeurt door hommels en bijen, hoewel de pant geen honing produceert. De bloeitijd valt van mei tot juli (hoe meer noordelijk, hoe later). De Gevlekte Orchis groeit in groepen en schijnt een voorkeur te hebben voor enigszins kalkarme bodems, natte weiden, moerassen, duinvalleien, bergweiden (!), lichte bossen en bosranden. Haar areaal strekt zich uit over geheel Europa (het hoofdgebied is westelijk Midden-Europa) tot boven de poolcirkel, terwijl ze in het mediterraan gebied wel beperkt blijven tot de gebergten. Daardoor zijn vele locale rassen of variëteiten ontstaan, waarvan de grenzen nauwelijks te bepalen zijn.

 

 

 

37. Witte Narcis (Narcissus poeticus of radiiflorus)*

Deze mooie bloem behoort natuurlijk tot de Narcissenfamilie (Amaryllidaceae). Tot deze familie behoren meestal bolplanten met afwisselend geplaatste bladen. De bloemen zijn alleenstaand of staan in groter aantal om het eind van een onbebladerde stengel. De bloemen gelijken veel op die van de Leliefamilie, doordat zij ook bestaan uit 2 kransen van 3 bloemdekblaadjes, 2 maal 3 meeldraden en een stamper. Het vruchtbeginsel is echter onderstandig. De vrucht is meestal een doosvrucht of soms een bes. De Witte Narcis is een onbehaarde, vaak pollen vormend bolgewas met grondstandige bladen en alleen staande bloemen. De 2 tot 5 bladen zijn enigszins vlezig, iets gegroefd en 6 tot 10 mm breed. De geurende bloemen, 4 – 5 cm in doorsnede – hebben 6 bloemdekbladen en een kleine kom of bijkroon in het midden, die geel is met een golvende bruine of oranje rand. De veelzadige doosvrucht is 3-hokkig. Ze bloeit van april tot in mei en komt voor in Midden- en Oost-Frankrijk, maaris ook ingeburgerd in Engeland en Duitsland. Bij ons komt ze meer voor als sierplant en dan ook half verwilderd in vochtige weiden, parken en tuinen.

 

    
 

38. (Echte) Koekoeksbloem (Lychnis flos-cuculi of Silene flos-cuculi)*

We zijn in de loop van ons GR5-wandelavontuur al regelmatig koekoeksbloemen tegengekomen, zoal de dag- en avondkoekoeksbloemen en ook die behoren tot de Anjerfamilie (Caryophyllaceae), maar de Echte Koekoeksbloem is wel een zeer mooi exemplaar. Het is een vaste plant, die ook bij ons vrij algemeen is en tot 90 centimeter groot kan worden. De latijnse soortnaam (flos-cuculi) wijst op het spuugachtige materiaal dat op de plant kan gevonden worden en koekoeksspuug werd genoemd (in het Duits Kuckuckslichtnelke en in het Frans fleur-de-coucou). Dit schuim, dat vroeger inderdaad voor koekoeksspuug aanzien werd, is afkomstig van een insect, de schuimcicade. De plant heeft een ruwbehaarde stengel en draagt smalle, lancetvormige bladen. De meestal roze, een enkele maal witte bloem heeft 5 kroonbladen, die elk onregelmatig 4-spletig zijn. De bloeiperiode loopt van mei tot augustus en wordt weinig beïnvloed door klimaatschommelingen. De plant heeft slechts weinig stengelbladen, waardoor de bloemen des te meer opvallen. De plant komt in heel Europa voor, van Noorwegen tot in de Kaukasus. Haar standplaats bestaat uit nattegraslanden, veengebieden en vochtige bossen. Hoewel het bij ons een inheemse plant is, en ze plaatselijk vaak in flinke groepen kan bloeien, houdt ze zich in tuinen vaak moeilijk in stand. De plant bevat saponine, een zeepachtige, giftige stof.

 

40. Knikkend Nagelkruid (Geum rivale)*

Het Knikkend Nagelkruid (Geum rivale) behoort tot de enorme Rozenfamilie (Rosaceae). Naast vele bomen (lijsterbes, pruim, mispel, ...) en struiken (hondsroos, cotoneaster, spiraea) bevat deze familie ook vele kruidachtige planten, waar het Nagelkruid toe behoort. Zoals de meeste leden van de rozenfamilie heeft het Nagelkruid veel meeldraden en 5 kroon- en kelkbladen. De bloem heeft vele stampers , die elk een lange, dunne, blijvende haakvormige stijl bezitten. Er is een bijkelk aanwezig en de bladen zijn geveerd. Het Knikkend Nagelkruid is een rechtopstaande, behaarde, weinig vertakte, overblijvende plant (20 – 60 cm groot) met enkele grote, knikkende, geelachtig-rode bloemen, die ongeveer 2 cm groot zijn. De kelkbladen zijn roodachtig-paars, even lang als en aangedrukt tegen de kroonbladen, die 1 tot 1,5 cm lang zijn, spatelvormig, genageld (!) en dof-oranje-roze zijn. De kelkbladen zijn na de bloei rechtopstaand. De wortelbladen zijn geveerd met 3 tot 6 paar rondachtige tot eironde, gelobde en getande blaadjes. Het eindblaadje is het grootste, terwijl de stengelbladen kleiner zijn en gewoonlijk drietallig. De vrucht is een verzameling dopvruchten met zoals gezegd haakvormige stijlen. Bij ons zijn ze vrij zeldzaam voorkomend en ze prefereren moerassen, drassige plaatsen en bossen. In de Alpen zij ze algemeen en talrijk tot op 2000 meter (soms tot 2400 m). Ze staan in bloei van mei tot juli. Het is een oud geneeskruid, want de wortelstok bevat een zwakgiftige olie. De bloemen worden bestoven door hommels.

 

 

 

42. Soldaatje (Orchis militaris)*

Het Soldaatje behoort tot het Standelkruid (Orchis) en dat is het geslacht, waarbij de wortel uit (2) knollen bestaat. Deze onbehaarde, 25 – 50 cm grote, krachtige plant heeft gewoonlijk een alleenstaande, krachtige en kantige stengel. De ongevlekte bladen zijn glanzend groen. De onderste 3 tot 5 zijn eirond tot lancetvormig, terwijl de schaarse , hogere bladen rechtopstaand en kleiner zijn en daarbij stengelomvattend. De roze tot roze-achtig paarse bloemen lijken op mannetjes en staan in tamelijk dichte, rijkbloemige, cilindervormige aren. De kelk- en kroonbladen van iedere bloem vormen een gesloten , asgrijze, spitse helm. Ze is licht lila-rose tot wit van kleur en heeft aan de binnenkant donkerpaarse nerven. De tamelijk vlakke lip (12 – 15 mm lang) heeft 3 lobben, warvan de middelste (= het mannetje) 2 (langere) ‘armen’ en 2 (kortere) ‘benen’ heeft met tussen die twee laatste nog een klein middenlobje. Het is diep paarsrood of roze gespikkeld (=papillen). De spoor is kort en omlaag gebogen. Men vindt het Soldaatje in heel Midden-Europa tot in Zuid-Zweden en Siberië, maar ze is zeldzaam in het Middellandse Zeegebied. In Nederland is het zeldzaam in Limburg en de duinstreek. In België komt het voor in het noordelijk kustgebied en het Maasdistrict in loofbossen en grasland op kalk. Het is een beschermde soort. De bloeitijd is van mei tot juni. Het Soldaatje behoort tot die soorten, die zich binnen enkele jaren op nieuwe groeiplaatsen kunnen vestigen. Daarnaast vindt men de soort ook op plaatsen waar het bos recentelijk werd gekapt of uitgedund. Optimaal echter groeit de soort op iets voedselrijkere bodems, waar zich dan bijzonder krachtige exemplaren kunnen ontwikkelen.

 

 

 

47. Wit Hoefblad (Petasites albus)*

Deze 7 tot 30 cm grote plant (die in de vruchttijd tot 60 cm groot kan worden) behoort tot de Composietenfamile (Compositae of Asteraceae) en kent zijn bloeiperiode van februari (soms van zodra de sneeuw smelt) tot in mei. Ze heeft een kruipende wortelstok. De forse stengels hebben alleen bleke schutbladen en vormen grote groepen. De zeer grote (15 tot 30 cm breed) wortelbladen verschijnen na de bloei en zijn hartvormig, van onderen grijsviltig en vertonen fijne nerven, die onderling netvormig met elkaar verbonden zijn. Ze hebben ongelijke lobben en de bladsteel is aan de bovenkant rond. De geelwit of witachtige, geurende bloemen zijn tweehuizig en hebben bloemhoofdjes met buisbloemen. Ze zijn langwerpig met een lichtgroen omwindsel en ongeveer 0,25 cm groot. Bij mannelijke planten zijn ze groter en staan dichter opeen, tot 45 bijeen in een brede tros. De plant is spinnewebachtig behaard. Ze houden van beschaduwde, soms zonnige plaatsen op voedselrijke, vochtige grond in loofbossen, aan oevers van beken en rivieren en in parkland en hooiland en aan wegranden. Ze komen voor in berggebieden in West-Azië en Midden-Europa tot 1900 meter hoogte, noordelijk tot in Zuid-Noorwegen en ook in Groot-Brittannië. In de Lage Landen komen ze in het wild alleen voor in de zuidelijke en oostelijke Ardennen.

 

 

 

48. Blauwe Bosbes (Vaccinium myrtillus)

In het Engels worden ze Blueberry of Huckleberry genoemd, in het Frans Myrtille, in het Duits Heidelbeere en in de Kempen bij ons “Klokkebaaien”. Deze lage, 15 tot 50 cm grote, overblijvende plant heeft soms een lange bloeiperiode, normaal van april tot in juni, maar soms ook tot in oktober ! Ze behoort tot de Hei(dekruid)familie (Ericaceae). Het zijn sterk vertakte struikjes, waarvan de takken rechtop staan , glanzend lichtgroen zijn, smal gevleugeld (kantig) en vrijwel kaal. Ze groeien vaak in grote groepen. De bladeren zijn lichtgroen, 2 tot 3 cm groot en kaal, eirond en spits tot vrij stomp. De bladrand is vlak en fijn gezaagd. De bladeren vallen in de winter af. De meestal alleenstaande , 4 tot 6 mm grote bloemen staan in de bladoksels. Ze zijn bolvormig (urnvormig wordt ook gezegd), bovenaan sterk vernauwd met teruggeslagen slippen, knikkend en meestal vijftallig. Aan de voet zijn ze bleekgroen, en naar de top toe lichtrood. Ze hebben korte, naar buiten omgerolde lobjes. De meeldraden bestaan uit een kale helmdraad met aan beide kanten van de helmknop 2 afstaande kromme hoorntje. De stijl loopt door tot in de opening van de kroon. De vruchten zijn blauwzwarte, ronde bessen, die zoet en eetbaar zijn. Ze bevatten paars sap en bovenaan zit een indeuking. De bloemen vormen en rijke honingbron voor langtongige insecten, zoals de honingbij en rupsen van nachtvlinders voeden zich met de bladeren. In de herfst doen allerlei vogels, vooral hoenderachtigen, maar ook vossen zich tegoed aan de weelderig gevormde, zoete, vlauwzwarte bessen, die een bijzonder fraaie, zachte, blauwgrijze glans vertonen. De mens eet deze zeer vitaminerijke (20 mg vitamine C per 100 gr vers gewicht) vruchten zeer graag (vers, in jam of op gebak) en gebruikt(e) ze ook als geneesmiddel. Ze wordt ook gebruikt voor conserveren, om wijn te kleuren en voor sterke drank. Verder leveren ze een blauwe of zwarte kleurstof, waarvoor ze al gebruikt werden sinds de Romeinse tijd. Ze worden dan ook graag geplukt en in Duitsland schat men de totale oogst in goede jaren zelfs op 5000 tot 10000 ton. Vooral de gedroogde bessen zijn vanwege hun hoog looistofgehalte een goed middel tegen diarree. De soortnaam myrtillus heeft betrekking op de bladeren, die een zekere overeenkomst zouden vertonen met de bladeren van de Mirte. Ze groeien graag op licht tot matig beschaduwde plaatsen op droge tot vochtige, voedselarme, zure grond in bossen (waar ze soms grote stukken bodem kunnen bedekken), op houtwallen, humeuze heiden en op veendijkjes in het hoogveen. Ze zijn gevoelig voor voorjaarsvorst en daardoor aleen blijvend als de sneeuw lang blijft liggen. Ze kunnen tot 2500 meter hoogte gevonden worden. Men vindt ze in heel Europa, behalve de zuidelijkste delen. Ook in West- en Midden-Siberië en Klein-Azië en ze zijn ingeburgerd op een aantal plaatsen in Noord-Amerika. In Nederland vindt men ze zelden in laagveengebieden en in de duinen, maar voor de rest zijn ze algemeen in de Lage Landen. In tegenstelling tot de bladverliezende Blauwe Bosbes is de Rode Bosbes (Vaccinium vitis-idaea) ook ‘s winters een groen dwergstruikje met harde, enigszins leerachtige bladeren. De rode bessen zijn rauw vrij hard en zurig. Ze worden dan ok meestal tot compote verwerkt. De bladeren en stengels leveren een gele kleurstof op. Van hetzelfde geslacht hebben we ook nog de Veenbes (Vaccinium oxycoccus) en de Rijsbes (Vaccinium uliginosum)

 

 

 

49. Witte Klaverzuring (Oxalis acetosella)*

Deze plant behoort natuurlijk tot de Klaverzuringfamilie (Oxalidaceae). Het zijn 5 tot 10 cm grote, overblijvende plantjes, die bloeien in april en mei. Ze hebben roodachtige wortelstokken, die ver kruipend en vertakt zijn en met roze schubben bedeelt. De klaverachtige, drietallige bladeren zijn wintergroen, verspreid staand en wortelstandig. De deelblaadjes zijn hartvormig en bleekgroen. De bladeren zijn drietallig en doen aan klaverblaadjes denken (vandaar de naam), maar er bestaat geen enkele verwantschap tussen de beide plantengroepen. ’s Nachts klappen de blaadjes van de Klaverzuring naar omlaag in een slaaphouding (energiebesparend). De ongeveer 1 cm grote bloemen staan alleen aan een lange steel en vertonen halverwege de steel en vertonen halverwege de steel 2 steelblaadjes. De 5 kroonbladen zijn wit of roze met paarse aderen en een gele vlek aan de voet en de kleine kelkbladen (4 – 5 mm) zijn langwerpig-eirond. De doosvruchten zijn 3 tot 4 mm groot, eivormig, hoekig en kaal. De Witte Klaverzuring heeft een zeer eigenaardige manier van voortplanten. Men kan namelijk 2 verschillende typen van bloemen vaststellen. De eerste zijn de bekende, langstelige, witte, paars geaderde bloemen, die in het voorjaar op sommige plaatsen de bosbodem bedekken. De rijkelijk aanwezige nectar lokt bijen en kevers aan. Niettemin brengen deze bloemen slechts spaarzaam zaden voort. Een tweede, veel minder bekend type bloemen ontwikkelt zich ‘s zomers op zeer korte stelen dichtbij de bodem. Deze kleine(re) bloemen gaan nauwelijks open en bestuiven zichzelf (= cleistogaam), maar brengen het grootste deel van de zaden voor de volgende generatie voort. De rijpe vruchten zaaien de zaden zelf uit dor een mechanisme, waardoor de zaden metersver van de moederplant worden weggeslingerd. Doeltreffend is ook nog de vegetatieve vermeerdering door middel van de kruipende, vertakte wortelstok. Ze houden van beschaduwde plaatsen op vochtige, matig voedselarme tot matig voedselrijke, zwak zure, humeuze grond in bossen, heggen, slootkanten, op boomstronken, rotsen, bermen, bosranden en bronbossen aan de voet van hellingen. In gebergten komen ze voor tot op 2000 meter hoogte. De mogelijkheid om in de schaduw te groeien berust op het uitbuiten van de geringe hoeveelheid lichtenergie voor de chemische processen, die in het blad plaatsvinden en voor de aanmaak van voedsel dienen. Zelfs als de Klaverzuring slechts 1 % van het licht ontvangt, dat men in een open veld kan meten, dan maakt hij nog zoveel voedsel als hij in 24 uur verbruikt. Een volledige productie (fotosynthese) bereikt hij reeds bij 10 % van het daglicht. Bij sterkere belichting klappen de blaadjes omlaag, een effect dat ook door herhaaldelijke aanraking kan worden opgeroepen. De bladeren bevatten oxaalzuur (zuringzuur) en oxaalzuurzouten en smaken daardoor … zuur ! Het zou een bescherming kunnen zijn tegen dieren. Juist deze stoffen maken de plant zwak giftig (slecht voor de nieren; cfr. oxalaatnierstenen). Ze komen voor in de koele en gematigde streken van Europa en Azië. In de Lage Landen komen ze vooral voor in het Maasgebied en de Ardennen.

 

 

 

50. Rood Peperboompje (Daphne mezereum)*

Bij de Peperboompjesfamilie (Thymelaeaceae) verschijnen de bloemen voor de bladeren. De Thymelaceëen zijn heesters of bomen met verspreide of tegenoverstaande, enkelvoudige bladen. De plant die we hier voor ons hebben kan tot 50 cm hoog worden en bloeit zodra de sneeuw gesmolten is (op lage hoogtes is dat vanaf februari/maart en op grotere hoogtes vanaf juni/juli). Tijdens de bloei blijft de plant dus bladloos of met enkele bladen in een bundel aan de takeinden. De bloemen lijken dan direct uit de houtige takken te komen. Dit laatste maakt de plant zeer decoratief, zodat ze in veel tuincentra verkocht worden. Ze zitten in groepjes van 1 tot 7 bijeen en hebben een rozerodeof roodviolette kleur en geven een vrij sterke geur af (sommigen beweren zoals kruidnagel). De 8 meeldraden staan 4 aan 4 op verschillende hoogte. De bloemkroon ontbreekt en er is 1 stamper met een bovenstandig vruchtbeginsel. In de bloeiperiode ziet men van de bladeren, zoals gezegd, slechts een meer of minder ontvouwde, eindstandige groene knop of een bosje bladeren. Later echter verschijnen de eliptische, leerachtige bladeren en na de bloei ook de helderrode tot geelachtige bessen. En niet alleen deze vruchten, maar ook de schors en het hout zijn zéér giftig ! De bessen hebben een afschuwelijk scherpe smaak, en zullen dus niet gemakkelijk opgegeten worden, maar toch komen vergiftigingen – ook dodelijke – vaak voor (dus oppassen als ze in je tuin staan), daar de helderrode bessen een niet te onderschatten aantrekkingskracht uitoefenen op kinderen. Het sap van bast en bessen kan op de huid blaren en moeilijk genezende wonden veroorzaken. Vogels hebben er echter geen hinder van. De honingrijke bloemen lokken alle insecten van het vroege voorjaar, zoals vlinders, bijen en hommels, die zorgen voor kruisbestuiving, doordat bij het terughalen van de zuiger stuifmeel wordt meegenomen, dat op de stempel van de volgende bloem terechtkomt. Zelfbestuiving komt daardoor niet voor en leidt in de enkele gevallen dan meestal toch niet tot vruchtvorming. De plant komt voor op hoogtes van 300 tot meer dan 2000 m in heel het Europese bergland van Spanje tot in Roemenië, vooral op droeg, stenige en kalkrijke bodems, meestal in open bossen, op open plekken en in alpenweiden.

 

 

 

51. Kleine Hoefblad (Tussilago farfara)*

Dit plantje heeft niets te maken met het Groot Hoefblad of het Wit Hoefblad. Het is zelfs van een heel andere familie, de Composietenfamilie (Asteraceae of Compositae). Het Klein Hoefblad is een tot 25 cm groot, overblijvende plant die in bloei staat van februari tot in april. Ze behoort tot één van de eerste bloeiers en een voorbode van de lente. Hoe hoger men ze aantreft, des te later ze natuurlijk in bloei staan. Ze hebben een kruipende wortelstok met lange, tot meer dan een meter, ondergrondse uitlopers. De bloeistengels staan niet rechtop en zijn onvertakt, hebben langwerpige, groene tot bruinrode schubben en een spinragachtige beharing. De bladeren zijn wortelstandig, vrij rond, van 10 tot 30 cm breed en hebben en hartvormige voet. Ze verschijnen pas tegen het eind van de bloei. De bladsteel is zijdelings afgeplat en de bladeren hebben een hoekige, ongelijk getande rand en zijn an de bovenkant spinnewebachtig behaard en van onder witviltig. De bloeistengels hebben 1 geel bloemhoofdje, eerst opgericht, later (als de bloem uitgebloeid is) knikkend, 2 tot 3 cm groot met buisbloemen en zeer smalle vrouwelijke lintbloemen. De bloeiende bloemhoofdjes wenden zich niet alleen ongeveer in de richting van het sterkste licht, maar sluten bij donker weer en ’s avonds. Er is 1 rij omwindselbladeren, die voor de echte bladeren verschijnen. De 1 cm grote zaden zijn dun en cilindervormig en hebben een vruchtpluis van enige kransen van zijdeachtige, witte haren, ongeveer drie keer zo lang als de zaadjes. Ze komen voor in het grootste deel van Europa en West- en Midden-Azië, Noordwest-Afrika en Oostelijk Noord-Amerika. Bij ons komen ze algemeen voor langs wegen, op dijken, in steengroeven en op stortplaatsen. Het is een geneeskruid, want de plant bevat slijmstoffen en looistoffen (vooral in de bladen). De gedroogde bladen worden ook thans nog verwerkt in diverse merken hoest- en longenthee. De geslachtsnaam Tussilago is afgeleid van de latijnse woorden tussis = hoesten en agere = verdrijven.

 

 

 

53. Eenbes (Paris quadrifolia)*

De Eenbes is een 15 tot 30 cm, overblijvende plant van de Leliefamile (Liliaceae), die bloeit van april tot in juni. De plant heeft lange, ondiep kruipende en weinig vertakte wortelstokken. De stengels zijn rechtopstaand en kaal en de soort groeit vaak in groepen. De bladeren vormen meestal een krans van 4 bladeren halverwege de stengel en zijn breed-eirond met 3 tot 5 nerven. De 2 tot 3 cm lange en 5 mm brede, alleenstaande, geurloze, gesteelde bloemen zijn meestal 4-tallig, waarbij de buitenste groene, spitse bloembladen langwerpig-eirond en de binnenste 4 wat korter en smaller (priemvormig) zijn. Meestal zijn er 8 meeldraden (soms 10 of 12) en 4 gekromde stijlen. De helmknoppen zijn oranjegeel. De vruchten zijn blauwzwarte, bittere, giftige bessen (bevatten saponine) van ongeveer 1 cm groot, slechts 1 per plant. Ook de andere plantendelen zijn trouwens giftig. Vroeger werd de plant veel in geneeskrachtige kruidenmengsels gebruikt. De zaden zijn rood en worden zichtbaar als de doosvrucht openspringt. Ze groeien op beschaduwde plaatsen op vochtige tot vrij natte, matig voedselrijke, zwak zure tot kalkhoudende, humusrijke grond in loofbossen, langs beekjes en bij bronnen. We vinden ze terug in de gematigde en koudere streken van Azië en Europa. In de Lage Landen zijn ze zeldzaam in Zuid-Limburg en Noord-Brabant, maar algemeen tot vrij zeldzaam in België. De wetenschappelijke naam verwijst naar de Griekse mythologie. Paris was scheidsrechter in het conflict tusse de godinnen Hera, Athene en Aphrodite om de twistappel van Eris, waarvoor de vrucht van de Eenbes een symbool is. Quadrifolia duidt op de zeer zeldzame, viertallige symmetrie van de plant.

 

 

 

54. Vlierorchidee of Vliergeurorchis ( Dactylorhiza sambucina)*

Deze 10 tot 30 cm grote orchidee behort dus tot het Handekenskruid geslacht, die dus handvormig gelobd of gedeelde knollen hebben. De bladeren zijn bleekgroen, glanzend en ongevlekt. Ze zijn eivormig, langwerpig, grond- en stengelstandig (tot het midden van de stengel). De bloem is vrij groot en meestal geel (minder vaak paars-rod en dan met een gele lipbasis) en vormt een dichte aar met een onduidelijke vliergeur. De bloemlip is breder dan lang en onduidelijk drielobbig met een onduidelijk honingmerk. Het spoor is zeer dik, kegelvormig stomp en naar beneden gericht. Ze is zo lang als of langer dan het vruchtbeginsel. De schutbladen zijn groen of roodachtig en langer dan de bloem. Het is een warmte-minnende plant van droge, kalkarme, mineralenrijke, en vaak stenige leemgrond en groeit vornamelijk op weiden en in halfdroge graslanden en open bossen. Ze is vrij zeldzaam en we vinden ze vooral terug in weiden in de heuvels en bergen van Oost- en Centraal-Europa tot een hoogte van 2000 meter.

 

 

 

56. Morgenster (Tragopogon pratensis)*

Deze plant met zijn prachtige bloem is twee- of meerjarig, kan tot 90 cm groot worden en bloeit van mei tot en met juli. Ze behoort tot de Composietenfamilie (Compositae of Asteraceae). De plant heeft een penwortel en de stengels zijn rechtopstaand en niet of weinig vertakt en meestal kaal. Na insnijding geven die meestal melksap af. De smalle, langwerpige, stengelomvattende bladeren zijn lang toegespitst, parallelnervig en hebben een gave rand. De licht- tot goudgele bloemen zijn 3 tot 7 cm in doorsnede en er zijn allen lintbloemen, die meestal korter zijn dan de 8 tot 10 lijnvormige omwindselbladen. De stijlen zijn ook geel. De helmknoppen zijn geel met een zwartpaarse top. Het vruchthoofdje is een kenmerkende witachtige pluisbol van tot 12 cm doorsnede. De zaden zijn gesnaveld en dragen vruchtpluis van veervormige haren, die in elkaar grijpen. Een eigenaardigheid aan de bloemen van de Morgenster is dat deze’s morgens vroeg opengaan en zich weer sluiten rond het middaguur. Daarom is één van de Engelstalige benamingen van deze bloem “Jack-go-to-bed-at-noon”. De Morgenster groeit op zonnige, iets open tot grazige plaatsen op droge tot vochtige, matig voedselrijke, humushoudende, al of niet kalkhoudende grond in bermen, op hooiland, rivierdijken, langs spoorwegen, ruderale plaatsen, duingebieden, plantsoenen en omgewerkte grond. Ze komt voor in het grootste deel van Europa en Midden-Azië en is ingeburgerd in Amerika en Nieuw-Zeeland. De wetenschappelijke naam Tragopogon is afgeleid van het Grieks tragos (= bok) en pogon (= baard). Dit heeft betrekking op de witte, lange haren van de vruchtjes. Vooral wanner het hoofdje nog gesloten is, zien de eruitkomende haren er als een baard uit. Vroeger werden de wortels van deze plant in diverse streken gegeten. Wanneer de Gele Morgenster niet bloeit, is de kans groot dat men hem niet als een composiet herkent. De bladeren zijn namelijk heel smal en lang, waardoor de plant meer op een grassoort lijkt. Wanneer de vruchtjes rijp zijn, vormen ze een kogelrond hoofdje als dat van de Paardebloem, maar nog groter. Soms zijn de hoofdjes van deze plant door een brandzwam (Ustilago tragopogi) aangetast. Ze veranderen dan in een zwarte, poederachtuige massa.

 

 

 

57. Poppenorchis (Aceras anthropophorum)*

De Poppenorchis is een overblijvende, 10 tot 40 cm grote, overblijvende plant van de Orchideeënfamilie (Orchidaceae), die bloeit van april tot juni. De stengel heeft aan zijn voet meerdere bruine scheden. De bladeren zijn langwerpig, glanzend groen en de bovenste zijn kleiner. De schutbladen zijn lancetvormig, vliezig en korter dan het vruchtgbeginsel. De 1 tot 1,5 cm grote bloemen zijn groengeel, met een rood- of bruinachtige rand en lijntjes en hebben een hangende bloemlip, die 12 mm lang is en bestaat uit 3 delen, waarvan de middenslip 2 spleten heeft en de zijslippen lijn- of draadvormig zijn. De bloembekleedsels vormen een ‘helm’ en de lip lijkt op een poppetje met armen en benen (vaak met een staartje ertussen), vandaar de naamgeving. Die zogenaamde helm staat sterk over de zuil heengebogen. De bloemen hebben geen spoor (wat vrij uniek is bij deze familie) en de vaak veelbloemige aren zijn slank. De Poppenorchis houdt van zonnige tot half-beschaduwde plaatsen op matig droge, voedselarme, kalkrijke, humeuze grond op kalkgrasland, duingrasland, verlaten groeven, hellingen, open struikgewas, bosranden en langs paden. De plant komt voor in Noord-Afrika, Zuid-, Midden- en West-Europa, noordelijk tot in Midden-Duitsland, Nederland en Midden-Engeland. In de Lage Landen komen ze voor in Nederlands Zuid-Limburg en het Maasgebied en de zuidelijke Ardennen in België. Tegenwoordig is men de plantenfamilies aan het her-indelen, nu ook het DNA van de bloemen onderzocht wordt. Het blijkt dat uiterlijke en zelfs microscopische kenmerken dus niet altijd een juiste indeling garanderen. Hierdoor zou de Poppenorchis her-ingedeeld worden bij de Orchis-familie en dus Orchis anthropophora genoemd worden.