Benelux

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Slanke Sleutelbloem (Primula Elatior)

In onze streken komen er drie soorten sleutelbloemen voor, waarvan er twee erg op elkaar gelijken : de echte of gulden sleutelbloem (Primula veris of officinalis) en de slanke sleutelbloem (Primula elatior). De echte sleutelbloem houdt meer van vrij droge plaatsen in weiden en loofbossen. De slanke soortgenoot verkiest koele, vochtige en meer schaduwrijke plaatsen . Daarom ook groeien de soorten zelden op dezelfde plek. Uit dit laatste kenmerk zouden we kunnen concluderen dat we hier met de Primula elatior te doen hebben, de Slanke Sleutelbloem. Het is niet moeilijk te begrijpen waar de bloem zijn wetenschappelijke naam vandaan gekregen heeft. Primula is de verkleiningsvorm van het latijnse primus (= eerste) , en omdat de sleutelbloem één van de eerste voorjaarsbloeiers is (gewoonlijk zien we hem inderdaad reeds in maart), noemden de botanici hem de kleine eersteling

 

Porseleinzwam (Oudemansiella mucida)

De latijnse naam heeft zeker een nederlandstalig tintje, genoemd naar de 19e eeuwse Nederlandse plantkundige en schrijver A. Oudeman Deze plaatjeszwam van de orde der Tricholomatales is niet erg groot en heeft onder zijn witte hoed vrij dikke eveneens witte, ver uiteenstaande, aangehechte plaatjes. De hoed is met een dikke slijmlaag bedekt (= mucida) en zeer dunvliezig. Tegen het licht gehouden is ze bijna doorschijnend. Ook de ongeveer 10 cm lange steel is wit en heeft een ring. De porseleinzwam komt voor op dode of reeds zieke loofbomen, vooral op beuk. Uit het mycelium wordt tegenwoordig mucidine gewonnen, een antibioticum tegen huidschimmels . De zwam is eetbaar, maar weinig smakelijk. Er zit weinig vlees aan, maar ze kan worden gebruikt in gemengde schotels. Ze komen bij ons algemeen voor en vooral het feit dat ze in bundels voorkomen op stammen, stronken en takken van vooral beuken en er zo wit uitzien maakt ze herkenbaar.

 

Panteramaniet (Amanita pantherina)

De panteramaniet staat na de Groene knolamaniet (Amanita phalloïdes) op de tweede plaats als veroorzaker van vergiftigingen. De beigekleurige tot grijsbruine hoed is op latere leeftijd aan de rand gegroefd en bijna altijd over het gehele oppervlak met kleine restvelletjes van het omhulsel (velum) bedekt. De basis van de steel is knolachtig breed en aan de bovenkant ervan zitten vaak 1 tot 3 scheve ringen. De panteramaniet groeit van juni tot oktober meestal in bossen en zijn op sommige plaatsen vrij algemeen te vinden. Het grote probleem bij deze zwam is dat hij veel gelijkenis vertoont met de Parelamaniet (Amanita rubescens) en de Grauwe (Knol)Amaniet (Amanita spissa of excelsa). Deze beiden zijn eetbare amanietsoorten en soms wordt de panteramaniet voor één van deze beide soorten gehouden, met dikwijls nefaste gevolgen. Vooral de ongegroefde ring en het niet-verkleurende vlees zijn kenmerkend voor de panteramaniet. 

 

1. Grote Stinkzwam (Phallus impudicus)

We kunnen hem niet missen, zoals hij daar wit en trots uit de zijkant van de holle weg omhoog steekt. Hij is ongeveer een dikke 10 cm groot en zijn hoed is nog voor een deel met de groene gleba bedekt. De vlieg, gelokt door de doordringende aasgeur,komt erop zitten en zal zo wel enkele sporendruppeltjes mee nemen, die elk duizenden sporen bevatten er zo voorzorgend dat de zwam zich kan verspreiden. De Grote Stinkzwam heeft oorspronkelijk een ronde vorm en wordt dan ‘duivels- of heksenei’ genoemd. Meestal ‘s nachts breekt de paddenstoel doorheen de oppervlakte en bereikt dan in enkele uren zijn volledige lengte van een 10 tot 15 cm. Dooordat ze zo plots uit het niets tevoorschijn kwamen en ook waarschijnlijk omwille van hun niet zo appetijtelijke geur, hebben ze hun niet zo flatterende naam gekregen.

 
 

2. Witte Kluifzwam (Helvella crispa)

Ik herken ze aan de typische onregelmatig gelobde hoed en ze zijn vrij klein (ongeveer 5cm). De witte kleur en de duidelijk overlangs geribde steel laten geen twijfel bestaan over de soort. De kluifzwam is een ascomyceet (of zakjeszwam) in tegenstelling tot de meer voorkomende basidiomyceten (of steeltjeszwammen), zoals de plaatjeszwammen. Dit zijn de 2 grote onderafdelingen van het paddenstoelenrijk. Bij de eersten worden de sporen gevormd in (meestal langwerpige) zakjes (asci), terwijl ze bij de laatsten groeien aan steeltjes (basidiën). De witte kluifzwam is zo echter ook te herkennen. De vruchtbare laag met de sporenvormende asci (het hymenium) zit hier boven op de hoedjes. De meeste kluifzwammen, behalve de giftige voorjaars- en reuzenkluifzwammen, zouden eetbaar zijn, maar best na ze eerst af te koken.

 
 

3. Geschubde Inktzwam (Coprinus comatus)

Juist naast de weg op een open plek tussen enkele bomen, staat een heel tapijt van geschubde inktzwammen in alle stadia van ontwikkeling. Er zijn mooie, jonge, witte exemplaren met hun nog steeds cilindervormige hoed, volwassen modellen met hun soms fijn beschubde kruin en ook oudere paddestoelen, waarvan de lamellen onder hun nu rechte hoed al zwart verkleurd en soms vloeiend zijn. Deze inktzwam heeft ook een ring rond de steel, die er echter niet mee vergroeid is en dus later gemakkelijk naar beneden kan schuiven. De meeste paddenstoelen van deze familie zijn giftig, als ze in combinatie met alcohol gegeten worden. Ze bevatten de stof coprine, die in combinatie met alcohol warmteaanvallen, duizelingen en soms ook ademnood geven.

 
 

4. Zwarte Knoopzwam (Bulgaria inquinans)

Het zijn kleine, ronde donkere zwammetjes, die erg rubberachtig aanvoelen. Deze meestal in het najaar voorkomende zwam ziet er eerst bol- tot schijfvormig uit met een donkerbruine buitenkant en een glanzende roodbruine vruchtbare binnenlaag. Later wordt hij egaal zwart en gesteeld. Het is eveneens een zakjeszwam. Ze komen vooral voor op liggende, nog vrij verse, niet-ontschorste stammen van loofbomen, vooral eiken en ze groeien in grote groepen.

 
 

5. Boerenwormkruid (Tanacetum vulgare)

Deze wel een meter hoge plant is een composiet, die bij ons veel voorkomt in bermen, op hellingen en open plekken. Uit een wortelstok groeien verschillende stengels omhoog, die rijk voorzien zijn van fel geveerde bladeren, maar slechts helemaal bovenaan vertakt zijn. Daar vormen zich de vele hoofdjes in een schermvormige pluim. Het belangrijkste kenmerk van deze composiet is echter, dat hij geen straalbloemen heeft, maar alleen hoofdjes met buisbloemen, omringd door groene omwindselblaadjes. De naam tanacetum komt van het grieks ‘athanasia’, wat onsterfelijk betekent en waarschijnlijk slaat op het feit dat de bloemen niet snel verwelken. De vlaamse naam daarentegen verwijst ernaar dat de de oliën van de plant vroeger gebruikt werden als wormmiddel, maar ook ter bestrijding van ander ongedierte, zoals motten.

 
 

6. Zwavelzwam (Laetiporus sulphureus)

De zwavelzwam is zwavelgeel tot oranje van kleur en kan erg groot worden (in Engeland is er ooit een exemplaar van 45 kg gevonden) ! Hij is daardoor erg opvallend. Het is een buisjeszwam en hij groeit dakpansgewijs. De onderkant is eerder onregelmatig golvend en vochtig. Hij voelt zich goed thuis op stronken van levende loofbomen, zoals eik, wilg, robinia en kers in open landschappen en is een parasiet. Het mycelium of de zwamvlok, groeit door in de stam en veroorzaakt bruinrot. Als ze jong zijn kan men ze als schnitzels bakken in de pan. In het engels wordt ze ‘chicken of the woods’ genoemd, omdat ze volgens sommmigen naar kip zou smaken.

 
 

7. Gele Trilzwam (Tremella Mesenterica)

Terwijl de meeste paddenstoelen niet te herkennen zijn in de winterperiode, heeft de gele trilzwam niet liever dan dat het goed vochtig is en komt het meest voor in de winter. Uit de scheuren in de schors van op de bodem liggende loofhouttakken, komen dan de opvallende, felgele, hersenvormig gewonden vruchtlichamen naar buiten. Ze voelen zacht aan en hebben hun mooiste kleur en vorm als het regent of erg vochtig is. In droge omstandigheden schrompelen ze snel ineen en worden hoornachtig hard. Ondanks zijn vorm is de trilzwam een steeltjeszwam (Basidiomycota) en geen zakjeszwam (Ascomycota).

 
 

8. Koningskaars (Verbascum thapsus)

De koningskaars komt bij ons algemeen voor, op wegbermen, spoordijken, stortplaatsen en in bosranden. De plant heeft zijn naam te danken aan zijn flinke lengte van 1,5 m en aan het feit dat zijn lange stengel bezaaid is met grote, gele bloemen. Ze valt echt op en overheerst de planten waar ze tussen staat. De toortsen (verbascum) zijn warmteminnende planten en de koningskaars is een tweejarige soort, die het eerste jaar een rozet van grote bladeren vormt en in het tweede jaar de lange, dichtbebladerde stengel. De vele bloemen bloeien niet tegelijk, maar in verschillende golven over de lengte van de stengel, zodat de totale bloeitijd van de plant erg lang wordt. De bladeren zijn dicht, wit en viltig behaard. De koningskaars produceert enorm veel zaden (tot een miljoen), waarvan er echter maar weinig het tot plant brengen.

 
 

9. Maretak (Viscum album)

Het is een groenblijvende halfparasiet, die in de winter met zijn bolronde vorm erg opvalt tussen de kale takken van de bomen. Hij leeft deels van zijn gastheer en deels zorgt hij door fotosynthese voor zijn eigen voeding. De vogels eten de witte bessen en verspreiden de plant door de kleverige zaden met hun snavel aan de takken af te wrijven. Dit verklaart de naam vogellijm (of vogelteer) als synoniem voor de maretak. De wetenschappelijk naam Viscum heeft dezelfde stam als ‘viscositeit’. Hij is al eeuwenlang bekend als heilige (druïden) en geneeskrachtige (vruchtbaarheid) plant. De groene, platte wortel van het jonge plantje dringt doorheen de schors van de waardplant tot in het hout. Hier tapt de maretak een deel van de anorganische voedingsstoffen (nitraten, sulfaten, …), die de houtvaten van de boom vervoeren, voor eigen gebruik af. De organische sapstroom (suiker, zetmeel, eiwit) interesseert de maretak niet; hij maakt zijn organisch voedsel zelf. Daarom is hij geen parasiet, maar een halfparasiet : hij ontleent slechts de helft van zijn behoeftes aan zijn gastheer Als we nauwkeurig zien, bemerken we een groengele stam, die zich telkens in twee splitst. Op het einde van de vertakkingen staan tegenover elkaar de omgekeerd lepelvormige, gaafrandige, lederachtige bladeren. In de oksels van deze bladparen en aan de basis van de gaffels staan de kleine, éénslachtige bloempjes: de mannelijke met hun 4 meeldraden, de vrouwelijke met éénhokkig vruchtbeginsel, dat uitgroeit tot een witte, halfdoorschijnende bes. De maretak is tweehuizig : slechts de vrouwelijke planten met hun bessen komen rond Kerstmis op de markt (mistletoe). Op het gebied van folklore kent de maretak ook een hele geschiedenis : bij de Galliërs sneden de druïden hem met een gouden sikkel van de heilige eik af en vingen hem op een witte doek op. De toekomst werd ermee voorspeld en boze geesten afgeweerd. Van heiligheid naar duivelskunst is eigenlijk maar een kleine stap : zo werd de maretak duivelsnest (Limburg), duivelsgras (Oost-Vlaanderen) en heksennest (Elzas) genoemd. Anderzijds werd een maretakblaadje als amulet om de hals gedragen tegen boze geesten. Er werd drank uit gebrouwen tegen ziekten en de bes was een remedie tegen de vallende ziekte.

 
 

11. Heksenboter (Fuligo septica)

Het is een slijmzwam (of myxomyceet), waarvan er ongeveer een 500 bestaan. Ze behoren eigenlijk niet tot het schimmelrijk, maar worden wel door mycologen bestudeerd. Het is eigenlijk een groep organismen, die zich van alle andere levensvormen onderscheidt. Het bestaat uit een plasmodium, dat zich kan voortbewegen en meestal een glanzend ‘kruipspoor’ achterlaat. Heksenboter ziet eruit als een licht verheven, sponzig, citroengeel kussentje en komt vrij algemeen voor op dood hout. De reden van de nederlandse taalgeving laat zich raden; waarschijnlijk vonden de mensen het maar een raadselachtig iets, en iets dat men niet kon verklaren, dat zich daarbij nog verplaatste en geel zag, noemde men dan maar ‘heksenboter’.

 
 

14. Hondsroos (rosa canina)

Bij ons komen er verschillende stekelige heesters met grote bloemen voor : vooreerst de bramen en natuurlijk de rozen. Deze laatste hebben allen een vergroeide, 5slippige kelk, 5 losse kroonblaadjes, zeer talrijke meeldraden met veel stuifmeel en vele stampers (vrij of met elkaar vergroeid), die elk bestaan uit een vruchtbeginsel, stijl en stempel. Elk vruchtbeginsel groeit na bestuiving uit tot een éénzadige, droge vrucht (een dopvrucht), die meestal behaard is. Verschillende van die dopvruchtjes zitten samen in de urnvormige, vlezig geworden bloembodem, waarop de kelkslippen blijven staan : de rozebottel, die bij rijpheid meestal rood kleurt. Ze is, zeer rijk aan vitamine C en net zoals de aardbei een schijnvrucht. De heester zelf bestaat uit een wirwar van oorspronkelijk groene, buigzame twijgen, die bij het ouder worden verhouten tot een duim dikke, sterk gestekelde, kromme stammen. De stekels zijn aanhangsels van de opperhuid en dus gemakkelijk te verwijderen. De bladeren zijn veervormig samengesteld, en bestaan uit 7 blaadjes met getande rand. Aan de voet zijn er 2 steunblaadjes, vergroeid met de bladbasis.

 
   

15. Vliegenzwam (Amanita muscaria)

De vliegenzwam is één van de meest herkenbare en een algemeen voorkomende paddenstoel in de Lage Landen. Ze groeien in symbiose met bepaalde bomen, zoals onder andere de berk, de tamme kastanje , de eik, de den en de spar. Ze is gemakkelijk herkenbaar aan haar (meestal) rode kleur, de witte stippen op de hoed en meestal een ring rond de steel. Zowel de stippen als de steel zijn overblijfselen van een omhulsel waar heel de zwam oorspronkelijk in opgesloten zat. De vliegenzwam is inderdaad giftig , maar niet meteen dodelijk. Hij kan zelfs gegeten worden bij een juiste bereiding. Anders heeft de zwam wel hallucinogene bijwerkingen.

 
   

16. Kardinaalsmuts (Euonymus europaeus)

Het is een vrij klein blijvende boom, met viertallige bloem- en vruchtdelen, die zijn naam ook al aan diezelfde vruchtjes te danken heeft. Met zijn 4 lobben doen ze denken aan het hoofddeksel van een kardinaal (ook roze), vandaar ook de franse naam : bonnet du prêtre. Als de lobben vaneen wijken wordt de oranje zaadrok, die het zaad omhuld, zichtbaar. Vogels, die aangetrokken worden door de felle kleurencombinatie, zorgen voor de verspreiding van de harde, witte zaden. Vele gevaren bedreigen de kardinaalsmuts. Tijdens strenge winters komen konijnen en hazen aan de stam knagen om de bast eraf te halen, en de stippelmot (Hyonomeuta euonymellus) heeft in zijn rupsenstadium de kardinaalsmuts uitgekozen als voedselbron en richt in het voorjaar vaak een ware verwoesting aan onder deze struiken. Alleen door zijn sterk vermogen tot het ontwikkelen van wortelschot kan de boom het volhouden

 
   

13. Sleedoorn (Prunus spinosa)

De Sleedoorn is een bij ons veel voorkomende struik. Men kan hem herkennen aan de puntige stekels, aan zijn bast met horizontale strepen (zoals de meeste prunus-soorten) en natuurlijk vooral aan de blauwzwarte vruchten (sleeën genaamd). Deze grote struik (of soms zelfs kleine boom) komt bij ons algemeen voor als heg, of aan de rand van bossen en akkers. In de herfst zien we goed zijn ronde vruchten en gedoornde takken. Door deze verdediging, biedt hij niet alleen bescherming aan onder hem groeiende planten, maar bezorgt ook vele vogels een veilige plek voor hun nest. De vruchten worden gebruikt om jam van te maken en soms ook om gin op smaak te brengen. Ze worden zelfs beschouwd als de voorouders van vele tegenwoordige pruimenrassen.

 
   

14. Kaardebol (Dipsacus fullonum of vroeger sylvestris)

De wilde kaardebol is een indrukwekkende verschijning. Tot 2 meter hoog wordt de kaarsrechte stengel, die met verschillende rijen stekels bezet is. De bladen zijn tegenoverstaand en zittend, aan de basis breed met elkaar vergroeid. In deze “beker” verzamelt zich het regenwater na elke bui en blijft er lang in staan (dipsacein = Grieks voor dorst hebben). Vogels zouden er van komen drinken, omdat er zelfs in periodes van langdurige droogte water in blijft staan. De bloemen van de tot 8 cm lange bloemhoofdjes ontluiken eerst in een ring halverwege het hoofdje. Vanaf daar trekt de bloeifase naar boven en naar omlaag. Het hoofdje is omringd door smalle, stekelige schutbladen. In het najaar zien we slechts nog de uitgebloeide en verdroogde hoofdjes, die echter veel in bloemstukjes en droogboeketten verwerkt worden De bloempjes zijn zeer honingrijk, zodat de hoofdjes druk bezocht worden door allerlei insecten. De vrucht is een nootje. De plant is bij ons een beschermde soort.

 
   

16. Grote Parasolzwam (Macrolepiota procera)

Het is een vrij grote, bruinachtige zwam met een flinke (soms tot 30 cm breed), schubbige hoed en een geringde steel met knolvormige voet. In het midden van de hoed bevindt zich een donkerbruine verhevenheid. Door haar grootte (ze is de grootste Europese plaatjeszwam) valt ze erg op en is normaal gemakkelijk te herkennen. De lange, slanke steel (tot 35 cm hoog) heeft ook een grillig patroon. Deze soort komt veel voor in graslanden en meestal in groepen. Hoewel het een eetbare soort is (de hoed zou gepaneerd en gebraden als een schnitzel heerlijk zijn), verdragen sommige mensen hem niet.

 
   

17. Parelstuifzwam (Lycoperdon perlatum)

Deze paddestoel is een gasteromyceet, of buikzwam. Dit betekent dat de sporen tot rijpheid komen binnenin de zwam. Bij de parelstuifzwam bevinden de sporen zich bovengronds in een tot 5 cm grote, min of meer bolvormige vruchtlichaam, waar bij rijpheid aan de top van de bol, een opening ontstaat, waarlangs de rijpe sporen zich kunnen verspreiden. Soms is de druk van een regendruppel, die op de zwam valt al genoeg om er een wolk sporen uit te zien ontsnappen. De parelstuifzwam heeft dan nog het bijkomende kenmerk, dat hij bedekt is met vele kleine stekeltjes of wratjes, die de zwam het uitzicht geven van als het ware bedekt te zijn met kleine, witte pareltjes. Deze soort is niet giftig.

 
   

18. Aardster (Geastrum)

Het geslacht van de aardster behoort tot de Buikzwammen, waar ook onder andere de stuifzwammen, de bovisten en de stuifzwammen toe behoren. De aardster is daarbij nog een speciaal geval. In eerste instantie lijkt het in het geheel niet op een paddestoel, maar het bestaat uit een bolletje, met daaronder een slippenkrans in de vorm van een ster. In dat bolletje worden de sporen gevormd (vandaar buikzwam). Oorspronkelijk, dwz als de paddestoel nog in de grond zit, zit de slippenkrans als een gesloten omhulsel rond het bolletje. De krans splijt open en drukt het geheel zo ver omhoog dat de paddestoel los op de grond komt te staan. De sporen verlaten het bolletje via de mondopening. De mondzone is één van de determinatie-kenmerken van de aardster.